Paulus' brief aan de Galaten
1973-06-01
Wet 3: 10-14 - Jaargang 17
- nummer 22
Het is voor het begrijpen van deze brief - trouwens van heel de Bijbel - te weten wat het woord "wet" betekenen kan. Dat is nl. niet altijd hetzelfde.
Het woord "wet" heeft in onze oren een onaangename klank gekregen.
Dat dit zo is geworden gaat wel terug op de leer van de Farizeeën. Er is zelfs een tegenstelling gemaakt tussen wet en evangelie. Wat natuurlijk onmogelijk is omdat de wet en het evangelie beide van de HERE komen.
Hij spreekt zich zelf niet tegen.
In de eerste plaats moeten we onthouden dat het woord "wet" soms aanduidt heel het woord van God. Vooral dan het Oude Testament. Voorbeelden daarvan in Psalm 19 en 119. Heel duidelijk in Joh. 10 : 34, waar de Here Jezus zegt: "Is er niet geschreven in uw wet; Ik heb gezegd: "Gij zijt goden". Als we dan gaan zoeken waar dat staat dan vinden we dat woord in Psalm 82: 6. Ook de psalmen behoren tot de wet.
Tot de onderwijzing.
Soms wordt ermee bedoeld het schaduwachtige gedeelte van het Oude Testament. Alle voorschriften over wat in en rond de tempel gebeurde en moest gebeuren.
In deze zin wordt het gebruikt in deze brief in hoofdstuk 3 : 24.
Ook wel wordt er mee gedoeld op de vijf boeken van Mozes. Matth. 5 : 17. Vergelijk Hebr. 10 : 1.
Vaak denken we bij het woord "wet" aan de tien geboden alleen.
Dat is beslist verkeerd. Misschien doelt Jacobus in zijn brief op de tien geboden, als hij spreekt over de wet. Maar dan nog heten ze niet "tien geboden". Ze worden in de Schrift de tien woorden van het verbond genoemd of soms wel kort weg: verbond.
Als de "wet" iets onaangenaams was, dan zou Jacobus ook niet kunnen spreken van de koninklijke wet der vrijheid". De wet is ons niet gegeven om ons te plagen.
Maar om ons leven te leiden naar Jezus Christus en door Jezus Christus. Heel het Oude Testament is een tuchtmeester tot Christus (3: 24). Daarom is het ook Evangelie. Blijde boodschap. Met als korte samenvatting: "Ik ben de HEERE uw God". De wet vraagt trouwens liefde. Geen domme en gedwongen gehoorzaamheid.
Zo is de HERE niet. Zo is het verbond niet. Heel de Heilige Schrift van de eerste tot de laatste bladzijde is een blijde boodschap.
Daarom kan ook een psalm wet genoemd worden. (Zie C. Vonk, Voorzeide Leer over de Catechismus op verschillende plaatsen.)
Wet en Evangelie
Er is wel een tegenstelling tussen leven uit de wet en leven uit het evangelie. Daarover heeft Paulus het in dit gedeelte. Als je je behoudenis wilt bewerken uit eigen werken, werken der wet, dan ligt men onder de vloek. Want dan moet je je geheel houden aan alles wat in de "wet" staat geschreven.
En welke zondaar kan dat? Dan, als men dat probeert, - de zonde van het Farizeïsme, - dan geldt ook het woord "vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven staat, in het boek der wet, om dat te doen.".
Dan is er ook geen straks meer van het "uit genade behouden worden". Dan is er geen sprake meer van het vertrouwen op Christus. Op Zijn genade alleen.
Het is niet zo moeilijk om in die gedeelten van de Schrift die wij gewend zijn "wet" te noemen het evangelie te horen. Juist lezen van heel het Oude Testament betekent dat we er oog voor krijgen dat ook in het Oude Testament staat "de rechtvaardige zal door het geloof leven". Hab. 2 : 4.
Het willen leven uit werken der wet om eigen zaligheid te verkrijgen is een aantasting van het volkomen werk van de Heiland. Dan hebben we Hem niet meer nodig.
Dan valt er alleen de vloek te wachten. Dan moeten we doet: wat Christus gedaan heeft. Paulus spreekt hier dan ook over de tegenstelling over het leven uit het "doen" of het leven uit het "geloof". Uit het vertrouwen op Jezus Christus. In wezen is de poging uit "werken der wet" te leven niet anders de zonde van de hoogmoed, die' in het paradijs al begon. Het als God willen zijn.
Dat uit zich in een gevallen wereld in het wel gered willen zijn, maar niet het gered willen worden.
De wet is heilig en goed.
Maar hij wordt krachteloos door het vlees. Hij wordt in de handen van de zondaar een middel om recht overeind te blijven staan tegenover God in plaats van voor Hem te knielen.
Christus is voor ons een vloek geworden.
Daarom heeft Hij aan het kruis gehangen, in onze plaats.
Deut. 21 : 23. Hij heeft alles volbracht.
Daar behoeft van ons niets meer bij. En elke poging om er zelf wel iets bij te doen, tot behoud, is belediging van de Heiland.
Omdat Hij alles volbracht heeft, daarom kunnen ook heidenen uit genade behouden worden.
Abraham en zijn zaad 3 : 15-18
God had aan Abraham de belofte geschonken: "Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven" (Gen. 12 : 7). En het is een refrein door heel de Bijbel heen: U komt de belofte toe en Uw zaad. Het is duidelijk dat met dat woord "zaad" de nakomelingen van Abraham bedoeld worden. Meervoud. Het opvallende is dat Paulus hier spreekt van "enkelvoud". Dat wil zeggen: aan Christus.
Wil dat nu zeggen dat wij het "U en Uw kinderen" moeten vergeten, als een verkeerde uitleg van de belofte aan Abraham? Ik dacht van niet. Men heeft er wel een tegenstelling van gemaakt.
Maar ten onrechte. Als God Zijn verbond opricht met ons en onze kinderen, dan is dat, dank zij het werk van Christus. Alleen door het geloof in Hem begrepen mogen we verbondskinderen zijn.
Het verbond der genade heeft zijn rechtskracht gekregen in het volbrachte werk van Christus. Daarom mogen we vast geloven dat wij ook tot dat verbond der genade behoren. Daar is niets van ons zelf bij. Maar het ligt vast, zoals een testament vast ligt. Het ligt vast omdat Christus een vloek geworden is voor ons. Abraham ontving de belofte 430 jaar voordat de wet erbij kwam. Ex. 12: 40. "De vier honderd dertig jaar stammen uit de rabbijnse berekening, die de jaren der aartsvaders mede rekent met de periode der dienstbaarheid in Egypte" (Van Stempvoort) Abraham ontving niet de thora. Abraham ontving een belofte. Daarom hangt de erfenis niet af van de wet, maar van de belofte, naar de aard van een testament.
Bijgevoegd 3 : 19-22
Het is natuurlijk niet verwonderlijk dat Paulus nu ingaat op een vraag die als van zelf opkomt: wat is de betekenis van de wet dan nog wèl? Nu de wet is er bijgevoegd. Rom. 5 : 20. En waarom?
Om de overtredingen te doen blijken. De "wet" was er niet om de zonde te weren, maar om de' zonde juist als zonde aan het licht te brengen. Wij zouden de zonde niet als zonde kennen, als het ons niet gezegd werd dat iets zonde was. Paulus noemt in Rom. 7 de begeerte. Hij zou niet geweten hebben dat de begeerte zonde was, als de wet niet zei: ge zult niet begeren. We zijn verder zo slecht dat we juist daarin zin krijgen wat God verbiedt. Dat ligt niet aan de wet. Dat ligt aan ons.
En dat leert ons tegelijk, dat we alleen maar gered kunnen worden door Jezus Christus. Dat het vertrouwen op Zijn offer het enige middel is om te ontkomen aan de vloek. Zo alleen krijgen we deel aan alle beloften Gods. Zo alleen zijn we kinderen van Abraham.
Het is echt "door het geloof alleen".