De brief van Paulus aan de Filippenzen (4)
1971-10-22
Vers 9-11 - Jaargang 15
- nummer 28
Maar was die kruisdood nu niet het duidelijkste bewijs, dat mensen die hun eigenbelang niet voorop stellen, in deze wereld ondergaan en het onderspit delven? Is een dergelijke ondergang niet het onvermijdelijke lot van zulke belangeloze en idealistische figuren?
Vergis je niet, zegt Paulus. Wat met Christusgebeurde, leek misschien wel een roemloos einde van een wereldvreemd idealisme.
Maar de werkelijkheid was anders. Juist omdat Christus zichzelf helemaal wegcijferde, juist omdat Hij bereid was tot het laatste offer en zich van de tafel liet vegen, juist daarom heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem een naam gegeven boven alle naam.
God heeft Hem alle macht gegeven in hemel en op aarde.
Jezelf wegcijferen en je door de gezindheid van Christus laten beheersen mag dan misschien erg onpraktisch en onzakelijk lijken, de uiteindelijke uitkomst is niet de ondergang, maar het behoud en heerlijkheid en glorie. In één woord: het eeuwige leven.
Vers 12
Want als die gezindheid van Christus in u is, werkt ge aan uw behoud. Dan zijt ge bezig met uw redding. En daar moet ge constant mee bezig blijven, zegt Paulus.
Het is nl. niet zo, dat in ons behoud alles wel automatisch gaat. Het is niet zo, dat je één keer op een knopje moet drukken en dat het dan verder allemaal vanzelf gaat. We gaan niet per lift naar het koninkrijk der hemelen.
In een lift gaat alles automatisch. Je hoeft alleen maar in te stappen en op een knopje te drukken. En dan kun je verder je armen slap langs je lichaam laten hangen. Maar wie eenmaal Christus in zijn gezindheid aanváárd heeft, moet niet denken dat hij nu klaar is. Want hij moet voortdurend bezig blijven die gezindheid van Christus in praktijk te brengen en zich elke dag weer opnieuw aan Christus onderwerpen.
Hij moet dat doen met vrees en beven, zegt Paulus. Hij moet voortdurend op zijn hoede zijn voor dingen die tussen hem en Christus in kunnen komen en die verwijdering kunnen brengen. Als Christen leven betekent niet angstvallig of krampachtig of wettisch leven. Dat beslist niet. Maar het is wel een leven dat zich permanent oriënteert op Christus en op God en waarin men zich voortdurend afvraagt: hoe zal HIJ het vinden?
Vers 13
Wie zo aan zijn redding werkt, gaat zichzelf geen schouderklopjes geven. Hij gaat zijn redding niet aan zijn eigen activiteit toeschrijven. Want die redding is ons eigen werk niet. En ook het werken aan ons behoud hebben we niet van onszelf. Het is Gods werk.
Vers 14
De vermaning om met vrees en beven aan
ons behoud te werken is niet zinloos. De mogelijkheid van verwijdering tussen God en ons, is niet uit de lucht gegrepen. Denk maar eens aan Israël. Dat werd bevrijd uit Egypte. Als een verlost volk was het op weg naar het beloofde land. Maar toen gingen ze murmureren, morren, in de woestijn en toen ging het mis. En het merendeel van hen die uit Egypte trokken, kwam niet in het beloofde land.
Dat kan ook nu nog. En daarom waarschuwt Paulus: doet alles zonder te morren, zonder te mopperen. Zulke christenen zijn er. Ze doen uiteindelijk dan wel mee, maar je moet ze eens horen mopperen en foeteren en schelden. Dat kan heel gemakkelijk tussen God en ons in komen te staan.
Er zijn ook andere christenen. Die hebben altijd bedenkingen. Als de eis van het evangelie hun wordt voorgehouden, zeggen ze: dat staat er wel, maar zou het dat ook betekenen?
Zou er niet iets anders mee bedoeld worden? Of ze zeggen: Ja, het staat er wel, maar je kunt het vandaag toch niet zo in praktijk brengen. De situatie is zo veranderd vergeleken met vroeger. Wat de bijbel zegt is tijdgebonden. En zo zoeken ze maar en praten ze maar en discussiëren ze maar over de vraag wat die eis van het evangelie nu toch wel precies zou betekenen.
