Boekbesprekingen

1973-06-15
  • Jaargang 17
  • nummer 24
Ds A. G. Kornet: Het boek van Gods lach.
J. H. Kok B.V., Kampen 1973, 140 pag.

Voor in dit boek liet de auteur de tekst afdrukken: "Die in de hemel zetelt, lacht" (Psalm 2 : 4a). Daaraan is de titel ontleend. Ds Kornet zegt, dat wij over Gods scheppingswerk discussiëren, en soms vrij nauwkeurig menen te kunnen zeggen, hoe de Schepper wèl en hoe Hij niet te werk gegaan is. "Zou God niet dikwijls moeten lachen, als wij kleine mensjes, ons in onze debatten en polemieken aan zijn wonderen vertillen? (pag. 5).

Deze gedachte van ds Kornet is niet nieuw. Ik herinner me hoe in 1941 Prof. F. W. Grosheide in een rectorale oratie een uitspraak citeerde dat als de engelen lachen willen zij een commentaar op een bijbelboek gaan lezen. En Psalm 2 : 4a spreekt wel van een heel ander lachen van God, dan ds Kornet bedoelt, hetgeen deze ook volmondèg toegeeft.
Dit boekje gaat over het bijbelgezag.
Dit blijkt uit de titels van de 15 hoofdstukken b.v. "Is Assen gevallen?", "van kaft tot kaft", "omdat het in de biibel staat" enz.
Eigenlijk zijn het een aantal schetsen, die op gemeentevergaderingen zouden worden gehouden.
Maar ze bleken te lang voor lezingen, en zijn toen bij de drukker terecht gekomen. In november 1970 was het manuscript k1aar, maar door allerlei omstandigheden werd de uitgave vertraagd (zie pag. 7).

Het boekje doet in menig opzicht sympathiek aan. De schrijver heeft eerbied voor de bijbel. Terecht heeft hij er bezwaar tegen, dat bij menig theoloog uit de jongste tijd veel te weinig nadruk valt op het feit, dat de bijbel geïnspireerd is (zie b.v. pag. 44 en 52 resp. ten aanzien van Hartvelt en Kuitert).
Toch gelooft Kornet dat allen, ook zij die eenzijdig wijzen op de menselijke factor in de H. Schrift, als christen beschouwd moeten worden. Aan de eenheid is hem blijkbaar veel gelegen. In een "cri de coeur" op pag. 7 zegt hij, dat de theologen, wier stellingen hij zo nu en dan aanvalt, zich in grote eerbied buigen over de bijbel, dat zij voluit als Gods Woord zien.
Dit is nu weer te argeloos geredeneerd.
Of Kuitert, Lever, Hartvelt en hoe ze verder heten mogen, echte christenen zijn, staat niet aan ons te beoordelen, maar wij moeten afgaan op hun woorden en werken. En dan is het zeker teveel gezegd, wanneer wij stellen, dat ze zich in grote eerbied over het Woord Gods buigen.
Prof. Kuitert heeft duidelijk gesteld, dat we net zo min een papieren paus hebben als we de paus van Rome erkennen. Voorts beoogt Kuitert, dat we de traditie steeds opnieuw "vertalen" moeten, zodat we met wat Paulus zegt over de dood als straf op de zonde en over de positie van de vrouw in de gemeente, in deze tijd zeker niet meer uitkomen.

In het algemeen is het standpunt van Kornet, dat we ons aan de geschreven tekst moeten houden.
Maar als de wetenschap onomstotelijk aantoont, dat het anders is, zou het geen ramp zijn als we onze mening moeten herzien.
Zo houdt de auteur tegenover Kuitert en Lever vast aan de historiciteit van de eerste mens, en van de zondeval als historisch feit (pag. 100-117). Hij laat daarbij de mening van vele anderen (o.a. Prof. Oosterhoff, ds D. J. Couvée, Prof. J. P. Versteeg) de revue passeren. Terecht verwijt Kornet ook aan Lever e.a. dat zij bepaalde hypothesen inzake de evolutieleer ais vaststaand aannemen.
Maar later, in de samenvatting (op pag. 130) lezen we: "Ik geloof dat Adam historisch is, dat er een zondeval is enz. Men kan vragen of ik deze "stelling" zal kunnen handhaven. Naar mijn mening zou ik die niet mogen handhaven wanneer het tegendeel overtuigend bewezen werd". Kornet vindt dat de eerbied' voor de bijbel met zich meebrengt, dat we niet krampachtig mogen vasthouden aan opvattingen, waarvan de onjuistheid bewezen is. Hij betwijfelt of ooit zulk een stringent bewijs geleverd zal worden. Maar mocht dit gebeuren, dan is dit niet schokkend volgens Kornet.
Het geschreven Woord blijft onveranderd, en er verandert evenmin iets aan de boodschap.
Hier zouden we heel wat vragen kunnen stellen. Bestáát de mogelijkheid, dat bewezen wordt, dat iets onjuist is, hetgeen de bijbel duidelijk leert? Zou er ooit overtuigend bewezen kunnen worden, dat Jezus niet lichamelijk opstond, dat onze Heiland geen genezingen verrichtte enz.?
Voorts lijkt het me onjuist de boodschap zo van het feit los te koppelen als Kornet hier doet.
De schrijver wil duidelijk een middenpositie innemen. Hij heeft belangrijke bezwaren niet alleen tegen de bijheluitleg van Kuitert, maar ook tegen Hartvelt en tegen het hervormde synodale geschrift "Klare wijn". Tegen laatstgenoemd werk merkt Kornet ter snede op, dat wij bij de inspiratie niet met een onbruikbaar begrip te maken hebben, maar met iets dat de Schrift ons zelf leert (pag. 52).
Maar Kornet heeft ook kritiek op de mensen van de "rechtervleugel", b.v. op dr J. Schelhaas Hz.
Kornet bespreekt uitvoerig diens boekje: "De Heilige Schrift in de cahiers voor de gemeente". De bedoeling van Schelhaas was m.i. duidelijk te maken, dat we de menselijke factor in de H. S. nooit los mogen maken van de goddelijke, zodat we nooit de bijbelkritiek een kans gaan geven door een beroep op het feit, dat de bijbel door feilbare en beperkte mensen geschreven is. Het is de vraag of Kornet dit voldoende heeft gehonoreerd, want hij schrijft b.v. "Het lijkt er veel op of hij (Schelhaas) juist moeite doet om iedere gedachte aan het zwak-menselijke weg te nemen" (pag. 60).
Ookals dr Schelhaas aantoont, dat veel z.g. tegenstrijdigheden in de bijbel best op te lossen zijn, toont Kornet zich gereserveerd. Wel erkent hij, dat de argumenten van Schelhaas het overwegen meer dan waard zijn (pag. 61). Maar niet altijd is hij overtuigd. Dat hoeft natuurlijk ook niet. Toch kunnen we Kornets redenering niet altijd volgen, B.v. bij de kwestie van I Kon. 9: 11 en II Kron. 8 : 2 (gaf Hiram steden aan Salomo of omgekeerd?) toont Scheihaas aan dat het best kan zijn, dat Hiram de steden aan Salomo heeft teruggegeven - hij beroept zich hiervoor op verschillende autoriteiten, b.v. op de joodse exegeet Kimchi. Nu schrijft Kornet: "Maar intussen is helemaal niet bewezen, dat er van tegenstrijdigheid geen sprake is" (pag. 64). Maar dan maakt Kornet de bewijslast te zwaar.
Als er iets te "bewijzen" is, dan niet meer dan dat de twee teksten elkaar niet behoeven tegen te spreken.

Het voornaamste bezwaar tegen Schelhaas noemt Kornet op pag. 65. "Bijzonder jammer vind ik het", schrijft hij, "dat dr Schelhaas steeds veroordelend spreekt over theologen, die een andere zienswijze hebben dan hij. Waar kritiek op z'n plaats is, behoeft veroordeling nog niet noodzakelijk te zijn".
Kornet wil Kuitert e.a. dus als broeders blijven zien. Hij weigert hen als Schriftaanranders te brandmerken. Nu moeten we zeker oppassen grote woorden te gebruiken. De vraag is echter of we zo vrijmoedig als Kornet, dat doet kunnen zeggen, dat vruchtbare besprekingen en opbouwende kritiek op elkaar mogelijk zijn, (pag. 129) en dat wij het over dezelfde bijbel hebben (pag. 38), en dat het heel anders is als bij Bultmann voor wie de bijbel tot een verzameling mvthen geworden is. Want al spreekt Kuitert niet over mythen, het verhaal van Jona is voor hem niet meer dan een midrasj, op de vragen van Koers over de realiteit van de brandende braambos en de wonderen bij de uittocht weigerde Kuitert (veelzeggend) te antwoorden.
Bultmann wil uit dat boek vol mythen, die de mens van deze tijd niet meer kan geloven, de "Verkondiging" halen, en Kuitert "vertaalt" de verhalen van O.T. en N.T. zo dat ze de moderne mens aanspreken. Is er zo veel verschil? Het zou ons te ver voeren als we alles moesten documenteren.
Maar we kunnen verwijzen naar de opstellen van Kuitert "De taal van de prediking" en "De waarheid gaat bovenal".
O.i. is ook Kornets kritiek op Kuiterts opponent W. H. Velema niet juist. De auteur vraagt zich af, of Velema inzake Gods bondgenootschap geen conclusies trekt die Kuitert nooit bedoeld heeft b.v. dat het zijn Gods van de mens afhankelijk wordt. M.L had Kornet tegenover de zorgvuldige en geduldige analyse van Velema bewijzen moeten aanvoeren. Die geeft hij niet. Ook is het niet juist Kuitert alleen van verkeerde.
accenten te beschuldigen, die misverstanden zouden veroorzaken.
Kuitert heeft zijn gedachten in het algemeen helder en trefzeker geformuleerd (al zijn het helaas vaak heel onbijbelse gedachten).
Zijn godsleer, waarmee Kuitert al vanaf 1962, en daarvoor, bezig was, is te zeer doordacht, dan dat men hier van eenzijdivheden en onzorgvuldigheden zou kunnen spreken.
Kornet zelf zegt dat het ten aanzien van de in de bijbel overgeleverde geschiedenis ongeoorloofd is te zeggen dat het niet gebeurd is; het kan wel ánders gebeurd zijn (pag. 73, zie ook 130). Dit lijkt ons een ongeoorloofde onderscheiding.
Want de détails die dan anders zouden zijn, behoren óók tot de geschiedenis. Hoe vèr gaat Kornet dan met zijn stelling dat het niet precies zo hoeft gebeurd te zijn? Het kan voor 10% maar ook voor 90% anders geweest zijn!
In het algemeen kunnen wij dit geschrift wel waarderen, het staat vèr boven allerlei wilde bijbelkritiek.
Maar de auteur staat m.d. te argeloos tegenover veel wat er tegenwoordig op de theologische markt komt. Hij onderscheidt, dacht ik, niet genoeg de geesten, en denkt te gemakkelijk dat Kuitert en Schelhaas (om deze twee maar te noemen) eens aan tafel moeten gaan zitten om van elkaar te leren, en de zaak door te praten. Er is echter een diepe kloof die scheiding maakt.
Kuyper sprak in 1881 van de Schriftkritiek in haar verderfelijk karakter voor de gemeente des levenden Gods. Dit profetisch spreken mist men tegenwoordig al te zeer.
Resumerend: dit is een in menig opzicht interessant boekje. Het geeft aardig wat informatie over allerlei actuele discussies. Zo is het bij al die debatten een waardevolle bijdrage,

M. J. Arntzen

J.Overduin: Praten zonder antwoord?
Uitgave J. H. Kok B.V., Kampen.

De ondertitel van dit boek luidt: "gedachten over het onze Vader".
Dat geeft de inhoud goed weer.
Het is een fijnzinnig boekje over het gebed des Heren. Er wordt eerst ingegaan. op vragen als "helpt bidden wel?" Alles is toch bepaald, op de discipline die ook bij ons bidden noodzakelijk is om daarna de afzonderlijke vragen van het onze Vader te bespreken.
Er valt alleen maar goeds over te zeggen, al wil dat dan niet zeggen dat je het met elke zin eens bent. Maar het totaal is zo indrukwekkend dat je er na lezing alleen maar stil van kunt worden.
Zo stil dat het spreken tot God een des te dringender behoefte wordt.
Alleen dit: het nare bij mij en mijn leeftijdgenoten zal wel zijn: hoe komt deze man, die zo eerbiedig en fijnzinnig weet te schrijven over het gebed, dat de Heiland ons Zelf geleerd heeft, zo hard geweest is tegen een even fijnzinnig en eerbiedig man als b.v. Prof. Greijdranus was. Het lidteken van de veertiger jaren wordt weer pijnlijk als je zo iets moois leest.

A.

Dr W. H. Velema: Het Woord werkt door.
Uitgave J. H. Kok B.V., Kampen.

De ondertitel van dit boek luidt: "studies en schetsen ten dienste van de prediking".
Er staan geen "preekschetsen" in.
Maar het bevat wel degelijk uitleg van de Bijbel en zal daarom aan een ieder die de Bijbel liefheeft een grote dienst bewijzen en zij die geroepen worden elke zondag het Woord te bedienen, kunnen het alleen maar tot hun schade ongelezen laten.
Met grote zorgvuldigheid worden de Schriftplaatsen, die behandeld worden, uitgelegd.
De grote belezenheid van de schrijver springt ook duidelijk naar voren.
Dit boek is echt dienst aan het Evangelie. Dienstbaar om ons.

Fred. F. Hazelhoff: Dierenrijk Nederland.
Uitg. Deltos/Elsevier, Amsterdam/Brussel; prijs f 10,- (gedurende juni).

Dit is werkelijk een prachtboek voor wie ogen gekregen heeft om te zien hoe rijk aan dieren ons land is. Hazelhoff is een internationaal vermaarde dierenfotograaf (die met telestelsels tot 56 cm werkt!). Als u bedenkt dat op 5 tochten gemiddeld 1 geslaagde foto wordt gemaakt, kunt u berekenen dat de 80 foto's honderden expedities hebben gevergd.
De foto's zijn in zwart-wit of in kleuren. U vindt vogels, zoogdieren, reptielen; zowel algemeen bekende als bijna-onbekende; zowel meeuwenkolonies als een nest jonge vossen; zowel parende scholeksters als de hertenbronst.
Hoe meer u van de moeilijke benadering van ons wild afweet, des te meer respect krijgt u voor dit schone werk.
A. Ons land blijkt nog zeer rijk aan dieren te zijn; een compliment voor de 35.000 jagers die - voorzover ze meer investeren dan oogsten - met het beheer van deze fauna belast zijn. Voor een deel zijn de foto's in onze grote reservaten opgenomen.
De auteur geeft geen complete opsomming van alle dieren; wel een sterke indruk van wat wij bezitten, wanneer onze ogen opengaan voor de schone schepping.
Zo leren we "ons land zien als natuurmonument, niet als een vrijblijvend vuilnisvat", om met de schrijver/fotograaf te sluiten.
Zie dat U deze maand een exemplaar bemachtigt. Vanaf de volgende maand kost het bijna het dubbele. Het is het viervoudige waard!

D. W.L. Milo

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief