GERECHTIGD ZIJN tot brood en wijn
1971-11-05
Als gezegd: de reformatorische kerken hebben nog al wat verschillende inzichten gehad ten aanzien van brood en wijn. Drie reformatoren, drie sacramentsopvattingen, drie kerkrichtingen. En bij drie uiteenlopende opvattingen kunnen er twee, maximaal zelfs drie het mis hebben. Dat is een gevaarlijke zaak. Want neem nu de uitwerking van die opvattingen in het verlenen van toegang tot het sacrament.- Jaargang 15
- nummer 30
De een leerde dat de ambtsdragers slechts hebben te nodigen; dat ieder zichzelf moest beproeven en dan eten en drinken. De ander leerde dat de ambtsdragers op wacht moeten staan om ieder te weren, die door leer of leven aanstoot geeft. Voelt u welke moeilijkheden op u afstormen? In het eerste geval: dat de tafel des Heeren ontheiligd wordt, om met Paulus te spreken, omdat die zowel gebruikt wordt om het geloof te versterken als ook om het ongeloof te voeden. De ander evenwel maakt de zaak niets gemakkelijker.
Wie maakt uit wat aanstotelijk is? Wat vandaag aanstotelijk wordt geacht, was dat gisteren ook aanstotelijk? Zal dat morgen ook nog aanstotelijk zijn? En ... stel u voor dat Iemand, die met tollenaars en zondaren verkeert, zonder aanstoot te geven door het leven zou kunnen gaan. Waar liggen de grenzen van ons oordeel?
In onze kerken is de praktijk zo geworden, dat ieder gemeentelid, dat openbare geloofsbelijdenis heeft afgelegd, wordt geacht "gerechtigd" te zijn tot het avondmaal, tot het tegendeel blijkt. Dat "gerechtigd" is al een kwaad woord. Want wie verleent dat recht, wanneer de Heiland ons de opdracht al verleend heeft? Zeker, we zijn daar sterk in: in dat bazen. Ook tot de doop wordt veelal zo het een en ander overwogen, vooral wanneer het een eersteling betreft, alvorens het sacrament "verleend" wordt. Maar terug naar het avondmaal.
Kerkt zulk een "gerechtigde" nu eens buiten zijn eigen gemeente (wat met onze gemakkelijke verplaatsbaarheid, vrije weekends, uitvliegende kinderen en zo voort, nog al eens voor de hand ligt) dan wordt meestal in die gastgevende gemeente naar een bewijs van goed gedrag gevraagd, alvorens men hem aan brood en wijn toelaat.
Wilt u daar even over nadenken? Wij mensen schrijven elkaar een pasje voor om aan de tafel des Heeren aan te zitten. Een bewijs van een blanco schuldenregister - voor elke gelovige zondaar een paradoxale paskwil.
Overigens wat zich op vreemde bodem al mocht hebben afgespeeld tussen de datum van het uitschrijven en die van het indienen van dit briefje ... laten we even buiten beschouwing.
Waar het over gaat is: welke waarde heeft dit document eigenlijk? Deze: houder dezes zit vol zonden, maar we hebben hem niet openlijk kunnen grijpen.
Een gast staat toch niet onder toezicht van de plaatselijke ambtsdragers? Ligt toch niet voor rekening van de plaatselijke gemeente?
Hij staat of valt zijn eigen Heer. Is hij - want daar draait alles om - in zijn eigen gemeente afgehouden van het avondmaal ... dan staat toch geen vreemde kerkeraad verantwoordelijk voor zijn stroperij? U denkt toch niet, dat zulk een huichelaar waarachtige geloofsversterking ontvangt in een zo begeerde maar verboden tafelgemeenschap?
Of dacht u dat artikel 61 van de kerkenorde hier het laatste woord over spreekt?
Heel dat "toelaten" en "afhouden" zou teruggevoerd moeten worden tot de Schriftuurlijke oorsprongen. Leeft iemand werkelijk in onbekeerlijkheid en wil hij niet naar vermanende broeders luisteren - dan hebben wij hem niet slechts van het avondmaal maar zelfs uit onze vriendenkring te weren, zegt de Schrift. Maar aan de andere kant zegt de Schrift, dat "al degenen die alzo gezind zijn" als het eerste deel van het formulier stipuleert, door God gewisselijk in genade zullen worden aangenomen. "En wie zijn wij" - zo onderbrak vandaag onze voorganger op heilzame wijze de voorlezing van het avondmaalsformulier - "dat wij iemand zouden weren, als God hem in genade aanneemt?"
Daar hebt u het. Een vorige maal zei een gastpredikant: "ik zie hier zo veel onbekende gezichten, dat zullen wel gasten zijn. De Hee, re roept u aan tafel en er is plaats genoeg.
Misschien is dat nog niet het inzicht van de kerkeraad - maar wel de bedoeling van de Heer der kerk". - Een paar ambtsdragers schoten in de lach. Het was hun uit het hart gegrepen, als ik het goed verstaan heb. Maar zeg nu niet dat zulk een predikant verder ging dan hem als gast zou passen; per saldo zijn ambtsdragers, gemeenteleden en predikanten allen tesamen gasten in het huis des Heeren. En wie daar spreekt spreke woorden als van God. Welnu.
Destijds leerde ons een predikant: het sacrament is alleen de illustratie bij het Woord. Wat we verstaan krijgen we te zien ook. Vanwege onze "grovigheid en zwakheid"
wordt de boodschap zowel hoorbaar als zichtbaar overgebracht. Als we onze oren niet zouden geloven mogen we op onze ogen vertrouwen. Zoals de prediking er is om onze oren te gebruiken, zo is er het sacrament om ons onder ogen te worden gebracht. En zelfs de blinde en doofstomme kan niet meer twijfelen, wanneer hem brood en wijn in de hand worden gegeven.
Dan kunnen we elkaar ook niet weren ... wanneer eens het oude formulier achterwege zou blijven. De nodiging van de Heiland is niet gebonden aan een menselijk ceremonieel.
Het gebod "doet dat" van de Heer heeft geen machtiging van menselijke formulieren nodig. Dat formulier, hoe goed oorspronkelijk ook bedoeld, kan voor mensen van deze tijd zelfs een hinderlijk obstakel worden op de weg des levens. En als we elkander diets maken dat het avondmaal zónder dat formulier (respectievelijk met een ander formulier, of ingeleid door enkele passende catechismusgedeelten of een betrekkelijk artikel uit onze geloofsbelijdenis) dat het avondmaal dan geen echt avondmaal zou zijn ... nu, dan zitten we weer midden in de misère uit de tijd van de vrijmaking. Ook toen werd openlijk gesproken over een volle doop en een niet-volle doop. Zo zou thans onderscheiden worden tussen een waarachtig en een niet-waarachtig avondmaal. Maar één ding: wat de Heere ons simpel gebiedt. krijgt geen waarde of onwaarde door onze menselijke inkleding.
Er zijn kerken, die in de morgendienst en opnieuw in de middagdienst het gehele en onverkorte avondmaalsformulier lezen. Een veelheid van belangrijke woorden - om koud bij te blijven. Er zijn ook kerken, die in de morgendienst het hele formulier lezen - maar in de middagdienst alleen het laatste deel ervan, of enkele vragen uit Zondag 28, 29 of art. 35 van de NGB. Er zijn kerken onder ons, die het gemoderniseerde en verkorte formulier uit de gebonden gereformeerde kerken gebruiken, een stuk. dat de beste delen van het oorspronkelijke heeft aangehouden. Er zijn kerken ... die alleen de verzen van de inzetting van het avondmaal uit de Schrift voorlezen.
Al deze opvattingen zijn mogelijk. Laten wij elkaar die ruimte toestaan. Een ieder zie niet slechts op het zijne, maar ook op wat van een ander is. De hoofdzaak is niet dat we de juiste formulering uitstukken, of dat we een gezamenlijke biecht, penitentie en absolutie ondergaan, teneinde ons "gerechtigd"
te weten om aan te zitten. De hoofdzaak zal wel deze zijn: dat wij ons onwaardig achten tot Gods genade; maar niet zonder die genade leven kunnen; en daarom belijden: Heer, ik geloof - kom mijn ongelovigheid te hulp!
Tot slot nog een opmerking als het mag.
Zou het niet kostelijk zijn als we ons in herinnering riepen: hoe de eerste leerlingen van onze Heer zijn opdracht hebben uitgevoerd?
Want wat we van de prille christenheid weten is dit: dat de gelovigen een dag van de week 's morgens vroeg voor de dageraad samenkwamen, om hun Heiland lof toe te zingen; en dat zij 's avonds een liefdemaaltijd hielden, welke steevast eindigde met een rondgang van brood en wijn: het gedachtenismaal.
Stel u voor: elke zondagavond brood en wijn en gemeenschap der heiligen. Om warm van te worden. Al die broeders en zusters, die het 's morgens bij elkaar uithielden onder de Woordverkondiging... zouden 's avonds met elkaar de beker drinken, het brood breken, zich één weten met Christus!
Wat een overvloedige geloofsversterking.
Wat zou er veel gaan gebeuren. Wat een daden in plaats van woorden. Wat een beleven in stede van beleren. Wat zou het veel gemakkelijker worden: die broeders en zusters met hun accenten, hun vreemde manieren, hun diverse smaken en opvattingen, hun kortzichtigheden, hun kleur en hun haarsoorten in de Heer te verdragen; ze te dragen; ze op te dragen voor Gods troon; in hen hun Heiland te herkennen, die hen geheiligd heeft!
Wat zou het gemeenteleven er wel bij varen.
Wat zouden wij begerig zijn naar die éne Woorddienst die er per week over zou blijven. Wat zouden we goed het Evangelie leren verstaan: dat we alleen van genade kunnen leven en sterven. Wat zou het onder ons verrukkelijk worden: leven van genadebrood, elke week. En, overmits een mens bij brood alleen niet zal leven: ook nog drinken van de wijn, die het hart verheugt!
En wat denkt u: zou er geen licht van de kerk afstralen in een duistere wereld? Zou dat niet door velen opgemerkt worden: die wondere gemeenschap met de Heiland. die deze beroerde wereld heeft overwonnen?
Zou daar geen zuiverende kracht van de kerk uitgaan, wanneer al onze persoonlijke gebeden door de Geest gebundeld werden tot één wereldgenezend gebed? Zouden daar van de kerk, van Christus' plaatselijke gemeenten, geen zeer heerlijke dingen gezegd worden?
Zouden daar niet op elke gelovige vijf, zes, zeven mensen uit de ondergaande wereld komen aanlopen met de vraag: mogen wij met u meereizen, want uw God is onze God?
Welnu, tot al deze dingen heeft de Heiland ons gerechtigd.