En aan het luisteren naar het evangelie komen ze nooit toe.
Zulke christenen kennen niet die vrees en dat beven waar Paulus over spreekt. Ze trekken een muur op tussen God en hen. Ze werken niet aan hun behoud.
Vers 15
Maar wie zich zonder verzet en zonder tegenstand door Christus laat beheersen en zich wegcijfert voor Hem, leeft onberispelijk en onbesmet. Zij leven als kinderen van God op wie niets valt aan te merken. Zij zijn als lichtende sterren temidden van een krom en verkeerd geslacht, van een ontaarde en verworden wereld.
Kinderen van God op wie niets valt aan te merken. Lichtende sterren. Vaak lijkt het er niet veel op! Hoeveel christenen zijn er niet, op wie enorm veel valt aan te merken en over wie de buitenwacht terecht schande spreekt!
Maar zo hoort het niet. Als we ons leven door Christus laten beheersen zijn we het licht der wereld. Dan zijn we lichtgevende sterren in een verworden en losgeslagen wereld.
Weten we dat nog? Leeft het nog voor ons dat we iets te bieden hebben? Ik ben bang dat we dat besef aan het verliezen zijn.
Er is tegenwoordig een sterke stroming in de theologische en kerkelijke wereld die hier niets meer van weten wil. We moeten niet zulke pretenties hebben, zegt men. Dat is hoogmoedig. We moeten juist solidair zijn met de wereld. Wij hebben niets meer dan buitenkerkelijken en aanhangers van andere godsdiensten. Wij hebben de waarheid en het licht niet in pacht. Samen met hen moeten we naar die waarheid en dat licht gaan zoeken.
Ik ben bang dat dergelijke klanken, die lijnrecht ingaan tegen wat Paulus hier zegt, ongemerkt ook vat op ons krijgen. Maar we zullen ons ervan moeten losmaken. We hébben deze losgeslagen wereld iets te bieden: leven en licht. Het is echt waar.
Vers 16
Maar dan moeten we natuurlijk zelf wel het Woord des levens vasthouden en ons erdoor laten beheersen. Want als we dat niet doen, als onze greep op het evangelie verslapt, dan dooft het licht en wordt het donker in de wereld.
Het Woord des levens vasthouden. Dat kun je alleen als je dat Woord kent. Dat betekent dat we aan bijbelstudie moeten doen. Een beetje teren op wat we vroeger in onze jeugd aan bijbelkennis hebben opgedaan, is met genoeg. We moeten er mee bezig blijven.
Als we werkelijk iets te bieden willen hebben, zullen we Gods Woord moeten kennen.
Want dat Woord van God is onze lichtbron.
Hoe slapper en vager onze Schriftkennis wordt, des te meer gaat het licht doven en des te donkerder wordt het in de wereld.
Als de Filippenzen zo als lichtende sterren schijnen in de wereld, zullen ze Paulus tot roem strekken op de dag van Christus. Zij zijn dan het tastbare bewijs dat Paulus zich niet voor niets heeft uitgesloofd en dat al zijn inspanning niet tevergeefs is geweest.
Natuurlijk is het niet Paulus' bedoeling dat hij wil pronken en geuren met de Filippenzen.
Het gaat hem er ook niet om nu eens goed te laten voelen hoe hij zich wel heeft uitgesloofd. Voor zulk showen en pronken zal er trouwens op de dag van Christus geen gelegenheid zijn. Maar Paulus kent ook niet die valse en glibberige bescheidenheid die wij nog wel eens tegenkomen, en die zich wel quasi bescheiden voordoet maar in feite niets anders dan hoogmoed is.
Paulus is nuchter. Hij weet dat hij zijn tijd niet verluierd en verlummeld heeft. Hij weet dat hij zich heeft uitgesloofd. En dat wil hij op een nuchtere en zakelijke manier wel weten. Hij wil ook best weten dat hij het sneu en jammer zou vinden, als dat werken van hem geen resultaat had. Natuurlijk zou zijn inspanning er niet minder om zijn en ook niet door God gedisqualificeerd worden.
Maar toch is het gewoon fijn en prettig te zien dat je werk vrucht draagt. Dat is iets dat je mag wensen.