Paulus' brief aan de Galaten

1973-06-08
  • Jaargang 17
  • nummer 23
Abraham en zijn zaad. 3 : 15-18

Verder moet wel opvallen dat in vers 16 staat dat aan Abraham beloften werden gegeven. Welke?
Nu: een land, een volk en het tot zegen zijn voor alle geslachten van de aarde (Gen. 12 : 1-3). Ik dacht dat in Gen. 12 de volgorde ook niet van onbelang was.
In Rom. 4 : 13 worden al de beloften aan Abraham gedaan, samengevat in het "erfgenaam der wereld" zijn. Dat is nogal wat. De vraag dient besproken te worden in hoeverre dat letterlijk op te vatten is. Mijns inziens moeten we zo min mogelijk "vergeestelijken", willen we de Bijbel eerbiedig lezen.
Die beloften golden niet alleen Abraham maar ook zijn zaad. Gen. 12 : 7. Het merkwaardige is dat Paulus hier zo de nadruk legt op het enkelvoud. En daarom zegt hij met "het zaad" wordt Christus bedoeld, terwijl in 3 : 29 staat: "Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt ge zaad van Abraham en iedereen die door het geloof met Christus verbonden is, is ook Abrahams zaad. Het is duidelijk dat in het boek Genesis met het woord zaad nakomelingschap wordt bedoeld. En we denken dan wel aan meervoud. U komt de belofte toe en Uw kinderen, zegt Paulus dan ook op de Pinksterdag tegen de Joden. Maakt Paulus hier nu een spelletje? Natuurlijk niet.
En hij heeft het Hebreeuws ook wel gekend. De "oplossing" is, dunkt me, dat Paulus, die ook de brief aan de Romeinen heeft geschreven, weer spreekt van de eenheid van alle gelovigen in Jezus Christus, onze Heer. Abrahams kinderen, alle gelovigen, zijn begrepen in Jezus Christus. Zo zijn we ook met Abraham erfgenamen van de wereld.

Nogmaals 430

Ik heb eerder al gewezen op het feit dat het woord "wet" in de H. Schrift verschillende betekenissen kan hebben. Nu had' de HERE beloften gegeven. Paulus vergelijkt het met het gebruik van een testament-maken onder mensen.
Zodra de testamentmaker gestorven is heeft het rechtskracht gekregen. In een geordende maatschappij kan niemand daaraan meer iets veranderen. En als we nu het woord testament verklaren met het woord verbond, dan is wel duidelijk wat Paulus bedoelt.
Als onder mensen een testament al niet meer aan te vechten is, dan zijn de beloften Gods helemaal niet meer aan te vechten.
Daarom hangt de zekerheid van de beloften aan Abraham geschonken, niet af van iets dat later gekomen is. De wet die 430 jaar later is gekomen, maakt het testament niet ongeldig. Juist het noemen van dit getal maakt wel duidelijk wat hier met wet bedoeld wordt. De tijd dat Israël in Egypte was, was ook 430 jaar (Ex. 12: 30). De heerlijke openbaring die de HERE aan Israël gaf na de uittocht uit Egypte met alle geboden en verboden, wordt door Paulus hier "wet" genoemd.
Maar dat alles is niet in strijd met wat de HERE aan Abraham beloofde, maar juist ontvouwing daarvan. Dat verandert aan het verbond Gods niets.

Waartoe dient de wet? 3 : 19, 20

Paulus moet zich natuurlijk verweren tegen hen, die beweren dat hij de Gods openbaring aan Israël gegeven, na 430 jaar, eigenlijk niet op prijs stelt. Nu daarin vergist men zich. De wet is heilig en goed. Wel geeft Paulus hier een heel scherpe reden op, waarom de wet erbij kwam. Om de overtredingen te doen blijken. Dat is daarom een scherpe reden, omdat dat ingaat tegen wat de mens van nature geneigd is te maken van de wet, nl. een middel om recht overeind te blijven staan tegenover God. De mens is zo slecht dat als de HERE wat zegt hij juist zin krijgt om daar tegen in te gaan.
Te doen, wat verboden wordt en juist na te laten wat geboden wordt. Dat ligt niet aan de wet.
Dat ligt aan de zondige mens.
Zonder de wet is de zonde dood.
Juist als de wet komt komt ook het verlangen op om in te gaan tegen God (Rom. 7: 7-12). Zo slecht zijn we. Zelden worden we dieper aan de kaak gesteld als ongehoorzame zondaren. Het is goed hierbij te bedenken dat de wet die God aan Israël gaf zakelijk niets anders inhield dan het God lief hebben boven alles en de naaste als zich zelf. In een bepaalde vorm is dat aan Israël gegeven.
Mozes heeft die als vertegenwoordiger van God aan Israël meegedeeld.
En als vertegenwoordiger van het volk in ontvangst genomen.
Door engelen. Dat laatste wordt nogal eens bestreden. Maar dat laat de Bijbel natuurlijk niet toe. We zullen hier moeten denken aan het feit dat Mozes de "tien woorden van het verbond" op twee stenen tafelen meekreeg.
De tien woorden van het verbond als korte samenvatting van alles wat de HERE wilde: Hem liefhebben en de naaste liefhebben.

Strijd tussen wet en belofte?
3: 21-25

Dat is een onmogelijkheid. Ze komen beiden van God. Ook de wet is Evangelie. Want de wet juist gelezen, drijft uit naar Jezus Christus. De vrijspraak van de zondaar vóór de tijd van Abraham en vóór de wetgeving op Horeb, is er ook alleen dank zij het werk van Jezus Christus.
Nooit uit wetswerken. Dat is met de komst van Jezus Christus niet veranderd. Paulus keert zich -niet tegen de wet, maar tegen het "leven uit de wet", buiten het geloof om. Want er bestaat geen wet - welke dan ook - die een mens houden kan en zo de vrijspraak verwerven. En alle vormen van wet door de HERE gegeven zijn bedoeld geweest om naar Christus uit te drijven.
Dan gebruikt Paulus het woord tuchtmeester. Paedagoog. Letterlijk een "knapengeleider" . Een in die tijd een direct verstaanbaar beeld. Kinderen werden op de straat door een slaaf geleid om hen voor onheilen te behoeden.
Israël kon tot Christus' komst zulk een begeleider niet missen.
Daarmee wordt de wet niet iets minderwaardigs. Maar juist heilzaam.
Ze werden goed "bewaard", opdat ze uit het geloof zouden leren leven. Opdat ze vrijgesproken zouden worden uit genade alleen.
Jezus Christus is het einde (het doel) van de wet. Door het geloof in Hem worden we in de vrijheid gesteld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief