Zet komma’s in plaats van punten

2013-06-15
  • Jaargang 57
  • nummer 12
‘Eén ding is gunstig, meneer: we zijn er in een heel vroeg stadium bij.’ Een oncoloog zou het kunnen zeggen bij een nietuitgezaaid gezwel of een hartspecialist bij een nog niet dichtgeslibde kransslagader. En zo is het ook. Hoe eerder je een probleem dat zich aandient aanpakt, des te geringer zal de schade zijn. Dat geldt ook voor kerkelijke sores, niet zelden rond de predikant. Daarbij is de spannende vraag hoe je op dat terrein de eerste ‘ziekteverschijnselen’ kunt herkennen en aanpakken. Hier volgt een aanzet, met dank aan degenen met wie ik tijdens en na de predikantenconferentie van gedachten wisselde.

Het is niet toevallig dat ik dit artikel begon met een ziek lichaam. Paulus gebruikt dat beeld van het lichaam als typering van de gemeente en wijst dan niet alleen op de gaven en mogelijkheden van gemeenteleden in dat grote geheel, maar geeft ook aan dat gezondheid en ziekte hun impact hebben op het héle lichaam. Dat is herkenbaar, want dat ons kleine kerkverband geestelijk niet gezond is, voelen we allemaal. Kijk alleen al hoeveel gemeenten en predikanten het niet met elkaar uithouden – met alle schade van dien.

Hamer
Wat is dat toch, dat het tussen predikanten en gemeenten zo vaak niet goed gaat? Het gaat ongeveer zo. De eerste maanden van de nieuwe predikant stellen wat teleur en de eerste kritische geluiden gaan rond. Gelijkgezinden weten elkaar te vinden, terwijl het gesprek tussen predikant en critici niet goed van de grond komt. De problematiek komt op de agenda van de kerkenraad, vergaderingen worden langer en er komen brieven vanuit de gemeente. Het ‘wij-gevoel’ taant, zodat het vaker gaat over ‘hij’ en ‘ze’. De amplitudo van de kerkelijke spanning slaat steeds verder uit en de thematiek wordt onoverzichtelijker. Het gaat al lang niet meer over de dingen waar het in eerste instantie over ging. De Vertrouwens- en Adviescommissie komt erbij. En na nog weer lange, onverkwikkelijke maanden valt de hamer op een regiovergadering of de Landelijke Vergadering. Er zijn alleen maar verliezers. De gemeente likt de wonden, terwijl de predikant ander werk moet zoeken, waarbij de kans op een doorstart elders na een losmaking nihil is.

Raaf
Ik maak een zijstapje naar een alleraardigst familiespel, dat Boomgaard heet. Het stimuleert samenwerken, zo staat op de bijsluiter. Het is voor families die slecht tegen hun verlies kunnen en u begrijpt het al: in huize Gerkema is dit spel ook gespeeld. De clou is namelijk dat je niet meer tegen elkáár speelt, maar tegen een zwarte raaf. Gooit één van de spelers met de dobbelsteen de raaf, dan wordt er een stukje van de puzzel van deze donkere vogel op het speelbord gelegd. In alle andere gevallen wordt er geoogst aan appels, peren, pruimen en kersen. Is de hele oogst binnen voordat het puzzeltje van de raaf compleet is, dan heb je sámen gewonnen van de raaf. Je kunt natuurlijk ook samen van de raaf verliezen. Het enige verwijt dat dan over de tafel kan gaan, is dat één van de spelers zo ‘dom’ was om ongelukkig vaak met de dobbelsteen ‘de raaf’ te gooien. Maar dat gaf nooit tranen, want dat was gewoon toeval.Aan dat spelletje moet ik vaak denken als je na een kerkelijk conflict met alleen verliezers achterblijft. En wie de raaf in zo’n kerkelijke tragedie is, is wel duidelijk. Je kunt in de kerk dan ook niet vaak genoeg bedenken dat je sámen bezig bent voor het Koninkrijk. Met alle lek en gebrek, waar helaas alle ‘spelers’ in de kerk in delen. Iedereen gooit weleens de raaf.

Samen
Samen. Dat geldt natuurlijk voor de predikanten. Vooral de dominanten, die langs een rechte streep kunnen uittekenen waar het met de gemeente heen moet. Maar als het al die kant op moet, dan zal dat sámen met kerkenraad en gemeente moeten, langs lijnen van overleg, met bochten die tijd kosten. Dat ‘samen’ is ook iets voor kerkenraden. Bijvoorbeeld dat je je predikant niet als een baksteen laat vallen bij tegenwind vanuit de gemeente. ‘Je moet als kerkenraad toch om je predikant heen staan’, hoorde ik laatst iemand zeggen. Dat is misschien te beschermend, maar dat wij-gevoel is onmisbaar, inclusief de onderlinge steun en de aanvulling van elkaars tekorten. Met ‘elkaar’ dus – een woordje dat in het Nieuwe Testament verbazingwekkend vaak valt – om zo samen als kerkenraad de minnen van het gemeentelijke werk te (ver)dragen. Houd je elkaar vast bij tegenvallers en teleurstellingen? Daar gaat het om. Altijd natuurlijk, maar in het bijzonder bij spanningen en onvrede. Hoe je vervolgens concreet met die minnen omgaat, is niet onbelangrijk. Daarover zo meer. De basis is echter: houd samen vast dat Jezus Heer is, blijf dicht bij het grote gebod van de liefde en (ver)draag elkaars tekorten. Iemand zei in de wandelgangen van de predikantenconferentie: ‘Paulus heeft het over de gaven van de Geest en over de vrucht. Als het meer gaat over de gaven (of het gebrek daaraan!) dan over de vrucht (liefde, blijdschap, ...) is het eigenlijk al mis. Al heb je dit en dat in huis als gemeente, maar de liefde niet...’ Zo’n zinnetje helpt mij om bij verschillen van mening en ook bij teleurstelling of irritatie terug te gaan naar de basis die ik met die ander deel: het grote gebod van de liefde en het geloof dat Jezus Heer is. Want dat is de basis om samen te bidden en te werken en elkaars tekorten te verduren.

Murmuratio
Met dat terugschakelen naar de gemeenschappelijke basis zijn de teleurstellingen, irritaties, verlangens en wensen natuurlijk niet opgelost, terwijl daar wel echt iets mee moet gebeuren. In de kerkelijk praktijk gebeurt dat vaak niet of te weinig. Daar zit een menselijk trekje achter, om wat moeilijk ligt vooruit te schuiven, in de hoop dat het vanzelf oplost. Soms vertaalt zich dat in een terugtrekkende beweging, waarmee iemand een confrontatie ontwijkt. De kop in het zand kan ook. Je komt het in de kerk allemaal tegen. Het is zo menselijk. Bij ziekteverschijnselen en rond huwelijksproblemen zie je precies dezelfde mechanismen. Maar het lost niks op en kerkelijke spanningen en irritaties blijven daardoor vaak onnodig lang ondergronds, zonder bespreekbaar gemaakt te worden. Het helpt vervolgens ook niet als er vooral ‘over’ moeite en onvrede gepraat wordt, en dan vrijwel altijd met gelijkgezinden, niet met degene die het betreft. Onder dat ‘praten over’ schaar ik voor het gemak ook maar het gemopper en geklaag. Benedictus, de zesde-eeuwse abt die een invloedrijke kloosterregel schreef, noemde gemopper (murmuratio) het meest bedreigend voor een gemeenschap. Het werkt negatief in op de eigen ziel van de mopperaar, hij of zij beïnvloedt de ander met wie het gemopper gedeeld wordt en het meest schadelijk is het voor degene op wie gemopperd wordt. Van deze omgang met gemeentelijke moeiten zou je gewoon tegen jezelf moeten zeggen: ‘Daar doe ik niet aan mee – niet pratend en niet luisterend.’

Projectielen
Ten slotte kom je bij een kerkelijke moeite ook niet veel verder langs de weg van aanval en verdediging, waarbij je al snel in een sfeer van verwijt en beschuldiging terechtkomt. Daarvoor hoef je niet oog in oog met een ander te zitten, want op afstand gaat dat ook. Wat kunnen e-mails projectielen zijn! De aanval roept verdediging op (‘helemaal niet, hoe kom je daar bij’) en zo ontwikkelt zich een gevecht dat zelden een gesprek van hart tot hart wordt. Het is natuurlijk ook mogelijk dat je de kritiek van een ander te snel als een aanval oppakt. Als iemand bij de predikant komt met kritiek op de preek (of iets anders), kan het zo maar zijn dat die predikant het als een aanval opvat en in de verdediging schiet. Maar zelfs als er agressie in de kritiek doorklinkt, is het vruchtbaarder om direct de sfeer van gesprek en gedachtewisseling te zoeken. Vooral ook omdat er met kritiek van een ander bijna altijd wel iets goeds te doen is. Misschien breekt dat de ban en wordt het toch nog een gesprek van hart tot hart. Zouden dat wegschuiven van de spanning, dat ‘praten over’ en die gesprekken waarin mensen niet meer naast maar tegenover elkaar staan een indicatie kunnen zijn dat een gemeente niet gezond is? Tijd om aan de bel trekken. En misschien nog wel eerder, bijvoorbeeld als je langere tijd weinig ‘gein’ hebt om in de diensten te komen of activiteiten in de gemeente als stroef ervaart. Hoe komt het dat de glans eraf is? Wie weet wat er dan boven tafel komt! Want een open gesprek van hart tot hart is wat dan nodig is.

Komma’s
Philip Troost, werkzaam als pastoraal therapeut, schreef eens een boekje met de titel Open lijnen. Die titel vond ik al heel bruikbaar, bijvoorbeeld bij de gesprekken in de gemeente: wat is het belangrijk dat je daarbij de lijnen open houdt! En dat je in gesprekken meer met komma’s dan met punten werkt. Komt iemand met de opmerking dat hij zo weinig aan de preken heeft, dan zet de predikant een hele dikke punt in het gesprek als hij reageert met: ‘Nou, er zijn er ook heel wat die juist veel aan mijn preken hebben.’ Kom je in een gesprek niet dichter bij elkaar, dan kun je een mooie komma zetten door te zeggen: ‘Ik herken niet direct wat je zegt, maar laten we er allebei nog eens over nadenken en op een ander moment nog eens verder praten.’ Denk in komma’s in plaats van punten, vooral als er spanning of irritatie is. Dat daarbij niet alleen predikanten punten in plaats van komma’s zetten, zal wel helder zijn.

Reflecteren
Op de predikantenconferentie noemde ds. Job Smit reflectie een noodzaak voor het predikantswerk. Dat geldt volgens mij niet minder voor kerkenraden. Want ook de kerkenraad neemt een eigen plek in de gemeente in. Het is goed om daarover het gesprek aan te gaan, aan de hand van vragen als: Waarom doen we het zoals we het doen? Is dat vruchtbaar voor de gemeente? Wat moet anders? Doen we ons werk op een geestelijke wijze en in een goede sfeer of zitten er onderhuidse spanningen en irritaties? Hoe functioneren de individuele kerkenraadsleden, inclusief de predikant, in het geheel? Hebben we het in de kerkenraad vooral over bestuurlijke en organisatorische zaken of spreken we ook voldoende inhoudelijk met elkaar? Maakt de gemeente een gezonde indruk of niet? Waar ben je dankbaar voor als je aan kerkenraad en gemeente denkt?
Er zijn mogelijkheden te over om te reflecteren op je eigen functioneren, ook als kerkenraad. Het lijkt me nuttig om dat juist te doen in dagen dat het goed gaat, en hard nodig als het in kerkenraad en gemeente of met de predikant minder goed loopt.

Veel kerken hebben jaarlijks al zo’n moment. Ik zou graag zien dat we daarbij meer gaan werken met deskundigen van buitenaf, zoals van de STAGG. De STAGG zou bijvoorbeeld (twee)jaarlijks een uitnodiging naar de kerken kunnen sturen voor een gesprek met de kerkenraad en (los daarvan) de predikant. Een soort apk dus, als preventieve maatregel om spanningen en irritaties in een vroeg stadium bespreekbaar te maken. Want heilzaam is het zeker, als je er in zulke gevallen vroeg bij bent. Een oncoloog of hartspecialist zal dat beamen.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief