"Het uur U"

1973-06-08
  • Jaargang 17
  • nummer 23
“Het uur U" bestaat uit 476 regels, geschreven in de dagelijkse omgangstaal, die echter tot poëzie is verhevigd in een doorlopend gedicht, dat toch weer als proza kan worden gelezen.
De inhoud van het gedicht is globaal als volgt: in een doodstille verlaten straat, waar slechts in de verte een groepje kinderen speelt, beweegt zich plotseling volkomen geruisloos een man voort. Een wolkje aan de hemel kondigt aan dat het grote moment, het "nu of nooit ophanden zijnd offensief", is aangebroken. In de onheilspellende stilte wordt het onhoorbare hoorbaar, het gas in de buizen, de electrische stroom en het water onder de straat. Omdat de identiteit van de vreemdeling niet is vast te stellen en men niet weet of men met vriend of vijand te maken heeft, ontstaat er paniek in de straat. Achter ieder venster loeren mensen die doorgaans alleen begaan zijn met andermans leed en opgewekt leven alsof er geen verdriet in de wereld bestaat.
Zij worden door de aanwezigheid van de vreemdeling aangeklaagd vanwege hun "doodgeknelde verlangens", hun menselijke tekorten, gesymboliseerd door de man die wel de kuilen had gegraven, maar de bomen niet had geplant.
Een weeklagend geroezemoes ontstaat en gaat gepaard met een algemeen visioen van "schier hemelse euphorie", beschreven aan de hand van drie voorbeelden, een dokter, een rechter en een prostituée, die hun leven als een flits aan zich zien voorbij rollen. Alleen de rechter bekent eigen schuld en scheldt in naam der gerechtigheid de zonde kwijt.
Dit pure geluk dat men in overpeinzing mocht smaken duurt slechts een ogenblik, want wanneer men de confrontatie met "het eigen ontredderd beeld" van zich af heeft geschud, ademt men verlicht op.
Behalve dat de vreemdeling niet feestelijk wordt ingehaald, krijgt hij ook het heilig kruis achterna gescholden, door alle straatbewoners, uitgezonderd de rechter. Zo vindt de geest behalve een enkele uitzondering geen lichaam dat bereid is hem te ontvangen en is gedwongen weer naar zijn ballingsoord terug te keren.
Op het moment echter dat de volwassenen weigeren hun schuld te bekennen moeten zij met lede ogen aanzien hoe hun kinderen oog in oog staan met het wonder en verdiept in hun spel 's mans schaduw stilzwijgend nahuppelen.
Driftig tikken nu de ouders tegen de ruiten om deze betovering te verbreken en hun kinderen binnen te roepen, maar zij luisteren niet, want op dat ogenblik heeft de vreemdeling haltgehouden. Hij kijkt hen ernstig aan, loopt vervolgens alleen verder en slaat de hoek van de straat om. Als het "gevaar" geweken is gaan de ramen open. Moeders klappen in hun handen omdat het etenstijd is, maar de kinderen laten zich slechts langzaam tot de orde roepen.
Nijhoff besluit het gedicht met een droefgeestige uitroep hoe mooi de bomen in hun tooi hadden kunnen zijn, wanneer men ze had geplant. Alleen de hemel weet van deze schoonheid.
Nijhoff heeft "Het uur U", dat ik als een zeer geslaagde synthese van al zijn gedichten en thematiek beschouw op verschillende plaatsen redactioneel herzien. Dit werd de aanleiding voor Dr F. Lulofs' dissertatie 1) waarin ook de vraag naar de identiteit van de vreemdeling, in de context van het onderzoek naar de varianten van het gedicht, werd gesteld.
Lulofs is van mening dat in de laatste versie de mens eenzamer wordt aangeboden wanneer hij het uur U moet doormaken, dat hij in de straat meer geïsoleerd leeft, dat hij zijn verlangen meer heeft onderdrukt, dat de breuk met het verleden definitief en de schuld ook groter is." 2) Over de vreemdeling zegt hij dat deze juist door zijn onbekendheid de angst en vijandschap heeft teweeggebracht.
De verschijnselen die hij in de lucht en op straat veroorzaakt wijzen op zijn nietaardse herkomst.
Tegen de identificatie met de figuur van de rattenvanger van Hamelen pleit het stilhouden van de man, het terugkeren van de kinderen en de stilte die ontstaat.
Maar het feit dat de kinderen vrolijk achter hem aantrekken terwijl de ondankbare ouders in een schuldrelatie tot de vreemdeling staan en met de kinderdiefstal gestraft worden pleit er juist wél voor. Lulofs is niet van mening dat de vreemdeling Christus is, hoewel de uitspraak "Laat de kinderen tot Mij komen" (Marcus 10: 14), Zijn komst als een dief (Openb. 3 : 3), Zijn komst OP een wolk (Luc. 4 : 27) en de vrouw die levend water drinkt (Joh. 4: 13, 14) zouden wel degelijk op Nijhoff''s "vreemdeling" van toepassing kunnen zijn. Christus hoeft echter wanneer Hij op aarde terugkeert Zijn boodschap niet te herhalen.
De vreemde gestrekte gang van de vreemdeling blijft verder onverklaarbaar.
Het meest merkwaardige is dat de vogels uit de straat wegtrekken en pas terugkeren als de man verdwenen is. 3) Lulofs bestrijdt zelfs Nijhoff''s eigen opvatting dat de vreemdeling de "evennaaste" zou zijn en komt tot de slotsom dat hier de Dood wordt bedoeld: "weliswaar heeft de vreemdeling kenmerken van de Rattenvanger zoals hij ook kenmerken van de Christusfiguur heeft, maar het aspect van de (geestelijke) Dood wordt dominant aangeboden" en met deze interpretatie zijn volgens hem alle gegevens in overeenstemming.
"Eén moment wordt de altijd aanwezige dood beseft, als een moment van langstrekken, in een contact van twee werelden... de mensen hebben het leven afgewezen en zijn reeds geestelijk dood; de kinderen zijn één en al leven' en hebben de waarschuwing (nog) niet nodig." 3) "Tot het uur U leefden de mensen in de straat , uneigentlich', uit angst voor de dood vluchtend in schijnzekerheden, die tegen de vreemde verschijning niet zijn opgewassen."
Ik stem persoonlijk in met de fundamentele kritiek hierop van L. W. Nauta, die poneert dat Lulofs' interpretatie niet op het gedicht van Nijhoff maar op uitspraken van de filosofen Heidegger en Bergson gebaseerd is.
Inderdaad maken de straatbewoners in "Het uur U" een doodsmoment door. Maar dit heeft - aldus Nauta - betrekking op het verlangen van de mens, dat "doodgekneld" en "vermoord" in hem voortleeft en nu tot leven komt. Oog in oog met de mysterieuze wandelaar wordt het leven van de mensen, zoals zij dat van dag tot dag leiden, voor een moment getransformeerd. Het sterft, om plaats te maken voor datgene in de mens, wat zou moeten leven: het ideaal van de dokter, de barmhartigheid van de rechter en het levend water, dat plotseling wordt gedronken door "de dame die niemand kent." 5) Nauta concludeert dat de vreemdeling juist door zijn paradoxale karakter indruk maakt: 1e. zijn openbarende functie (het teweeg brengen van visioenen) in de grootst mogelijke stilte; 2e. het heil zelf dat de vreemdeling brengt dat nml, enerzijds een moment van puur geluk is, anderzijds de confrontatie met het eigen ontredderd beeld inhoudt; 3e. de vreemdeling die bemiddelt tussen de mensen en hun bestemming, maar hun verwerping en ergernis aan zijn verschijning (vooral wanneer de kinderen achter hem aan gaan!).
Nauta herkent het "religieuze" karakter van de vreemdeling maar dit blijft z.i. wel polyinterpretabel.
Desondanks zegt hij dat de vreemdeling aanleiding is tot de verschijning van het bovenmenselijke, maar dit vermag zich niet te realiseren. Hij maakt slechts de discrepantie zichtbaar van tekort en ideaal.
Een zelfde "religieuze trek" ontwaart Theun de Vries in het gedicht en wel op het moment dat de vreemdeling halt houdt en de kinderen ernstig aanziet.
"De kinderen worden niet, zoals hun vaders en moeders 'verbouwereerd'; zij hebben, zo begrijpen we, het voorgevoel, dat er zich in die minuut van ernstig kijken, 'die een eeuwigheid was', grote en vérstrekkende dingen aan hen voordoen. " Slechts het kind vermag wézenlijk te 'schouwen'; slechts het kind is bereikbaar voor de menselijke toenadering, die alsnog buiten iedere klasseverhouding en daardoor buiten alle menselijke verminktheid omgaat ... " 6) Uit de brief die Nijhoff in 1944 schreef aan mej. Van Dis, die hem om opheldering vroeg over "Het uur U", lezen wij inderdaad dat
"de kinderen ontvankelijker zijn dan de mensen", maar Nijhoff's strekking is toch anders gericht. Hij schrijft het volgende:

"De 'straat' is het beeld onzer gegoede maatschappij. Men is uit gemakzucht, onmacht of ijdelheid straatbewoners geworden, in plaats van levend mens te blijven. De 'man' die door de straat loopt, is zulk een levend mens. Zijn tegenwoordigheid herinnert de straatbewoners aan hetgeen zij verzaakt hebben. Men haat hem, men beschouwt hem als de vijand, vooral omdat de hemel het wolkje) en een inwendige stem (de muziek) zijn partij schijnen te kiezen. Gedurende zijn passage moet men zich wel aan het leven gewonnen geven, men ziet even het eigen tekort in, om echter terstond weer te ontwaken in het doods bestaan van straatbewoner. Behalve re rechter, want hij is de enige die eigen schuld bekend heeft.
Ik hecht hier nml. grote waarde aan ... De verstoktheid van de 'straat' blijkt hieruit, dat men de kinderen tot de orde roept. Terwijl men heeft ingezien zich vergist te hebben, dwingt men de kinderen zich aan deze vergissing te onderwerpen.
De 'levende mens' (de man) blijft een enkeling ... "


In eerste instantie ben ik toch geneigd met Dr K. Meeuwesse in te stemmen en de verwantschap van de vreemdeling met Christus te benadrukken, m.i. vanwege het gezag dat uit zijn gehele optreden spreekt. Het totale gebeuren staat immers in het teken van dood, oordeel, hel en hemel. De mens krijgt de mogelijkheid tot "bekering" of het belijden van schuld geboden. Ook het verschil dat Nijhoff aanduidt wanneer hij onderscheidt tussen het genadige "gestorven" doodgaan en het beschuldigende "vermoord" doodgaan, doet toch duidelijk de menselijke onwil, de zonde uitkomen, die uitloopt op de onoverbrugbare "ravijn des doods". Als de nood panisch hoog is gestegen als men de reddingsboot als een stip aan de horizon ziet verdwijnen - grijpt men het geloof aan, aldus Nijhoff, omdat de mens voor Zijn eigen ontredderd beeld geen stand kan houden.
Meeuwesse herinnert aan Mattheüs 25: 35, 40 waar Christus ons in de naaste verschijnt en tracht zo de naaste (de vreemdeling) en Christus te identificeren.
Christus is de Heiland die naar de naaste wijst en de vreemdeling is de naaste die naar Christus wijst, de ideale, geestelijke mens. 7) Er is dus geen sprake van, zoals Luc. Wenseleers beweert, dat de man met Christus wordt gelijkgesteld. 8) Nergens laat Nijhoff in zijn gedicht zien dat de levende mens zijn bestaanswijze zich op grond van eigen verdiensten heeft toegeëigend, en Meeuwesse suggereert dit ook niet.
Maar belangrijker dan de identiteit van de vreemdeling was voor Nijhoff de activiteit die het gedicht in de mens opwekte. Daarom moesten de contouren van de vreemdeling wel zo aangeduid worden dat ze aanleiding werden tot de moeilijke en uiteenlopende interpretaties die ik boven heb willen schetsen. Daarom moest de levens ernst tot een ware dag des oordeels worden opgevoerd.
In het voorwoord van "Het Heilige Hout" zegt Nijhoff dat hij zich niet heeft gewaagd de Zoon des Mensen ten tonele te brengen.
Hij heeft zich bepaald tot groepering en personifiëring van hem omringende figuren, in de hoop dat men de plaats der zon zou bemerken door de lichte randen der wolken. Nijhoff treedt daarmee in het voetspoor van de evangelist Johannes die in de onmiddellijke nabijheid van Jezus ook steeds in de periferie blijft, wanneer hij de kruisiging beschrijft, terwijl de verwijzing naar Christus in deze veelzeggende stilte duidelijker dan ooit is.
Ik moet ook denken aan Nijhoff's gedicht “Johannes" (in "Vormen") die hij de volgende woorden in de mond legt:

Mij had hij toen hij leefde liefgehad, /
Maar toen hij stierf gaf hij zoo veel, dat Ik van de / Vervuldheid eerst na jaren spreken dorst.

Nijhoff groeide met de jaren naar een steeds meer levensbeschouwelijk gericht dichterschap; hij wist zich steeds meer erfgenaam van het christelijk geloof dat hij in hevige crisisogenblikken omhelsde.
Uit deze laatste tijd stammen zijn Psalmberijmingen. Nijhoff was niet alleen positief ingesteld tegenover poëzie die in opdracht geschreven werd; zijn gemeenschapszin maakte dat hij zijn dichterschap ook ter beschikking stelde van de christelijke gemeente, hoewel hijzelf tot geen enkel kerkgenootschap behoorde.
In deze Psalmberijmingen, waaraan Nijhoff met zoveel enthousiasme en overgave heeft gewerkt, is niet langer zijn worsteling met het leven een steeds terugkerend thema, maar wordt God alle lof toegezongen. Het eerste couplet van Psalm 150 Iuidt als volgt:

Looft God, looft Hem overal.
Looft de Koning: van 't heelal
om zijn wonderbare macht,
om de heerlijkheid en kracht
van zijn naam en eeuwig wezen.
Looft de daden, groot en goed,
die Hij triomferend doet.
Hem zij er, Hij zij geprezen.

Hier is een dichter die buiten de geijkte Rooms Katholieke en Reformatorisch georiënteerde denkkaders valt, maar toch bepaald niet vrijzinnig genoemd kan worden.
Nijhoff verstond de kunst om zijn waarde als dichter niet te ontlenen aan de evangelische boodschap in zijn gedichten, en nog minder aan de vroomheid van zijn hart.
Integendeel, door zijn woord- en dichtkunst werd deze boodschap en deze innerlijke ontroering "objectiever" en daardoor voor zeer velen toegankelijk gemaakt.
Bij Nijhoff staan normgevoel, uitdrukkingsvermogen en concentratie in een verhouding die zó evenwichtig is en toch ook weer zó warm menselijk, dat wij de Schepper hier alleen maar dankbaar voor mogen zijn.

1) Dr F. Lulofs, Verkenning door varianten - De redacties van "Het uur U" van M. Nijhoff stilistisch onderzocht, Bakker / Daamen N.V., 's-Gravenhage 1966 (?)
2) ibid. pag. 86.
3) ibid. pag. 45-47.
4) L. W. Nauta, De mens als vreemdeling, van Oorschot, Amsterdam 1960, pag. 133.
5) ibid. pag. 133 e.v.
6) Theun de Vries, M. Nijhoff wandelaar in de werkelijkheid, Mansarde Pers, 's-Gravenhage 1946, pag. 94-95.
7) Dr K. Meeuwesse, De man in de 'Straat, "De Gids" 1958 II augustus, pél'g.48-70.
Vgl. ook: Nog steeds die man door de straat, "De Gids" 1967,pag. 76-88.
8) Luc. Wenseleers, Het wonderbaarlijk lichaam - Martinus Nijhoff en de moderne Westerse poëzie, Bakker/Daamen N.V., 's-Gravenhage 1966, pag. 256-257.
Volgens Wenseleerszijn de talrijke verwijzingen naar de Christusfiguur een appèl aan de letterlijk onbewust geworden, nog slechts in het diepste onderbewustzijn van de straatbewoners levende geloofsoverlevering, om voldoende tot een instinctieve opwekking van hun schuldgevoelens tegenover een eens vermoord bestaan te komen.


Rectificatie. In Opbouw van 1 juni jl. pag. 178,derde kolom, 10e regel var, de 2e alinea staat synisme, dit moet zijn cynisme. Pag. 179, tweede kolom, 11e regel van onderen staat humorist, dit moet zijn humanist.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief