De brief van Paulus aan de Filippenzen (5)

1971-10-29
  • Jaargang 15
  • nummer 29
Vers 17

Paulus is in dat opzicht zeker van de Filippenzen.
Hij weet dat ze gehoorzaam willen zijn en het Woord des levens willen vasthouden.
Zelfs al zou Paulus niet meer vrijgelaten worden en ter dood veroordeeld worden, zelfs al zou zijn bloed moeten vloeien, toch zou hij zich verblijden. Want hij weet: Mijn bloed is dan een plengoffer bij het offer dat de Filippenzen al brengen en dat bestaat in hun geloof. Daarom kan Paulus blij zijn, ook al zou hij ter dood gebracht worden.
Hij heeft niet voor niets gewerkt. De gemeente van Filippi leeft uit het geloof. Hun leven is een offer aan God. Als je dat ziet, Kun je alleen maar blij zijn, zelfs als je ter dood gebracht wordt.

Vers 18

En ook de Filippenzen moeten zich verblijden, samen met Paulus. Het christelijk leven als offer aan God is geen somber en triest leven. Integendeel: het is een blijmoedig leven. Aan die blijmoedigheid ontbreekt het bij u vaak. Weet u waarom? Omdat ons leven vaak te weinig het karakter van offer aan God draagt. Offeren is wegschenken, afstand doen. Wie zijn leven aan God offert, schenkt het weg aan God. Hij staat het af aan Christus. Radicaal. En daaraan ontbreekt vaak veel. Wij willen graag ook zelf nog een beetje over ons leven blijven beschikken.
We willen zelf ook nog wat touwtjes in handen houden en onze koers uitstippelen.
En juist dat ontneemt ons de blijmoedigheid.
Want het maakt ons opstandig en ongeduldig en somber als het in ons leven niet allemaal gaat zoals wij dat zouden willen. Er is maar één oplossing: jezelf radicaal aan God en Christus wegschenken.
Dan komt de blijmoedigheid weer

Vers 19

Paulus' spreken over het zoeken van het belang van anderen is geen voze taal. Hij brengt het zelf in praktijk. En daarbij beperkt hij zichzelf niet tot gebed, maar zelfs nu hij gevangen zit kan hij toch nog daadwerkelijk iets voor hen doen.
Ik hoop in de Here Jezus Timotheüs spoedig tot u te zenden, zegt hij. Timotheüs is nl. een betrouwbare figuur, die zeker de belangen van de Filippenzen zal behartigen. En dan zal Paulus gerustgesteld zijn. Want hij weet: als Timotheüs daar werkt, zijn de Filippenzen in vertrouwde handen en zal het goed met hen blijven gaan.
U moet er even op letten hoe Paulus dat zegt: ik hoop IN DE HERE JEZUS. Dat is bij hem geen holle frase. Dat is het bij ons wel vaak. Wij zetten wel plichtmatig in allerlei aankondigingen: D.V., maar vaak zijn dat niet meer dan een paar dode letters. In de dagelijkse levenspraktijk leeft dat vaak niet. We staan er vaak nauwelijks bij stil, dat het inderdaad van de Here afhangt o:E onze plannen gerealiseerd kunnen worden.
Dat hangt samen met het feit dat ons Ie..
ven vaak veel te weinig een leven voor de Here is en dat we ons veel te weinig afvragen: Gaat de Here wel akkoord met onze plannen?
Bij Paulus was dat anders. Hij leefde voor Christus en niet voor zichzelf. Daarom is het ook een heel reële zaak voor hem, dat zijn plannen alleen maar uitgevoerd kunnen worden als de Here het wil. En daarom zegt hij: Als Christus de gelegenheid geeft - en dat hoop ik van harte - zal ik Timotheüs gauw tot u zenden.

