Van Ruler - Blij als een kind

1973-06-08
  • Jaargang 17
  • nummer 23
Tot mijn grote spijt behoor ik niet tot degenen die de vorig jaar overleden theoloog A. A. van Ruler persoonlijk hebben gekend. Zijn stem herinner ik mij slechts van enkele theologische ethercolleges en wat zijn persoon betreft is mij de herinnering bijgebleven aan een betrekkelijk kleine, kordate man met ogen die altijd vriendelijk keken en niet zelden een olijke twinkeling vertoonden.
Dat laatste lijkt mij typerend voor de aard van de man en voor het patroon van zijn denken, voor zover ik van beide enige weet heb. Zijn betogen, of het nu diepzinnige theologische verhandelingen zijn dan wel populaire beschouwingen in een dag-, week- of maandblad, tintelen van pure pret.
"Blij zijn als kinderen" is dan ook de titel van een boek, dat vorig jaar bij Kok in Kampen verscheen en waarin een keuze is opgenomen van ruim 60 artikelen, die Van Ruler in de loop der jaren voor verschillende bl aden heeft geschreven. Mevrouw J. A. van Ruler-Hamelink, die deze keus maakte en de artikelen rangschikte volgens de nog door haar man gekozen indeling, schrijft in het Woord Vooraf: "Eigenlijk komt hier de hele theologie van mijn man bij stukjes en beetjes op tafeL" Mede daardoor is dit "boek voor volwassenen", zoals de ondertitel luidt, een tot gretig toetasten nodende tafel.

• "Levensvragen"

Het eerste deel van het boek brengt ons al meteen in het hart van Van Rulers denken. Hij kan een existentialist genoemd worden, maar dan moet men wel precies zeggen, wat men met die term bedoelt.
Van Ruler wijst er op, dat het woord existentie wat tweeslachtig van betekenis is. Men bedoelt er het bestaan mee en dan vooral het menselijke bestaan, het bestaan dus van een wezen, dat bewustzijn heeft omtrent de dingen en omtrent het zelf. Daardoor kan hij wat met de dingen doen; hij is een cultureel wezen. Er zit voortgang en verandering in zijn geschiedenis, voor zover hij die zelf maakt. Existeren betekent dan in dit verband: "uit het bestaande, uit het gegevene uitschrijden de toekomst in". Aan dit van oorsprong vrij kleurloze woord komt op deze wijze een dynamische, zelfs een revolutionaire bijsmaak. Maar dan vraagt Van Ruler: "Wanneer men uit het bestaande uitschrijdt, waar schrijdt men dan in?" Zal de onbekende toekomst niet dezelfde verveling en walging opwekken, die de existentialist al over het heden voelt? Velen redeneren: het heden is niks en dus zal de toekomst ook wel niks zijn. Zo komt men van het dynamische en revolutionaire haast vanzelf in het nihilistische.
Dan is existeren het uitschrijden uit het bestaande als zodanig, het niets in. Naar het boeddhistische is dan nog maar een kleine stap: existeren is binnenschrijden in het nirwana.
"Daar is alle bewustzijn en alle drift uitgeblust." Heeft men daarom tegenwoordig zo'n belangstelling voor Oosterse wijsheidsleraren en voor (eigenlijk ook Oosterse) drugs?
Van Ruler wijst er vervolgens op, dat in christelijke zin existeren precies het tegenovergestelde betekent, "juist niet een uitschrijden uit het bestaande en gegevene, de toekomst en dus het niets is. Veel fundamenteler is het gezichtspunt, dat het echte en volle existeren een uitschrijden, een uitgeschreden zijn uit het niets is, in het bestaande, dat het gegevene is, in." Wij zijn schepsel, uit het niets in het aanzijn geroepen.
We zijn gewild en daarom zijn we er.
In deze, christelijke zin is Van Ruler een existentialist. Dat hij er is en dat hij er krachtens de wil van de Schepper is, verschaft hem mateloos veel vreugde. Er is bij hem dan ook geen plaats voor uw vraag naar de zin van het leven.
Dat vindt hij een oneerlijke vraag, omdat zij het leven op het Procrustesbed van de rede legt en er net zo lang aan hakt en trekt, tot het in dat bed past. Het antwoord op die vraag kan met precies evenveel recht positief of negatief uitvallen. We zijn er niet gekomen, omdat dat op zichzelf enige zin had, maar omdat God er zin in had! "Daarin, dat wij er zouden zijn. Daarom komt het er voor ons op aan, er ook zin in zien te krijgen, Niet met onze rede er een zin in vinden, maar met onze wil er zin in krijgen - dat is de boodschap!" Geloven in christelijke zin is voor Van Ruler dan ook primair "geestdrift voor het zijn": dat hoort bij het een-afspiegeling-zijn van de Schepper, Die zo'n zin in ons bestaan had.
Op deze grondslag is er bij Van Ruler dan ook absoluut geen plaats voor een graduele onderscheiding van stof en geest. De heidenen hebben altijd gedacht, dat de materie slecht is en dat al het boze daaruit is voortgekomen.
Dat leren de christenen niet.Er is volgens Van Ruler in het christendom zelfs geen plaats voor een beschouwing van de stof als het lagere tegenover de geest als het hogere (al zijn we in de praktijk van deze heidens-besmette gedachte tot nu toe nooit helemaal losgekomen). "Er is maar één wereld, namelijk deze zichtbare en tastbare. Zij is Gods wereld ...
Christus is niet gekomen om ons uit de stoffelijkheid te verheffen, maar om - in het vlees - de toorn van God te dragen en zo de schuld van de zonde te verzoenen - opdat wij weer in de concrete, geschapen wereld voor Gods aangezicht zouden kunnen leven."
Het komt er aan op aan, dat wij God dienen in deze wereld. God wil niet alleen gediend worden in de hemel, in het hart of in de liturgie, maar ook in de omgang met de mensen en in de bezigheid met de stof. "Mest kruien is een Gade welgevallig werk", maar ook ruimtevaart, kernsplitsing en harttransplantatie horen in ooit perspectief thuis, evenals b.v. de politiek. Zo mag (en moet) de mens met God meedoen, mee bezig zijn in Zijn wereld. Daarom verstaat Van Ruler de geschiedenis, het geschiedende zijn als "reidans der daden Gods (waarin de daden der mensen elegant zijn opgenomen)".

• "Geloofsvragen"

Wie nu zou verwachten, dat er in de gedachtengang van Van Ruler met zijn onbedwingbare plezier over het zijn geen plaats zou zijn voor besef van zonde, komt bedrogen uit. Van Ruler is geen struisvogel. In het theologische betekent dat, dat hij minstens twee dingen niet doet. Allereerst blijft hij niet staan bij de notie, dat de mens zondaar is, alsof dat het enige is, dat over de mens te zeggen zou zijn. Wie van niets anders weet heeft, dan dat de mens zondaar is, schendt het evangelie op een verschrikkelijke manier. Het tweede, waarvoor Van Ruler zich wacht, is de redenering dat de zonde er wel is en dat de mens wel zondaar is, maar dat ook de verlossing er gekomen is en dat we het daarom over de zonde en over het zondaar-zijn van de mens niet te veel en te vaak meer behoeven te hebben. Van Ruler heeft het bepaaldelijk wel over de zonde en over de mens als zondaar en nog vaak bovendien, maar dan steeds tegen de achtergrond van zijn schriftuurlijke overtuiging omtrent onze oorsprong in de zin, de wil van God. Daarom kan hij zeggen: "De mens als zondaar verstaan is op geen wijze een sombere, maar op tal van wijzen een zonnige zaak." Het betekent namelijk, dat de zonde niet fundamenteel is. Zij is niet gegeven met het geschapen-zijn en hoort er daarom ook niet bij .. Het is geen tragisch lot, dat over ons komt. "We zijn geen slachtoffers, maar daders van het kwaad." De mens heeft schuld, niet alleen op z'n eentje, maar ook in zijn gemeenschappelijkheid.
Maar wanneer de zonde secundair en accidenteel is, kunnen we er ook weer van ver lost worden. Bovendien is deze verlossing niet alleen mogelijk, volgens het evangelie is zij ook werkelijk! "Ze is ons geschonken in de middelaar!"
Nu is er maar één manier om er weet van te krijgen en te houden, dat de mens zondaar is en schuld heeft. Het is op geen enkele wijze uit de werkelijkheid van de wereld af te lezen. Het moet ons gezegd worden. "Alleen op het gezag van de profetische en apostolische prediking kunnen we het ontdekken." Daarom, onder andere daarom, hebben we de kerk nodig, want alleen dáár wordt het ons verkondigd. Dat behoort een wezenlijk onderdeel van de prediking te zijn, op z'n minst het zout in het eten. Veel prediking is tegenwoordig zo flauw en zo laf, zo onnozel en totaal onbelangrijk, omdat het zondaar-zijn van de mens er geheel in verdonkeremaand wordt."
Niet minder wezenlijk en groot dan de ontdekking van de mens aan zijn zondaar-zijn is zijn verlossing van het zondaar-zijn. Hij moet er van losgescheurd worden.
Dat is ontzettend pijnlijk, veel pijnlijker dan het eerste. Daarom wél de zondaar dat eigenlijk niet zo graag. "Geef mijn portie maar aan Fikkie", zegt hij dan. Maar daar zullen we doorheen moeten.
"We zullen moeten leren leven van de genade." Ook dat is een wezenlijk element van de prediking.

Tot de geloofsvragen in de theologie van Van Ruler behoort niet alleen die naar de oorsprong van de mens en naar zijn hoedanigheid van zondaar, maar ook die naar zijn houding in het leven.
Deze kan in geen geval puur verticaal zijn, want dan ziet men het hier en nu, het aardse en het tijdelijke, als het lagere, dat op z'n best de startbaan is, waarop men zijn aanloop neemt en vanwaar men opstijgt. "Men wil terugkeren in God, in de hemel, in de eeuwigheid." De fout zit in dat woordje "terug". Alsof we uit de hemel, de eeuwigheid, vandaan kwamen en eigenlijk daar thuis hoorden.
Daartegen houdt Van Ruler in de eerste plaats vast aan de geopenbaarde waarheid, dat we geschapen zijn, uit niets. We komen zogezegd nergens vandaan. In de tweede plaats wijst hij er op, dat de verticale beweging in het evangelie precies in tegenovergestelde richting verloopt. God de Zoon is in het vlees gekomen.
"Niet de mens omhoog! Maar: God omneer!" Hier beneden is alle heil tot stand gebracht. In de derde plaats poneert hij de schriftuurlijke gedachte van het echelon, het zalige uiteinde. "De geschiedenis gaat ergens naar toe.
Ze loopt ergens op uit. Namelijk op het uiteindelijke rijk" Dat is geen verticale, maar een horizontale lijn, in de lengte van de tijd.
Voor zover in het leven van beweging spreke is (en een beweging verloopt altijd van een bepaald punt uit en naar een bepaald punt toe) is deze uitsluitend horizonbaal. Wat er verticaal is. is een relatie: God houdt het alles in Zijn handen. En van daar uit is er dan die horizontale beweging, waarin het gaat "om de verwerkelijking van de wil van de eeuwige God en om de oprichting van Zijn rijk." Daarmee zijn we er echter nog niet.
"Die verticale relatie - waarin alles staat - verdicht en verwerkelijkt zich in het zelf van de mens." De mens staat voor Gods aangezicht, terwijl hij de geschapen werkelijkheid in zich samenvat, vertegenwoordigt en verwoord.
"Hij staat er ook bewust, oordelend, sprekend." Dat alles betreft in de eerste plaats de innerlijke mens, het leven van het hart. "Daarin staat de hele horizontale werkelijkheid op een onmiddellijke, beleefbare, zelfs voelbare wijze in de verticale relatie."
"Er is echter niet alleen de innerlijke mens, er is ook de liturgische mens." A1s zodanig gaat hij met anderen naar de kerk, om de Schepper, Verlosser en Voleinder te prijzen over al Zijn werken.
"Ook zo... staat de hele horizontale werkelijkheid in de verticale relatie. Nu zelfs zichtbaar, gestaltelijk uitdrukkelijk. Daarom is de liturgie even onmisbaar als de mystiek ... De verborgen omgang van het hart met God en de openbare Godsverering zijn het aroma van de koffie van het hele geleefde leven."
Van Ruler is daarom ook niet zo onder de indruk van het moderne pseudo-evangelie van de medemenselijkheid, want daarin staat men niet alleen in de horizontale beweging, "maar ook alleen maar in horizontale relaties! ... En voor we er erg in hebben gaan we dan toch weer het horizontale verabsoluteren en vergoddelijken."
Daarin ligt het fundamentele verschil tussen het christendom en het communisme, althans de ideologie daarvan.

"Heilsfeiten"

De theoloog Van Ruler is naar mijn mening niet in de laatste plaats van groot belang vanwege de aandacht die hij schenkt aan wie of wat de Heilige Geest is en doet. Wij kennen God als Vader, Zoon en Heilige Geest. Het begrip Drieëenheid omschrijft Van Ruler aldus, "dat de levende God in zichzelf datgene, wat Hij is, namelijk God, driemáál is en dat driemaal anders." De Heilige Geest is "God zelf op een derde manier." Hij is uitgestort en woont bij ons in. "Hij houdt de wanden van de eerste en de tweede komst van Christus uiteen ...
De tijd tussen toen en dan, het heden dus, in al zijn uitgestrektheid, is gevuld met de Heilige Geest en zijn werk." Naar de opvatting van Van Ruler woont en werkt de Heilige Geest in drie lichamen. In de eerste plaats in het lichaam van Christus, de kerk. In de tweede plaats in het Lichaam van de christenen, waarmee hij eet en drinkt, kinderen verwekt en ontvangt e.d. In de derde plaats "het lichaam van het min of meer gekerstende cultuurgemenebest . . . dus de wereld van de wetenschap en de kunst, de maatschappij en de staat, het gezin en het huwelijk." In deze drie woonsteden bestaat het werk van de Heilige Geest nu in het omzetten van het (in Christus gegeven) heil in menselijke levenswerkelijkheid.
"Er vindt kerstening plaats, niet alleen van de ziel van de enkele mens, maar van àlles", tot de staat en de internationale verhoudingen toe.
Deze kerstening bestaat echter niet daarin, "dat we de hele werkelijkheid opnieuw en nu puur van Christus uit in het aanzijn roepen."
De werkelijkheid is geschapen werkelijkheid en als zodanig niet minder van God dan Christus is. Ze is bedorven door de zonde, maar niet ongedaan gemaakt!
We kunnen daarom de schepping niet schrappen ter wille van de verlossing. Maar het omgekeerde kan ook niet: dat leidt slechts tot het de laatste jaren zo populaire pseudo-evangelie van de medemenselijkheid. We moeten schepping en verlossing laten staan: op deze twee benen moeten we lopen om in evenwicht te kunnen blijven.
"De Geest zet het heil-in-Christus om in menselijke levenswerkelijkheid, Daardoor wordt die menselijke levenswerkelijkheid omgezet tot dienst van God. Daarvan is niets uitgezonderd." We zijn dus op christelijke cultuur uit. Deze omvat de techniek evenzeer als de kunst, het staatkundige niet minder dan het sociale.
Willen we daarin christelijk, naar de Geest, bezig zijn, dan zullen we trouwens niet alleen van evangelie, maar ook van wet moeten spreken. De gedachte van een christelijke cultuur brengt ons (we kijken nu in omgekeerde richting!) als vanzelf bij de Heilige Geest, die de drijfkracht in het historische proces, de vaart in de loop van het apostolische Woord is.
Deze drijfkracht van de Geest, deze Geest-drift werkt door de hele geschiedenis heen. "Er is een stróóm van gedachten, beseffen, gevoelens, krachten, dingen losgemaakt door de uitstorting van de Heilige Geest. Deze stroom spoedt zich onweerstaanhaar voort door de eeuwen en overspoelt in het proces van de zending steeds nieuwe volkeren en gebieden. Dat is de "traditie" van het christendom, het door-geven." Al deze dingen zijn gaven van de Geest, waarvan het Nieuwe Testament spreekt. Het is nogal bekrompen daaronder slechts de gebedsgenezing of het spreken in tongen te willen verstaan. We moeten midden in de stroom van al die verschillende en zeer verscheidene gaven gaan staan en deze dankbaar aanvaarden.
"Maar dat kan alleen, als we niet slechts van de Geest-drifj weten."
Paulus wijst op een weg, die nog veel meer weg is en veel hoger voert: die van de liefde. De lofzang van 1 Cor. 13 gaat volgens Van Ruler over de liefde waarmee wij wórden liefgehad. "De liefde dus niet als zedelijk ideaal, dat wij moeten verwerkelijken, maar ook de láefde als historische werkelijkheid: God in Christus.
Wij leven niet naar dit ideaal toe, maar wij leven van deze realiteit uit."
Zo zijn er dan Geest-drift en liefde: de ene kan niet bestaan zonder de andere.

• De kerk

Het vierde deel van het boek van Van Ruler is gewijd aan vragen aangaande de kerk. Van Ruler is te diep geworteld in het gereformeerde protestantisme om daar geen intense belangstelling voor te hebben. Even natuurlijk, zeker voor hem als lid van de Nederlandse Hervormde Kerk, is, dat de vragen aangaande de kerk haast altijd in verband staan met vragen van de oecumene en dan vooral vragen omtrent de verhouding van Genève en Rome, want dat is naar zijn gevoelen toch altijd "de eigenlijke en ook de meest interessante oecumenische kwestie". Aam. de daarmede verbonden problematiek heeft Van Ruler zelfs een heel boek gewijd "Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met Rome" (Hilversum 1965).
Nu heeft Van Ruler altijd zeer scherp vastgehouden aan de primaire bedoeling van het oecumenische streven. "Oecumenisch is: maar één kerk te wallen", en dat tot in het institutaire en organisatorische toe. Anders is er slechts sprake van oecumenisch gezwijmel, dat aan de eigenlijke vragen voorbij gaat.
Het meest interessante is intussen Van Rulers visie op de Reformatie van de 16e eeuw. Hij herinnert er steeds weer aan, dat deze echt een re-formatie was.
"De Reformatie was geen nieuwbouw.
Zij was ook geen verhuizing.
Maar zij was een grote schoonmaak (met de nadruk zowel op "grote" als op "schoonmaak", v.d. G.) vàn en in de sinds eeuwen bestaande kerk." Deze werd op een gegeven moment her-vormd, ge-reformeerd. De aldus her-vormde of ge-re-formeerde kerk is per definitie de katholieke kerk. Als belangrijkste gebod voor het hedendaagse Protestantisme ziet hij daarom het herontdekken van de katholiciteit van de kerk en dat in drie dingen.
"In de eerste plaats, dat men weer de kerk als het lichaam van Christus gaat beleven, waarin Christus zelf, nog liever: God in Christus, present is... niet alléén ... , maar óók in het sacrament."
Daarom zullen we diepe ernst moeten maken met een juiste en zuivere liturgie en het besef van het wezen van het ambt en van het gezag van de kerk terug moeten vinden. In de tweede plaats zal het katholieke karakter van de kerk hebben in te houden, dat er echte ruimte is in de kerk "Daar moet plaats zijn voor verscheidenheid van inzicht en van opvatting." Ook dat is wezenlijk voor de katholiciteit der kerk: het is zeer de vraag, of leer beslissingen wel altijd zo heilzaam bi zelfs noodzakelijk zijn als de auteurs er, van denken, nog geheel afgezien van de omstandigheid, dat zij niet zelden hun bestaan enkel te danken hebben aan tot prestige-strijd verworden 'leertucht'. Leertucht moet er zijn, maar weinig is zo moeilijk als dat. In de derde plaats ziet Van Ruler de katholiciteit der kerk daarin, dat de kerk "midden in alles van het rijk van God wordt gesteld. Er zijn méér gestalten van het rijk van God in het heden."
Eén daarvan is de kerk.
Enkele andere zijn het gereinigde hart, het geheiligde leven, de gekerstende cultuur, de ontdemoniseerde staat enz. De kerk is pas ten volle katholiek, "als zij de veelheid èn de zelfstandigheid van al deze gestalten ziet en hartgrondig respecteert. De eigenlijke dienst van God geschiedt dan niet meer in de kerk, maar daarbuiten: in de maatschappij, de cultuur en de staat." Het zal dan zo moeten zijn, dat de mens, die buiten de kerk werkt, in de kerk daarvoor het materiaal heeft ontvangen, voor de reiniging van het hart, de heiliging van het leven, de kerstening van de cultuur, de ontdemonisering van de staat.

• Slotopmerkingen

Van Ruler heeft vrij zeker niet altijd gelijk. Dat is ook nergens voor nodig. Belangrijk is, dat hij iets te zeggen heeft, waarbij zo hartverwarmend de gewaarwording is, dat we hem met ons op één en hetzelfde fundament zien staan, het fundament van apostelen en profeten. Het belangrijkste lijkt mij, dat we van hem kunnen leren blij te zijn als kinderen. Een prettige bijkomstigheid is, dat hij oude dingen zó weet te zeggen, dat ze gloednieuw lijken.
We zullen slechts tot onze schade kunnen verzuimen ons met hem bezig te houden.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief