Rondom het Getuigenis

1971-10-29
  • Jaargang 15
  • nummer 29
In ons blad van 15 oktober jl. is het inmiddels in brede kring bekend geworden getuigenis van een aantal Ned. Hervormde broeders en zusters in zijn geheel overgenomen.

Onze lezers zullen ongetwijfeld met groeiende belangstelling van dit stuk kennis hebben genomen.
In "Trouw" stond nog wat achtergrondinformatie, die we graag doorgeven.
In een begeleidend schrijven delen de opstellers van het geschrift mee dat op 24 juni 1970 de hoogleraren Van Itterzon, Jonker, Van Niftrik en Van Ruler de hoogst ernstige crisis bespraken, waarin kerk en theologie zijn terecht gekomen. Zij zochten naar een middel tegen de geestelijke verdorring, waarvan vele gemeenten en hun voorgangers ernstig te lijden hadden, dachten' toen reeds aan een getuigenis, maar werden sterk geremd door de vrees voor een zekere polarisatie.

Recente gebeurtenissen (actie en reactie rondom het "kosmokomplot" van Kerk en Wereld) maakten duidelijk dat er toch reeds een polarisatie is ontstaan.
Uit deze toelichting blijkt dat dit getuigenis niet in een opwelling is geschreven en dat de opstellens er zich van bewust zijn dat het tegenspraak zal oproepen.
Het is bij alle ellende van de voortgaande verscherping van de tegenstellingen tussen de christenen in ons land een verblijdende en bemoedigende zaak, wanneer we in dit getuigenis leden van de Confessionele Vereniging en van de Gereformeerde Bond, met anderen hand in hand zien staan in de strijd om ons algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof, waarbij de één zich niet schaamt voor de ander.
Adhaesie-betuigingen, ook van leden van andere kerken; zijn, naar mij werd verzekerd, hartelijk welkom, adres: Mevr. Mr. J. A. van Ruler-Hamelink, Koningslaan 28, Utrecht.

Al aanstonds viel een opmerkelijke reactie te signaleren.
"Trouw" berichtte uitvoerig over een brief van twee studenten-predikanten die zich door Prof. Dr G. C. van Niftrik in de steek gelaten achtten.
De praeses van de synode van de Geref. Kerken vestigde in een zitting van de synode de-aandacht op het Getuigenis, maar wenste de broeders en zusters ook te attenderen op het tegenstuk van de twee predikanten want, aldus de praeses, men moest ook letten op hen, bij wie de woorden van de kerk niet meer overkomen.
Het wil mij voorkomen dat onze Hervormde broeders van· een synode van Gereformeerde kerken iets meer zouden mogen -verwachten dan een afwachtende enerzijds-anderzijds-houding.
Hebben de Hervormden niet altijd moeten horen dat in hun kerken de belijdenis niet wordt gehandhaafd en dat zij in de strijd van de Afscheiding en de Doleantie niet trouw zijn gebleven!
Kan er dan van Gereformeerde zijde geen hartelijker woord af wanneer een aantal "achtergeblevenen" opkomt voor trouw aan het belijden van de kerk? Er zal zeker zorg moeten zijn voor mensen bij wie de woorden van de kerk niet meer overkomen, maar moet daaraan niet voorafgaan dat duidelijk wordt met welk Woord de kerk in de wereld staat en het is toch deze zaak, die alle kerken aangaat, die in het getuigenis aan de orde is gesteld.

Op 15 oktober jl. berichtte "Trouw" dat een aantal hervormde theologen de schrijvers van het. Getuigenis heeft uitgenodigd voor een gesprek. Het stuk, waarbij ik enkele aantekeningen wil maken nemen we in zijn geheel over.

'U vraagt ons als belijdende christenen adhaesie te betuigen met het onlangs door u afgegeven getuigenis. Wij menen er goed aan te doen u nog eens de tekst voor te leggen, welke Karl Barth op 16 maart 1966 toestuurde aan de organisatoren en deelnemers van de manifestatie te Dortmund: 'Geen ander evangelie'.

In vertaling luidt deze als volgt:

'Aan de 25 organisatoren en aan de 25.000 deelnemers van de grote manifestatie Geen ander evangelie zou ik deze vraag willen stellen: bent u van plan en bereid een dergelijk 'beweging' en een dergelijke 'manifestatie' op touw te zetten en te bezoeken: tegen het verlangen om het Westduitse leger met atoomwapens toe te rusten; tegen de oorlog en oorlogsvoering van de met West-Duitsland verbonden Amerikanen in Vietnam; tegen de steeds weer voorkomende uitbarstingen van een rabiaat (beestachtig, red.) anti-semitisme in West-Duitsland (grafschendingen) ; en vóór het sluiten van vrede tussen West-Duitsland en de Oosteuropese staten en erkenning van de sinds 1945 bestaande grenzen? Wanneer uw zuivere belijdenis van de naar het getuigenis van de Heilige Schrift voor ons gekruisigde en opgestane Jezus Christus dit met zich meebrengt en uitspreekt, dan is het een goede, kostbare en vruchtbare belijdenis.
Wanneer het dit niet met zich meebrengt en uitspreekt, dan is het met al zijn zuiverheid geen goede, maar een dode, goedkope, muggenziftende en kamelen-
verzwelgende en dus farizese belijdenis.
Dit is wat ik te zeggen heb van hetgeen er op de 6e maart in de Westphalenhallen in Dortmund is gebeurd.