Vers 20

Het gaat Paulus daarbij weer om de belangen van de Filippenzen. Natuurlijk zou het voor hemzelf fijn geweest zijn Timotheüs bij zich te houden. Er bestond tussen hen een verhouding ais tussen vader en kind. Bovendien was Timotheüs een geweldige hulp en een grote steun voor Paulus in dienst van het evangelie. Maar Paulus denkt weer niet aan zijn eigen plezier en aan de steun die HIJ van Timotheüs kan hebben.
Hij cijfert zijn eigen belang en zijn eigen genoegen weg tegen dat van de Filippenzen.
Niemand zal hen zo goed kunnen helpen als Timotheüs. Hij is precies de man die ze moeten hebben.

Vers 21

Er bestaat nl. toch nog wel wat verschil tussen de ene prediker van het evangelie en de andere. Er zijn er die wel het evangelie prediken - dat wel! - maar die in hun leven, als hun eigenbelang op het spel staat, dat laten voorgaan. Zij staan niet restloos klaar als er een beroep op hen wordt gedaan.
Zij willen hun eigenbelang niet wegcijferen.
Er is bij hen een gebrek aan de gezindheid van Christus.
Ook vandaag is dat een bekend verschijnsel.
Er zijn predikers van wie je moet zeggen: Hij weet het wel mooi te vertellen, maar als het erop aan komt laat hij verstek gaan.
Een dergelijke instelling bij predikers brengt onvermijdelijk veel schade toe aan de voortgang van het evangelie.
Van alle evangeliepredikers in Paulus' omgeving was alleen Timotheüs bereid zijn
eigenbelang volledig weg te cijferen. De rest kende niet die volledige bereidheid.
Wij denken wel eens dat alles in de tijd van de eerste christelijke gemeenten koek en ei was en dat er toen bij iedereen een inzet van 100% achter zat. Maar Paulus laat een andere kant zien. En we behoeven ons daar heus niet over te verbazen. Want toen was eigenbelang niet minder dan nu een van de sterkste drijfveren in de mens.
Ook wij blijven er last van houden. Hoe vaak is het ons al overkomen, dat We ons achteraf realiseren en er last van hebben dat we ons eigenbelang of onze eigen genoegens of onze hobbies de voorrang hebben gegeven boven het belang van Christus en van onze naaste. Of hebben we er misschien helemaal geen last van en prikt het ons helemaal niet meer, zelfs niet achteraf?

Vers 22

Maar bij Timotheüs lag het anders. Juist daarom was hij ook zo'n grote steun voor Paulus. Toch. zal Paulus hem naar de Filippenzen sturen. Want ook hem gaat het niet om eigenbelang. En zo kan Paulus, hoewel hij ver van de Filippenzen in de gevangenis zit, hun toch daadwerkelijk van dienst zijn.
Paulus zal dat doen, zodra hij kan overzien wat er met hem gebeuren gaat. En bovendien vertrouwt hij - weer: in de Heredat hijzelf ook binnen afzienbare tijd de Filippenzen kan bezoeken.

Vers 25

Paulus is de Filippenzen ook nog op een andere manier van dienst, nI. door Epaphroditus naar hen terug te zenden. Epaphroditus was door de Filippenzen als hun afgevaardigde (apostel, staat er letterlijk!) naar Paulus in de gevangenis gestuurd om hem behulpzaam te zijn waar dat nodig en mogelijk was. Zo leefden de Filippenzen met Paulus mee. Dat is nu gemeenschap der heiligen.
Hun opzet was geslaagd. Epaphroditus had de gave van de Filippenzen overgebracht en was Paulus behulpzaam geweest. Paulus noemt hem niet alleen maar zijn broeder, maar ook zijn medearbeider, zijn medestrijder, zijn medesoldaat. Hij heeft Paulus inderdaad kunnen helpen.

Vers 26

Waarom stuurt Paulus hem dan nu terug naar Filippi? Kon hij hem niet meer gebruiken?
Natuurlijk wel. Maar weer denkt Paulus niet aan wat voor hemzelf het plezierigst is, maar aan anderen. Epaphroditus verlangde naar de Filippenzen. Hij was al een lange tijd van huis natuurlijk. En bovendien voelde hij. zich een beetje unhappy.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief