De brief van Paulus aan de Filippenzen
1971-11-05
Vers 27, 28 - Jaargang 15
- nummer 30
Wat was er nl. gebeurd? Epaphroditus was ziek geweest, ernstig ziek. Hij heeft het voor de dood weggehaald. De Filippenzen hadden daar iets van gehoord en waren nu vol zorg over hem. Ze vroegen zich af: Hoe zou het met hem zijn? Misschien is hij al wel dood en begraven, dachten ze. Die spanning kon niet even door een telefoontje of een telegram weggenomen worden. En dat zat Epaphroditus dwars. Het maakte hem rusteloos.
En daarom zendt Paulus hem terug. Dan behoeven de Filippenzen niet langer in angst en onzekerheid te leven. En bovendien behoeft Paulus dan niet langer over de ongerustheid van de Filippenzen in te zitten.
God heeft zich over Epaphorditus ontfermd, zegt Paulus, D.w.z. hij is niet gestorven.
Hij is genezen. Genezing betekent Gods ontferming over ons.
Ik kan me indenken dat iemand vraagt: is dat nu wel in overeenstemming met wat Paulus in 1: 23 zei? Daar zei Paulus dat sterven voor hem verreweg het beste was.
Is dat wel te rijmen met wat hij hier zegt?
Een dergelijke vraag is typerend voor onze rechtlijnigheid. Maar die rechtlijnigheid vinden we niet in de Schrift terug. Daar vinden we geen schematisme maar een levend spreken. In de Schrift zijn beide dingen waar: sterven is verreweg het beste èn genezen, in leven blijven is Gods ontferming over ons.
Hoe kan dat? Hoe kunnen beide waar zijn?
Omdat je als christen niet leeft voor jezelf en ook niet sterft voor jezelf. Je leeft èn sterft voor Christus. Het gaat altijd om Hem!
Vers 29, 30
Epaphroditus was bij het randje van de dood gekomen vanwege het werk van Christus.
Hij had zijn leven gewaagd. Hoe dat precies geweest is, is niet duidelijk. Maar het is wel duideliik, dat ook Epaphras zichzelf en zijn eigenbelang heeft weggecijferd terwille van Christus' werk en terwille van Paulus.
Dat motief komt steeds weer terug in deze brief. Blijkbaar is het een heel centraal motief.
Paulus vermaant de Filippenzen Epaphroditus te ontvangen met blijdschap en mannen zoals hij in ere te houden. Daar hebt u het al weer: Paulus is bezorgd voor het belang van anderen. Daar denkt hij aan, met een fijngevoeligheid die er alleen maar is als de liefde er is (vgl. 1 : 9). Het zou nl. wel eens kunnen zijn, dat de Filippenzen ontevreden waren over Epaphroditus bij zijn terugkomst en dat ze tot hem zouden zeggen: Epaphroditus, je hebt Paulus in de steek gelaten.
Dat is geen manier van je! Daarom zegt Paulus: Ik heb hem teruggestuurd. Hij is geen deserteur. Houdt hem in ere, want hij heeft heel wat gewaagd. En wees gerust maar blij dat hij weer terug is.
HOOFDSTUK 3
Vers 1
Verblijdt u in de Here. Blijdschap is iets dat Paulus in deze brief na aan het hart ligt.
U moet voor uzelf eens nagaan hoe vaak Paulus in deze brief woorden gebruikt als: blijdschap, verblijden, verheugen. Het zijn woorden die als neon-reclame telkens weer aanflitsen en de aandacht trekken. Je verblijden is dus blijkbaar een belangrijke zaak in een christenleven.
U moet goed begrijpen dat het hier niet om een karaktereigenschap gaat. Er zijn mensen die van nature blijmoedig en anderen die van nature zwaarmoedig zijn. Paulus bedoelt niet, dat die zwaarmoedige mensen nu allemaal blijmoedig moeten worden.
Als dat zo was, zouden blijmoedige mensen dit centrale gegeven uit Paulus' brief rustig naast zich kunnen neerleggen. Paulus wekt niet on tot een blijmoedig karakter, maar tot een zich verblijden IN DE HERE.
Dat geldt voor iedereen. Of je nu een zwaarmoedig karakter hebt of een blijmoedig karakter, laat CHRISTUS uw hart blij maken, bedoelt Paulus. Het gaat weer om Hem. Laat Hij uw hart blij maken en uw blijdschap zijn.
Ik val nog wel eens in herhaling, zegt Paulus. Maar in dit geval is dat niet erg. Ikzelf vind het niet vervelend en voor jullie is het safe er telkens weer aan herinnerd te worden.
Dan vergeet je het niet.
Het is niet uit te maken of Paulus met dat "in herhaling vallen" doelt op de vermaning zich te verblijden in de Heer, of dat hij het oog heeft op wat hij nu gaat schrijven.
Als dat laatste het geval is, moet hij er al eens in een vroegere brief over geschreven hebben aan de Filippenzen.
Vers 2
In ieder geval komt er nu een waarschuwing met een nogal fel karakter. De felheid in Paulus' spraakgebruik is wel verklaarbaar, als we bedenken dat de Filippenzen zo'n prettige, levende gemeente vormden.
Het zou verschrikkelijk zijn, als deze gemeente ten prooi viel aan Paulus' felste tegenstanders: de Judaïsten. Over hen gaat het namelijk.
Paulus noemt hen: honden, d.w.z. mensen die er buiten staan, die er niet bijhoren.
Denkt u maar eens aan Openb. 22: 15: Buiten zijn de honden. Waarom mensen die er niet bijhoren honden genoemd kunnen worden, wordt duidelijk als we bedenken dat een hond in die tijd geen huisdier was maar een zwerver.
Paulus noemt hen ook: slechte werkers.
Het werk dat ze doen is slecht. Het vernielt de gemeente en trekt haar van Christus af.
Tenslotte noemt hij hen de versnijdenis.
Dat is een woordspeling op besnijdenis, die door hen als noodzakelijk tot behoud gepropageerd werd. Wat zij doen is niet besnijden, maar versnijden, zegt Paulus. Het zijn knoeiers met het mes, slagers die er maar op los snijden.
Vers 3 Laat u door die mensen niet van Christus aftrekken en op een dwaalspoor brengen, zegt Paulus. Wij hebben de besnijdenis die de Judaïsten propageren, niet nodig. Want WIJ zijn de besnijdenis. D.w.z. wij zijn het echte volk van God, die God dienen door de Geest van God en die roemen in Jezus Christus en niet op vlees vertrouwen.
Dat laatste deden de Judaïsten nu juist wel: zij vertrouwden op het vlees. Vlees is in de bijbel alles wat binnen het bereik van de mens ligt. Het is alles wat hij zelf heeft en zelf kan presteren. Daar lag bij de Judaïsten de nadruk op: op hun afstamming, hun besnijdenis e.d.
Vers 4-6
Als er iemand is die zich in dat opzicht hoog kan noteren, ben ik het wel, zegt Paulus.
Ik sta wat dat betreft boven aan de ladder. Mijn besnijdenis en mijn afstamming zijn O.K. Mijn stamboek is van het zuiverste water. Bovendien was ik lid van de vooraanstaande en nauwgezette partij van de Farizeeën.
En ik was een goed lid ook: ik was onberispelijk. En ik was ook een fanatiek lid: ik heb de gemeente vervolgd.
Vers 7
In de tijd voor zijn bekering beschouwde Paulus dat alles als een winstgevende zaak.
Hij dacht dat het hem heel wat zou opleveren.
Maar hij heeft het allemaal leren zien als schade en verlies. Hij is tot het inzicht gekomen dat hij er een strop aan zou hebben.
Tot dat inzicht is hij niet gekomen uit zichzelf, maar door Christus.