Met een vriendelijke groet, uw Karl Barth.'

Wij hebben aan de brief van Karl Barth niet meer toe te voegen, dan dat wij u willen verzoeken in een aantal gevallen Nederland in te vullen waar West-Duitsland staat, terwijl de actualiteit van de laatste jaren ons noopt u te vragen of uw verontrusting ook betrekking heeft op: de opslag van kernwapens op Nederlandse bodem; de recente verhoging van de defensie-begroting; de onduidelijke houding van de Nederlandse regering ten opzichte van Zuidelijk Afrika, o.a. ten aanzien van de NAVO-partner Portugal tegenover Angola en Mozambique; de politieke en economische afhankelijkheid van Suriname; de positie van buitenlandse werknemers in Nederland; de EEG-politiek ten aanzien van de derde wereld.

Over deze punten, alsmede over de vragen die door uw getuigenis worden opgeroepen, zouden ondergetekenden gaarne een gesprek met u willen hebben.
Met vriendelijke groeten... enz.'

Het is duidelijk dat de uitnodigende theologen, onder wie dr J. J. Buskes, en de hoogleraren Rasker, Miskotte, Sperna Weiland en Strijd, niet bepaald tot de supporters van het getuigenis behoren.
Opvallend is allereerst dat in de indirecte critiek op hef stuk geen verwijzingen naar de Heilige Schrift of naar het belijden van de kerk voorkomen.
In bewogenheid over de mensen, bij wie de woorden van de kerk niet meer overkomen, doet men toch goed niet uit het oog te verliezen dat er nog heel wat mensen zijn in ons vaderland, bij wie een beroep op het Woord van God, wèl overkomt.
In plaats van een beroep op het door anderen blijkbaar misverstane evangelie wordt een tekst van Karl Barth op tafel gelegd.
Er wordt dus wel een "theologisch-zwaargewicht" in het veld gebracht.
Aanstonds komt de vraag op of het juist is op een getuigenis in het jaar 1971 in de omstandigheden, waarin christelijke kerken m Nederland verkeren te reageren met een brief van de inmiddels overleden Karl Barth geschreven in het jaar 1966 aan de organisatoren van de manifestatie "Kein anderes Evangelium" in Duitsland.
Het is algemeen bekend dat Karl Barth de laatste jaren van zijn leven beslist niet ingenomen was met de moderne theologie, waartegen zich het getuigenis richt.
In het derde van de zeven punten keren Prof. Van Itterzon c.s. zich tegen de gedachten over de vergeving van de Duitse theologe Dorothé Sölle en ik dacht dat Karl Barth niet bepaald verrukt was van de opvattingen van "diese Dame".
Daarom is het de vraag of het recht en billijk is de grote Barth op deze wijze in het geweer te brengen en ik vrees dat deze manier van reageren de verwarring eerder groter zal maken dan genezen.
Het zal Prof. Van Niftrik niet moeilijk vallen andere citaten van de grote theoloog uit Bazel in het midden te brengen en zo kan men een poosje voort.
In dit opzicht hebben wij in de geschiedenis van onze vrijgemaakte kerken veel geleerd; wij weten hoe er met citaten gewerkt kan worden.

Men heeft niet volstaan met het stuk van Barth, er is een toepassing (vertaling zou men haast zeggen) aan toegevoegd, waarin een aantal politieke en sociale problemen wordt opgesomd, die in de gevraagde samenspreking in discussie moeten komen, met de vragen die het getuigenis oproept.
Als ik het goed begrepen heb, moeten de mannen van het getuigenis eerst een soort politieke belijdenis afleggen, die moet kloppen met hun kerkelijk belijden en mocht aan dit recept niet worden voldaan, dan zou de belijdenis niet goed maar farizees bevonden kunnen worden.
Dit laatste staat wel niet in de vertaling, maar ligt dacht ik in de verwijzing naar de brief van Barth wel opgesloten.
Zo kan duidelijk worden welke norm hier voor het belijden wordt aangelegd. Dit doet mij denken aan wat Ds G. v. d. Brink op onze predikanten-conferentie in Spakenburg opmerkte over de crisis van het geloof in onze dagen. Veel mensen hebben moeite met het geloof en zijn daarin voortdurend aan het roeren in hun christen-zijn. Het is voor hen alsof het christen-zijn in de. wereld van heden de locomotief is, die het geloof op gang brengt en inspireert.
Het resultaat daarvan is nieuwe moeite omdat ons christen-zijn naar het getuigenis van de Schrift veel gebreken en ellendigheden vertoont.
Het geloof leeft dan ook niet uit onze goede werken, maar wordt gewerkt door de heilsweldaden van God in Christus Jezus.
Het zijn deze weldaden die ons geloof levend houden, en inspireren en ons christelijk leven op gang brengen.
In de reactie. op het getuigenis van de hervormde theologen valt een streven op te merken, waarbij de keuze in politieke en maatschappelijke vraagstukken tot een norm wordt gemaakt, waaraan het belijden van christenen moet voldoen.

Er kan zich een situatie voordoen waarin, gedachtig aan het woord van de Schrift: aan de vruchten kent men de boom", een dode orthodoxie naar de werken van het geloof wordt gevraagd.
Daarom moet de vraag gesteld worden of men de opstellers van het getuigenis. van verwijten dat zij maatschappelijk en politiek niet geëngageerd zijn, dat zij zich aan een piëtisme schuldig maken, waarin zij de wereld de wereld laten, alleen oog hebben voor eigen ziel en zaligheid en niet geïnteresseerd bij de nood van anderen.
Nu ken ik de opstellers van het getuigenis niet zo goed, maar toch wel zo dat een man als Prof. Van Niftrik niet te verwijten valt, dat hij politiek nooit stelling heeft. gekozen, hij deed dit wel en is als ik me niet vergis lid van het hoofdbestuur van de C.H.U.
Daarom wordt in het stuk van de broeders Buskes c.s. niet alleen de zaak van het belijden scheefgetrokken, maar evenzeer die van het christen-zijn in de politiek.
Mensen, die op grond van hun geloof in het evangelie hebben gekozen b.v. voor de A.R. of de C.H. worden waarschijnlijk geacht te behoren tot het establishment, dat zo snel mogelijk dient te worden afgebroken.
Wie namelijk het lijstje ziet, dat in het komende gesprek op het agendum moet, merkt uit welke hoek de wind waait.
Want het is het bekende verhaal over: kernwapens, defensie, Z. Afrika, Angola, Suriname enz., dat we steeds weer voorgeschoteld krijgen.
Nu zou ik ook een aantal knelpunten in de Nederlandse en wereldhuishouding kunnen noemen die niet minder dringend zijn, maar het is voor mijn betoog niet nodig.
Aangenomen dat het tot een gesprek komt, dan kan men voorlopig vooruit. Er komen ingewikkelde politieke en maatschappelijke zaken aan de orde. Wie verschaft daarbij de juiste informatie en kunnen die verzamelde theologen al die kwesties beoordelen en moet vervolgens naar de aldus te brouwen politieke stellingname de inhoud van het christelijk geloof worden beoordeeld?
Hier wordt, om het beeld van coll. V. d. Brink te gebruiken, het christelijk handelen de locomotief, die ons geloof gaat trekken: Maar hoe wordt dan uitgemaakt of hier inderdaad sprake is van een christelijk handelen en niet van een stellingname die bepaald is door één of andere ideologie van menselijke wijsheid?
Van harte zijn we het eens met hen die stellen dat gelovigen christen moeten zijn in de politiek; dit is overigens helemaal geen nieuws, we hebben het van Groen van Prinsterer en Kuyper al geleerd.
We laten nu maar even in het midden of de kerk geroepen is tot politieke uitspraken, dat is een onderwerp apart.
Als er wordt gezegd: Er moet eenheid zijn van belijden en beleven, gaan we helemaal accoord.
Ook zijn we ervan overtuigd dat we in het koninkrijk Gods niet leven uit het bestaande maar in de verwachting dat alles nieuw wordt. Ook willen we niet onder doen in bewogenheid over het leed van velen en zijn het er van harte mee eens, dat we best met wat minder welvaart toekunnen. Maar aan alle christelijke actie zal moeten voorafgaan dat de normen voor geloof en handelen liggen in het evangelie van onze Here Jezus Christus.
Over die normen spraken de broeders in hun getuigenis.
De beste dienst, die de kerk aan een verloren wereld kan bewijzen is duidelijk te getuigen van de levende God in Christus Jezus, Die alleen machtig is uit de nood te verlossen.
Ik meen eens bij Van Ruler gelezen te hebben dat de oproep tot bekering tot die God, de eerste, zo niet de enige dienst is, die de kerk aan de wereld heeft te bewijzen.
De discussies rondom het getuigenis verdienen onze aandacht. Ook onze kerken zijn betrokken bij de crisis van het geloof en zullen daarbij de hulp van anderen dankbaar aanvaarden, want het gaat om één Zaak.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief