Boekbespreking

1971-10-29
  • Jaargang 15
  • nummer 29
Drs J. van Gennep, De gevaren van het relativise.
J. H. Kok N.V., Kampen. 1970

Dit is een boek van een arts-psycholoog, die in deze functie verbonden is geweest aan het Psychotechnisch Laboratorium van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
De aanleiding tot het samenstellen van dit boek is voortgekomen, zoals de schrijver in de "inleiding" mededeelt, uit een groeiende ongerustheid bij het aanschouwen van het steeds toenemend relativisme, speciaal bij onze jongere intelligentia.
Met de dooddoener "alles is maar betrekkelijk", betrekkelijk zeker, betrekkelijk waar, betrekkelijk goed, betrekkelijk te verwerpen of af te keuren, zet men alles bij zich op losse schroeven. Het wil mij toeschijnen, aldus de schrijver nog eens, "dat de thans opgroeiende generatie radeloos zoekt naar een vaste grondslag, heel speciaal natuurlijk in de opbouw ten 1e van een wereldbeeld, 2e in de plaatsing van onszelf in dit wereldbeeld, d.w.z. de zin van ons leven".
Hij probeert, nu zijn al óf niet jeugdige lezers tot bezinning en zelf nadénken aan te sporen .. Het komt mij voor dat de schrijver tot een oudere generatie behoort en in zijn boek gemikt heeft op die jongere intelligentia die aan een groeiend relativisme is vervallen.
Hem heeft bij het samenstellen voortdurend voor ogen gestaan een "beroep te doen op het kritisch vermogen van onbevooroordeelde mensen". Hij gelooft blijkens zo'n uitlating in het bestaan van onbevooroordeelde mensen. We lezen ook meteen al in de inleiding wat het relativisme is. Het is "voor hem" een "symptoom van geestelijke onrijpheid". Daarom heeft hij getracht de blik zowel te verruimen als. te verdiepen.
Dat vereist wat "filosofie" en zelfs wat "metaphysica". Als u niet weet wat metafysica is? Dat is "opengaan van de blik voor het achter alle waarnemingen en belevingen denkend doorschouwde zijn."
De schrijver schrijft filosofie tweemaal met een f en metaphisica met een ph. Waarom?
Een kleinigheid overigens.
U vindt in dit boek - en dat is geen kleinigheid - heel wat filosofie en ook wat metafysica. Deze laatste vastgeknoopt aan de metafvsica van Aristoteles, de wijsgeer van het "Zijnde". U vindt knappe uiteenzettingen van filosofische stelsels. U vindt er verklaring van psychologische begrippen in. Voorzover ik daar een oordeel over kan vormen, vaak op een heldere manier, die de deskundigheid van de schrijver op dit terrein duidelijk verraadt. De begrippen relatief en absoluut worden verklaard.
Over relativisme en oordeelskracht een hoofdstuk. Over het relativisme in de logika en over het absolutisme in de natuurwetenschappen.
Ook een hoofdstuk over het absolute in de religie. Ten laatste een hoofdstuk over de ethische mens en een over de sociale mens met helemaal aan het eind een terugblik waarin de schrijver een kort resumé geeft van de behandelde problemen. Dit laatste is voor mensen, die haast hebben bij het lezen, een grote hulp. De schrijver heeft een uitstekend resumé van het behandelde gegeven.
Waarschijnlijk bent u, evenals ik dat was, benieuwd naar datgene wat de schrijver over het absolute in de religie komt op te merken. Zelf zegt hij dat het eigenlijk een hoofdstuk tussen haken is met de speciale bijbedoeling het verschil duidelijk te maken tussen "zijn" en "bestaan".
Ik citeer: "Het Godsbewustzijn openbaarde zich eerst als een concretisatie, een symbool van menselijke drang naar het Absolute.
Maar het Absolute moest zich ergens aan vasthechten, het zweefde teveel in de lucht.
In de wetenschap vroeg het om een laatste grond, in de ethica om een opperste wetgever in de geluksstreving naar iets volmaakts en blijvends. Deze drang moest onderzocht worden: verstandszekerheid? Intuïtie?
Geloofsdaad, al of niet onder genade: inwerking? Hoe verhouden zich geloof en wetenschap?"
De schrijver is hier, met alle respect, zonder-
dat hij zichzelf en ons daar rekenschap - van geeft, bezig te redeneren uit een evolutionistische gedachte. wording van de mens.
Het "Godsbewustzijn" is immers voor wie gelooft in de goddelijke openbaring in de Schriften, geen in de weg van ontwikkeling ontstane drang naar het Absolute, maar de mens meegegeven toen de Schepper hem schiep naar Zijn beeld als Zijn gelijkenis.
Ik citeer verder uit hetzelfde verband (140) "Hier moest een metaphisische, een ontologische analyse ingelast worden over het zijn als essentie en als existentie. De samenhang, de uiteindelijke eenheid van alles, de wisselvalligheid van ons bestaan, dat zichzelf niet verklaart, leidde ten slotte naar het bestaan-uit-zich, dat we "God" noemen, nu niet meer het geabstraheerde absolute, de absolute rest; wanneer we alle betrekkingen elimineren, maar de Absolute, Die aan alle betrekkingen voorafgaat. Ook dit supreem absolute mocht aan ons betoog niet ontbreken."

Ons eindoordeel. Zo komt de schrijver uit bij de God der filosofen om met Pascal te spreken en niet bij de God van Abraham, Izaak en Jakob. Ik vrees dat de jonge intelligentsia niet erg gediend is met dit boek, nogmaals met alle respect voor de geleerde schrijver. Het grote gebrek van dit boek is, dat het niet verder komt dan de weg die via menselijk denken tot God, het Absolute leidt. Dat js op z'n best de weg van een soort natuurlijke theologie en natuurlijke religie, die verstandelijk logisch opklimt tot God.
Wij vragen met aandrang en bewogenheid: waarom is de Christus, de Levende Zoon Gods, Die gisteren en heden Dezelfde is een Ongenoemde in dit boek? Is Hij een Onbekende?
Ligt zijn Woord niet geopend onder ons? Wat is er. aan de hand bij drs Van Gennep?


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief