Paulus' brief aan de Galaten
1973-06-15
Eenheid 3 : 26-29- Jaargang 17
- nummer 24
We hebben in het voorgaande al gezien dat voor Paulus het binnendringen van de joods-christelijke dwaalleer niet alleen een aanslag betekende op de eenheid van de apostelen, maar ook op de eenheid van de gemeente. De christelijke kerk zou opgesplitst worden, principieel, in een "Joods" deel en in een "Grieks" deel.
Als hij nu de gevaren van de dwaalleer heeft aangetoond komt erin deze versen a.h.w. een lofzang op de eenheid van de gemeente.
Ik denk niet dat Paulus het oog heeft op een organisatorische eenheid. Hij schrijft dan ook aan de gemeenten (meervoud) in Galatië.
We zullen hier moeten denken aan het "in enigheid van het ware geloof", zoals de H. Catechismus in zondag 21 erover spreekt. In het ware geloof overeenstemmende.
De eenheid bestaat daarin dat we allemaal, joden en heidenen, die in Christus geloven, kinderen van God mogen zijn. De Here Jezus is Gods Zoon. Wij worden om Zijnentwil tot kinderen Gods aangenomen.
De doop is daar een garantie van.
We zijn op rekening van Christus gedoopt. Dat betekent ook dat we met Christus bekleed zijn.
Het is goed om als er in de H. Schrift over de doop gesproken wordt te denken aan de doop door onderdompeling. Zoals een volwassen dopeling even "onder water" ging en daaruit weer opstond, zo is Christus voor ons het graf in gegaan en daaruit weer opgestaan. Zie Rom. 6 : 1-5 en de kanttekeningen op de Staten Vertaling daar. En zoals aan het uiterlijk van een dopeling te zien was dat hij gedoopt was - schoon gespoeld van het stof aan zijn lichaam - zo moet het ook aan ons te zien zijn dat we met Christus bekleed zijn. We moeten schone kleren aandoen. Ze worden ons aangetrokken door Jezus Christus. Om in nieuwheid van het leven te wandelen. Dan maakt het geen verschil of je Jood of heiden bent. Het is één Heer en ook één doop. Paulus spreekt in de brief aan de Efeziërs over de oude mens afleggen en de nieuwe mens aandoen. Ef. 4 : 17-32. Dat doet ook denken aan het beeld van schone kleren aantrekken.
Christus' leven moet gestalte krijgen in ons leven. Het moet aan ons te zien zijn dat we van Hem zijn.
Dat geldt van ieder mens.
De eenheid van de gemeente bestaat in de band aan Christus. Dat dat ook zichtbaar dient te worden is duidelijk. Dat dat ook wel consequenties heeft voor de organisatorische eenheid wordt ook niet weersproken, maar het eerste blijft die band aan Christus.
En dan kunnen er in één gemeente grote verschillen zijn. De één kan Jood, zijn van geboorte. De ander lid zijn van een ander volk.
De één kan een vrije zijn, de ander een slaaf. (Bij doorlezen van de brieven van Paulus krijgen we de indruk dat een groot deel van de christenen uit slaven bestond in de eerste tijd). De één kan man zijn, de ander vrouw. Maar dat maakt geen verschil voor het aangezicht Gods. Een ieder die in de.
Here Jezus Christus gelooft, is een kind van God.
Het gaat hier natuurlijk niet over revolutionaire nivellering van de maatschappelijke, staatkundige en geslachtelijke verhoudingen. Want verscheidenheid is niet in strijd met de echte eenheid. Voor zowel de maatschappelijke "underdog" als voor de "kapitalistische" machthebber mag en moet de gemeente een haven zijn. Een gemeenschap, die samen geroepen wordt uit alle rangen en standen, uit volken, talen, rassen.
Van Stempvoort vertelt dat in het ochtendgebed in de synagoge o.a.
dit staat: "Geloofd zijt Gij, Eeuwige, onze God, die mijn niet als heiden hebt doen geboren worden - die mij niet als slaaf hebt doen geboren worden - die mij niet als vrouw hebt doen geboren worden."
Tegen een dergelijke verheffing keert Paulus zich wel.
Om het praktisch te maken is het wel nuttig om hierbij te spreken over de vraag of het geoorloofd is om een gemeente zo te organiseren dat je mensen van een bepaalde huidkleur apart zet. Als Joden en heidenen samen mogen eten, ook samen het Avondmaal vieren, dan ook blank en zwart wel, om geen andere kleurverschillen te noemen. Afgedacht natuurlijk van praktische redenen, zoals b.v. taal verschil.
Als we zonen zijn, zijn we ook erfgenamen. Niet minder dan erfgenaam van de wereld. Samen met Abraham. Rom. 4 : 13.
Wereld geesten 4 : 1-5
De gedachte van het erfgenaam zijn werkt Paulus uit in dit hoofd stuk.
Het eerste beeld is zonder meer wel duidelijk. Een erfgenaam kan onder voogdij en toezicht staan, zolang hij b.v. niet meerderjarig is. Hij kan dan maar niet beschikken over wat zijn eigendom is, zonder toestemming van de voogd of voogden.
Moeilijker wordt het als Paulus zegt: "zo bleven ook wij, zolang wij onmondig waren, onderworpen aan de wereldgeesten" .
Het is eerst noodzakelijk om te trachten te weten te komen wat met wereldgeesten bedoeld wordt.
Het verschil in vertaling van dit woord, dat men aantreft maakt de moeilijkheid wel duidelijk. Het woord dat gebruikt wordt betekent: de rij letters van het alfabet, het ABC. Maar dat brengt ons niet veel verder. Het woord komt verder voor in Gal. 4: 9, Col. 2: 8, Hebr. 5: 12 (daar wordt het in de vertaling van het N.B.G. vertaald met "eerste beginselen".
2 Petr. 3 :10 (daar wordt het vertaald met "elementen",)
De Willebrordusvertaling heeft steeds het woord "elementen", behalve in Hebr. 5: 12. Verder wordt het wel vertaald of "verklaard" met natuurelementen, leerbeginselen en krachten. Deze opsomming doet de moeilijkheid wel zien.
Het nuttigst lijkt me, omdat de vertalingen ons hier in de steek laten, de plaatsen waar het Griekse woord gebruikt wordt met elkaar te vergelijken. En dan valt wel op dat Paulus er iets negatiefs mee bedoeld. Ook in Hebr. 5 : 12, waar de betekenis het duidelijkst is, wordt toch aan de lezers verweten dat zij het nodig hebben dat de eerste beginselen hen weer geleerd worden, hoewel ze, wat de tijd betreft, leraars behoorden te zijn.
In ieder geval is het hier iets negatiefs.
Dat maakt 4 : 9 wel duidelijk.
Als men luistert naar wat de dwaalleraars zeggen, dan keer je terug tot de zwakke en armelijke wereldgeesten.
Nu keert zich Paulus steeds tegen het herleefde farizeïsme. En hij doet dat tegen gemeenten, die voor het grootste deel uit heidenen gewonnen waren. En dan kan het woord haast niet anders betekenen dan dit: judaïsme is een terugval in het heidendom. Waarom?
Omdat alle vreemde godsdiensten zelfverlossingsreligies zijn en het farizeïsme is niet minder een zelfverlossingsreligie.
Het willen verlost worden door wetswerken is, hoe "godsdienstig'; het ook lijkt vaak, toch vreemd aan het Evangelie.
Israël heeft onder de wet geleefd.
Dat was een wet ten leven. Want 'het einde van die wet is Christus.
Hij heeft de wet vervuld. De wet was immers tuchtmeester tot Christus (3 : 24). Maar "leven uit de wet" om zo verlost te worden is een vallen in de zonde van hoogmoed. Een terugval in het heidendom. En tegelijk is het daarom in strijd met de komst en het werk van Christus.
Het lijkt me overbodig bij vers 4 lang te spreken over de vraag wat "volheid des tijds" betekent. Als men zegt: juist toen Christus mens werd was de constellatie van de wereld daarvoor het geschiktst, dan dient men daarbij te bedenken dat geen menselijke "structuur" ooit geschikt en bereid is om de Christus te aanvaarden.
De volheid des tijds was en is het moment, dat God beschikt heeft en geschikt gemaakt heeft. Ook daarin is niets van de mens.