DOSTOJEWSKIJ HERDACHT (2)

1971-10-29
  • Jaargang 15
  • nummer 29
Roman en boodschap

Zeggen we, dat Dostojewskij in Raskólnikow en De speler een gericht uitoefent over zichzelf en tevens zijn volk waarschuwt tegen het gevaar van ontrouw aan zijn roeping, en dat hij in Boze geesten ook tegen dat gevaar waarschuwt; en dat hij in De idioot en in De gebroeders Karamazow (waarin Aljosja oorspronkelijk als dè hoofdpersoon bedoeld werd) de concrete mogelijkheid van de reinheid des harten predikt - dan hebben we daarmee gezegd dat de verhalen van Dostojewskij een boodschap hebben, of liever: een boodschap zijn. De discussie daarover is enigszins verward. Men kan oppervlakkige opmerkingen horen: een echt verteller heeft helemaal geen boodschap. Dit laatste is alleen juist als men denkt aan de tendens-roman, de 'roman à thèse'. Dat is niet een echt verhaal, omdat de schrijver te zeer aan de touwtjes trekt en de figuren die hij oproept voor de voeten loopt: hij moet, als een goed regisseur, niet op het toneel komen. Maar dat wil niet zeggen, dat het verhaal geen boodschap is, is om die reden ook geen vertelling; het is een gedrocht. Wel moeten we voorzichtig omgaan met de vraag, wat de auteur bedoeld heeft: hij kan zijn vertelling ten volle als boodschap geven, en tegelijk niet iets uitdrukkelijk bedoelen. Een gedreven romancier als Dostojewskij kan moeilijk een bepaalde bedoeling gehad hebben: waarschijnlijk was hij zelf, al schrijvende, nog meer benieuwd naar wat er in zijn verhaal gebeuren zou, dan de latere lezers. Met enige overdrijving mogen we zeggen: de ware verteller brengt zijns ondanks zijn vertelling als boodschap. Het is opmerkelijk, dat Camus, die zozeer toornt tegen de 'roman à thèse', in La treste zijn figuur Tarrou als spreektrompet gebruikt (d.w.z. misbruikt) voor zijn atheïstische theologie: deze Tarrou valt uit zijn rol en staat die aan Camus af als hij zegt, dat de mens in zijn condition humaine (pl.m. 'mensenlot') het niveau moet bereiken van 'saint sans Dieu', heilige zonder God. Dat is tendentieus.
Voor zover ik heb kunnen nagaan is dit Dostojewskij niet één keer overkomen.
Leo Sjestow meende (Crisis der zekerheden, 1934, 119) dat Dostojewskij nooit mensen uitbeeldde maar maskers, en dat onder die maskers één levend mens was, de schrijver zelf. Sjestow heeft met deze uitspraak de Dostojewskij-exegese een slechte dienst bewezen: beter kunnen we als beginsel een interpretatie aannemen, dat Dostojewskij nooit, of maar héél zelden autobiografisch te werk ging: hij is zo verdiept in de figuren die hij oproept, dat hij zichzelf letterlijk vergeet.
Daarmee hangt samen, dat de 'wereld' van Dostojewskij anders is dan de ons enigszins vertrouwde: ze werd en wordt ook door Russen als "vreemd" ervaren. Dostojewskij's werk is wereld interpretatie, en in die geïnterpreteerde wereld voelt hij zich thuis en beweegt hij zich met weergaloos gemak. Hij trekt zich niets aan van esthetische eisen. Zijn liefde voor zijn figuren is zo machtig, dat hij hun het volle pond geeft in de uitleg van hun diepste overtuigingen, met het gevolg dat er soms bijzonder lange gesprekken en biechten gegeven worden. Nu Dostojewskij eenmaal klassiek is, kan niemand die zichzelf respecteert daar artistiek bezwaar tegen uitspreken.
Zulk schoolmeesterachtig gedoe is alleen mogelijk tegenover een verteller die nog niet de erkenning gekregen heeft die hij verdient.
Dirk Coster heeft indertijd terecht aandacht gevraagd voor de ethische kwaliteit van het literaire werk. Daarop volgde de "moordende analyse" van Du Perron, die alleen bewees dat Du Perron niet alleen een literairist, een verliteratuurd mens was, maar ook een figuur die zo ver beneden de morele maat valt dat hij niet met een fatsoenlijk woord aangeduid kan worden. Intussen is de term "ethische kwaliteit" wel wat zwak. In Boze geesten komt KirHow tot de geloofsovertuiging dat hij zichzelf moet doden. De schrijver staat hem geen ogenblik in de weg, maar besteedt alle zorg en aandacht aan het groeien van die overtuiging en geeft de door hem opgeroepen figuur volle gelegenheid haar te verdedigen en in te gaan op de bezwaren die tegen haar ingebracht kunnen worden. Nu kan men zeggen, dat de schrijver zich met deze figuur vereenzelvigt; dat is waar; maar hij vereenzelvigt zich met àlle figuren die hij oproept.
Een ongeduldig criticus heeft opgemerkt, dat alle grote figuren in Dostojewskij's werk krankzinnig zijn. Dat is overdreven, maar niet helemaal onjuist; Dostojewskij herkent de zieken, berooiden, dronkaards, misdadigers, verworpenen en verminkte karakters in hun menselijkheid. We hebben hier te doen met een bepaalde vorm van naastenliefde.
Die is er in Boze geesten zelfs jegens de veelszins gruwelijke figuur van Nikolaj Stawrógin, de geïncarneerde goddeloosheid, door en door verdorven, karaktervast en aristocratisch.
Zijn biecht betreffende de sexuele verleiding van een elfjarig meisje kon pas na de dood van Dostojewskij's weduwe, Anna Grigorjewna Dostojewskaja, in 1921, opgenomen worden. Het meisje Matrjosja hangt zich op.
Romano Guardini schrijft hierover in zijn Dostojewskij-boek van 1964, 329: "Ondraaglijk is het, te lezen, hoe het meisje als hulpeloos kind alles ervaart wat een vrouwenleven aan ontering kan bevatten, en hoe niet alleen de menselijke waardigheid, maar ook het gevoel voor het heilige in haar verwoest wordt: het meisje verwijt zich God te hebben vermoord." Guardini besteedt 64 pagina's aan de analyse van de Stawr6gin-figuur, waarbij blijkt dat de schrijver voor deze gruwelijke gestalte onverflauwde aandacht behouden heeft. Hij is de meest demonische figuur in Boze geesten, en mogelijk in geheel het oeuvre van Dostojewskij. Hij is sterk van spieren en van wil en in zijn karakterkracht ligt iets geheimzinnigs.
Guardini wijst op zijn innerlijke koudheid. Zijn innerlijk bestaan is volkomen leeg. Voor hem is het woord "harteloos" nog te mild. Hij kent geen vrees, ook niet voor zichzelf. Als hij zich ten slotte ophangt doet hij dit zo secuur, dat duidelijk is dat hij bij zijn volle verstand was toen hij zich het leven benam, zodat de lezer niet kan geloven aan de gerechtigheid van zijn terechtstelling door zichzelf. Een ontmoeting met Dostojewskij - daarom was het Guardini te doen, 428 - is niet een vrijblijvende zaak. In de Stawrógin-figuur schijnt de schrijver zorgvuldig en met mededogen een uitzicht te openen op een onmogelijke mogelijkheid van de mens: dat hij niet maar instrument, maar - in een zeldzaam geval - puur eigendom van satan kan worden en dat zelf ook willen. Als we dit een "theologische interpretatie" noemen, zijn we er ver naast. De Stawrógin-gestalte bewijst op een beklemmende wijze, dat Dostojewskij's verhaal een boodschap is, en juist dááraan zijn blijvende betekenis ontleent.
Stawrógin is het demonisch centrum van het breedvoerige verhaal Boze geesten, en door zijn zelfmoord wordt zijn demonie niet opgeheven.
In de gedachtengang van Rornano Guardini is het kunstwerk en met name het literaire werk iets bovennatuurlijks, en dat stemt nauwkeurig overeen met zijn theologie.
Wij zouden het liever anders zeggen: de naastenliefde van de schrijver Dostojewskij gaat zó ver, dat ze ook een tot pure demonie verworden menselijkheid met aandacht en met een onbegrijpelijk mededogen kan tekenen.
De russische aristocraat wordt tot tranen bewogen als hij een hoekje van de griekse archipel ontdekt, hij wordt van wroeging verteerd als hij het meisje Matriosis heeft aangerand, maar het eigenaardige is, dat de auteur in zijn eindeloos geduld ontdekt heeft, dat dit alles in een demonische context staat.
De emeritus bisschop Ticho is Stawrógins sataniteit op het spoor gekomen, en de afgestrafte aristocraat weet niet anders te reageren dan met: "Vervloekte psycholoog!".


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief