De brief van Paulus aan de Filippenzen

1971-11-12
  • Jaargang 15
  • nummer 31
Vers 8

Toen Christus eenmaal in mijn leven gekomen was, ben ik alles in het juiste licht gaan zien, gaat Paulus verder.
Christus leren kennen, keert alle waarden om. Als Hij levensgroot voor je staat, wordt alles wat jezelf hebt en tot stand brengt en alles waar je je leven en toekomst op bouwt en fundeert, waardeloos. Dat is dan niet meer dan vuilnis en drek, goed voor de mestvaalt.
Dat kan gelden voor alles wat we zelf hebben en tot stand brengen. Het kan gelden van onze positie die we door hard ploeteren bereikt hebben, maar ook van ons gezin, onze kinderen. Het kan ook gelden van onze activiteiten op maatschappelijk en kerkelijk gebied, die ons een zeker aanzien, een aureool, verschaft hebben. Als we ons in dat alles koesteren, als we ons lekker bruin laten bakken in de zonnestralen van die waardering en dat aanzien en die prestaties, komen ze tussen ons en Christus in te staan.
Dan staat Hij nog niet levensgroot voor ons.
Dan leven we niet voor Hem maar voor onszelf.
Maar het moet om Christus gaan. Hij is de enige die ons leven winstgevend maakt.
Hij torent boven alles uit. En als we ons leven op die andere dingen bouwen, is het met dat alles goed voor de mestvaalt.
Paulus zegt: Alles wat mijn leven glans gaf, alles waar ik mijn heil in zocht, heb ik van mij afgeschud en overboord gegooid om Christus te winnen.
Er moet nl. gekozen worden. Het is óf het een óf het ander. Het is onmogelijk je leven te bouwen op je eigen prestaties èn op Christus. Als Christus niet alles voor je is, is Hij niets voor je. Christus kan niet voor 50 of voor 80 of voor 90% het fundament van je leven zijn.

Vers 9

Paulus heeft Christus leren zien. Ineens stond Hij voor hem. En toen zag Paulus het in een flits: alles wat ik tot nu toe deed, heel mijn vrome godsdienstigheid en al mijn ploeteren en zwoegen voor eigen gerechtigheid, is waardeloos. Het lijkt allemaal heel wat. En de mensen keken wel hoog tegen me op. Maar het is niets. Ik kom er geen stap verder mee. Toen heeft Paulus de gerechtigheid uit de wet losgelaten en laten schieten en hij heeft Christus aangegrepen om door Hém gerechtvaardigd te worden, vrijspraak te ontvangen en zo met God op goede voet te staan. Die goede verhouding met God is
niet het resultaat van eigen ploeteren. Die bereik je niet door er hard voor te werken.
Die komt er alleen door het geloof. Door Christus te aanvaarden en je restloos aan Hem over te geven.

Vers 10, 11

Op die manier leer je Christus kennen. Je leert Christus niet kennen uit een leerboekje.
Je leert Hem niet kennen door alle weetjes die je over Hem te weten kunt komen, bij elkaar te zetten en in je hoofd te stampen.
Als je dat doet, garandeert dat nog niet dat je Hem KENT, evenmin als kennis van psychologische handboeken garandeert dat iemand nu ook echte mensenkennis bezit.
Christus leer je alleen maar kennen door je aan Hem over te geven in geloof, door al je eigen schepen achter je te verbranden en het met Hem alleen te wagen. Wie dat doet, is met Hem gestorven en opgestaan. Hij deelt in Christus' lijden en opstanding.

Vers 12-14

Zo in Christus geloven is echter geen passieve zaak. Het betekent niet: met je handen over elkaar blijven zitten. Dat wordt wel beweerd van de kant van hen die hun eigen gerechtigheid proberen op te bouwen. Zij komen altijd aandragen met het verwijt dat de eis "geloof alleen" tot een zorgeloos leven leidt.
Maar dat is niet waar, zegt Paulus. Wie Christus heeft leren kennen, laat het er verder niet bij zitten. Hij gaat niet op zijn lauweren rusten. Hij gaat zich niet gedragen als een arrivéé. Het is precies omgekeerd. Hij leeft nu voor Christus. Hij kent geen andere hartstocht meer dan Christus. Het gaat hem er nu om in heel zijn leven te doen wat Christus vraagt. Daar jaagt hij naar. Dat probeert hij te grijpen uit alle macht.
Maar hij heeft een heel ander uitgangspunt dan zij die menen dat ze hun eigen gerechtigheid opbouwen. Ik probeer het te grijpen, omdat ik zelf al gegrepen ben, zegt Paulus. Dat is het geheim van het christelijke leven: het is een gegrepen leven. Christus heeft zijn hand uitgestrekt en ons vastgepakt.
Daarmee is alles gezegd. Wij zijn gegrepen.
Christus heeft ons in zijn greep. Juist omdat we in de greep van Christus zijn, doen we alles voor Hem. Hebt u wel eens iemand ontmoet die in de greep van iets gekomen is?
Van drank of van verdovende middelen? Zo iemand doet alles en stelt alles in het werk om er aan te komen. Hij heeft er alles voor over en wil wel van alles afstand doen om dat snul maar te krijgen. Wie door Christus gegrepen is, stelt alles in het werk om Hem te dienen.
Paulus gebruikt het beeld van een hardloper bij athletiekwedstrijden. Die kan zich niet veroorloven bij de startblokken te blijven staan of halverwege te gaan zitten in het gras naast de sintelbaan. Hij kan zelfs niet telkens achterom kijken. Want dat vertraagt zijn gang en dan verspeelt hij de prijs. Zo is het ook in het christelijke leven. Wie in de startblokken blijft staan, komt er niet. Wie achterom blijft kijken, komt te laat.

Vers 15, 16

Laten wij allen die volmaakt zijn, zo gezind zijn, zegt Paulus, Wij die volmaakt zijn.
Is dat niet in strijd met vers 12, waar Paulus van zichzelf zegt dat hij zich niet inbeeldt al volmaakt te zijn? Neen. We komen deze manier van spreken telkens tegen. We zijn met Christus gestorven, maar juist daarom moeten we onze leden op aarde nog steeds doden.
We zijn in Christus volmaakt, maar juist daarom moeten we steeds jagen naar de volmaaktheid. Dat moet het beeld zijn van het christelijke leven en van een christelijke gemeente. Het moet een gemeente zijn in beweging, een gemeente op mars.
Er zijn altijd wel dingen waarover christenen van inzicht verschillen. Maar dat mag niet leiden tot stilstand. We moeten verder, steeds verder. Een christelijk leven en een gemeente die verstarren en zich laten bevriezen in een eenmaal bereikte positie, verspelen de prijs. Zodra de gedachte gaat postvatten: nu zijn we waar we wezen moeten, is alles verloren. Een gemeente die zich laat ophouden door de spinnewebben van tradities, die maar achterom blijft kijken en maar terugverlangt naar de toestand zoals het vroeger was, heeft de prijs verspeelt. We moeten verder! Juist omdat we door Christus gegrepen zijn, kunnen we niet anders dan er naar jagen het te grijpen. Een christelijk leven dat stilstaat en een gemeente die het jagen niet meer kent, bewijzen door hun stilstand niet gegrepen te zijn.

Vers 17

Wie zijn spieren niet gebruikt, wordt stram en stijf. Daarom is bewering, ook voor een gemeente, zo belangrijk. Maar het moet natuurlijk geen beweging in het wilde weg zijn. Want niet elke beweging is goede beweging.
De richting waarheen een gemeente zich beweegt, is uitermate belangrijk.
Daarom zegt Paulus: weest mijn navolgers.
Kom achter mij aan, want ik ga de goede kant uit. Ik ben op weg naar de prijs. Daar jaag ik naar. Volg mij nu maar, want dat is de goede richting. Trek met mij mee en met allen die dezelfde richting insloegen.
Vers 18 Er zijn ook anderen. Velen zelfs. Zij bewegen zich wel. Ze zijn wel in beweging, maar hun richting is verkeerd. Ze gaan totaal de verkeerde kant uit. Ze gaan tegen het kruis van Christus in en zijn dan ook vijanden van Christus' kruis. Hun verkeerde richting is niets anders dan verzet tegen het kruis en tegen de genade van God.

Vers 19

Zij komen dan ook niet uit bij de prijs.
Hun valt geen prijs ten deel, maar het verderf

We moeten deze woorden van Paulus laten staan. Er zijn wel niet zoveel mensen meer die er geloof aan hechten, maar het verderf is toch een realiteit. Wie tegen het kruis van Christus ingaat, diens einde is het verderf. Daar loopt het voor hem op uit.
Wanneer is iemand een vijand van Christus' kruis? Paulus denkt duidelijk aan de Judaïsten met hun eis tot onthouding van bepaalde spijzen en hun eis van de besnijdenis.
Ze stellen hun eer in hun schande. We kunnen deze woorden ook anders vertalen: ze stellen hun eer in hun schaamdeel. Dat deden de Judaïsten. Paulus denkt hier speciaal aan hen.
Maar zijn formulering is zodanig, dat niet alleen de Judaïsten erdoor geraakt worden.
Hun God is hun buik - daar kun je ook vandaag wat van zien: al dat vreten en snoepe.
Dat is een brok verslaving, een stuk religie. En de snack-bars zijn de tempels van deze religie.
Hun eer stellen ze in hun schande (schaamdeel) - ook dat kennen we vandaag: de sex om de sex, pornografie, het zgn. functionele bloot van stukken als "Oh Calcutta". Ook sex is een religie.
Ze zijn aardsgezind - ook dat is vandaag overheersend. We leven in een tijd van secularisatie en horizontalisme. Er bestaat niets anders meer dan de aarde en dit leven en daarmee uit.
Paulus zegt: wie van dit hondje gebeten is, is een vijand van het kruis van Christus en zijn einde is het verderf.

Vers 20

Maar onze inspiratie, onze drijfveer behoort een andere oorsprong te hebben. Wij zijn burgers van het koninkrijk der hemelen.
Ons regeringscentrum, ons burgerschap is in de hemelen. Daar in de hemelen worden de wetten gemaakt waaraan wij gehoorzamen.
We zijn hier kolonisten van de hemel.
De Filippenzen wisten wat dat betekende.
Ze waren zelf romeinse kolonisten. Zoals Rome met zijn wetten hun leven in Filippi bepaalde en stempelde, zo bepaalt en stempelt het rijk in de hemelen ons leven op aarde.
Wat Paulus hier zegt, wil er ook niet meer in bij velen. Geloven is vrijheid, zegt men.
Geloven is zelf denken en beslissen. Tot zover kan men zich daarbij nog op de bijbel beroepen. Maar men gaat verder: geloven betekent dat je zelf moet uitmaken wat goed is, dat je zelf je eigen wet moet zijn. Geloven betekent dat je geen gezag meer boven je erkent.
Maar een dergelijke vrijheid is vijandschap tegen het kruis van Christus. Want er staat wel degelijk een gezag boven ons, zegt Paulus.
Er is wel degelijk een instantie die ons leven bepaalt en stempelt en die uitmaakt wat goed en kwaad is. Die instantie is ons regeringscentrum, de zetel van onze regering in de hemelen. , Dat maakt ons niet wereldvreemd. Het is niet zo dat we nu gaan zeggen: Waren we maar van de aarde verdwenen; waren we maar in de hemel, want hier op aarde is het niet! Neen, het is juist andersom. Wij verwachten niet naar de hemel te gaan. Wij trekken onze handen niet van de aarde terug.
Wij verwachten integendeel dat er Iemand uit de hemel naar ons toekomt om ons HIER op aarde te verlossen: Jezus Christus.

Vers 21

Dát is onze toekomstverwachting. Wij verwachten de verlossing van ons leven HIER op aarde, Dat leven hier verlossen kan de mens zelf niet. Hij verbeeldt het zich wel, telkens weer. Telkens weer breekt zich het idealisme en enthousiasme om dit leven te vernieuwen weer baan. Telkens weer opnieuw, na elke bittere teleurstelling weer.
Maar het lukt niet. Dit vernederde en ontluisterde lichaam, dit geschonden bestaan moet verlost, bevrijd, gered worden door Christus.
Hij is de enige die het kan en die de kracht ervoor bezit. Hij zal dit vernederde lichaam vernieuwen en het gelijkvormig maken aan zijn verheerlijkt lichaam. Hij zal dit geschonden bestaan herstellen en gaaf maken.

HOOFDSTUK 4

Vers 1

Dat is onze toekomstverwachting. Het is een toekomst die het de moeite waard maakt stand te houden en te volharden in het jagen naar de prijs. Vanwege deze toekomst denken we er niet over de kant te kiezen van horizontalisten en sex-maniakken en aardsgezinden.
Want hun toekomst is anders dan de onze: verderf en ondergang.

Vers 2

Paulus komt nu langzamerhand op het einde van de brief aan. Er volgen nu wat lossere opmerkingen.
U moet bij dit vers wel bedenken, dat Paulus' brief werd voorgelezen in de samenkomst van de gemeente. Dat was ook de bedoeling.
Paulus wist dat. En toch schrijft hij dit vers.

Veronderstel eens dat er twee broeders of twee zusters bij u in de gemeente met elkaar overhoop lagen en tegen elkaar ingingen en dat de predikant in een kerkdienst vanaf de kansel die broeders zou vermanen en zou zeggen: br. A. en br. B. moeten ophouden elkaar dwars te zitten en moeten eensgezind zijn in de Heer. Ik denk dat dan de hele gemeente op haar kop zou staan, met name die twee met naam en toenaam genoemde gemeenteleden.
Toch is dat precies wat Paulus doet. Hij vermaant Euodia en Syntyche publiek, ten aanhoren van allen.
Wij doen dat niet. Wij vermanen alleen onder vier ogen, ook als het publieke zaken betreft. Maar daardoor hebben we dan de kracht van de vermaning natuurlijk wel voor een belangrijk deel weggenomen.

Vers 3

Paulus' publieke vermaning is echter niet hardvochtig, maar vriendelijk. En hij wijst ook de gemeente op haar plicht, in het bijzonder één man. De vertaling van het NBG zegt: metgezel. Misschien is het ook mogelijk het griekse woord als eigennaam te laten staan: Syzygos. We weten niet meer wie dat was. In ieder geval was het iemand die bij Euodia en Syntiche een goede naam had.
Wanneer er in een gemeente dergelijke dingen plaatsvinden, mag de gemeente niet werkloos blijven toekijken. Dan moet er vanuit haar midden aan gewerkt worden dat het weer goed komt.
De vriendelijkheid van Paulus' vermaan blijkt ook uit de motivering van zijn verzoek om Euodia en Syntiche behulpzaam te zijn. Deze beide vrouwen hebben nl. samen met Paulus in de prediking van het evangelie gestreden, naast Clemens en de overige medearbeiders.
U moet u even goed realiseren, dat deze woorden geschreven werden door dezelfde man die aan de Corinthiërs schreef, dat de vrouwen in de gemeente moeten zwijgen. Op dat laatste is door ons altijd de volle nadruk gelegd. Gemakshalve vergeten we dan maar wat in deze tekst staat. Toch staat hier duidelijk, dat Paulus in de prediking van het evangelie in Filippi een groep helpers en medewerkers had, onder wie twee vrouwen.
En het is uit de tekst ook wel duidelijk dat de medewerking van deze twee vrouwen in de prediking niet alleen maar bestond uit het schenken van een kopje koffie. Het is wel eens goed dat op ons te laten inwerken. In Paulus' omgeving hebben vrouwen een rol gespeeld bij de prediking van het evangelie.
Een rol die niet alleen maar uit zwijgen bestond.
De namen van Paulus' medewerkers staan opgetekend in het boek des levens. Vermoedelijk denkt Paulus hier aan de woorden van Christus tot de zeventig die het evangelie van het koninkrijk gepredikt hadden en veel tekenen gedaan hadden. Christus zegt dan: Verheugt u niet hierover dat de geesten zich aan u onderwerpen, maar verheugt u dat uw namen staan opgetekend in de hemelen (Luc, 10 : 20). Dát is een reden tot verheugen.

Vers 4

Paulus zal wel aan deze woorden van Christus gedacht hebben, want ineens flitst het neonlicht in deze brief weer aan: Verblijdt u in de Heer en nog eens: verblijdt u, en dat nog wel: altijd.
Is dat niet wat overtrokken van Paulus?
Verheugt u altijd, d.w.z. ook als de dood je man of vrouw of je kind wegneemt? Ook als er problemen zijn met je kinderen? Ook als je idealen stuk slaan en je leven in de druk is? ALTIJD?
Ja, altijd! En dat kan ook. Want je verblijden in de Heer is niet hetzelfde als plezier hebben of een vrolijke bui hebben. Plezier en vrolijkheid liggen aan de oppervlakte van het leven. Ze hebben geen diepgang en vervluchtigen en verdampen snel. Maar blijdschap in de Heer is een zaak van het hart. Dat heeft te maken met de vraag of Christus ALLES voor je is. HIJ is de bron van die blijdschap. En Hij wil er toch immers ALTIJD zijn in je leven!

Vers 5

Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend.
De vertaling vriendelijkheid is een tikkeltje eenzijdig. U moet meer denken aan mildheid, zachtmoedigheid.
Zo moeten wij bekend staan: als mensen die mild zijn in hun oordeel, als geschikte mensen en niet als bikkelharde doorzetters die met een verbeten gezicht op hun recht staan en die zonder scrupules, onverbiddelijk op hun doel af gaan. Zo moeten we niet bekend staan, als zulke keiharde mensen. Maar we moeten bekend staan als zachtmoedige mensen.
Die zachtmoedigheid en meegaandheid waarover Paulus spreekt, hebben niets te maken met karakterloosheid. Het is niet Paulus' bedoeling mensen zonder ruggegraat te kweken. Neen, die zachtmoedigheid komt voort uit de gezindheid van Christus. Ze heeft te maken met het feit dat Christus staat te komen. De Heer is nabij. Daarom omdat Hij komt en ons leven volop in de ruimte zal zetten - kunnen wij er nu van afzien met alle geweld ons eigen recht en ons eigen belang door te drukken.

Vers 6

Weest in geen ding bezorgd. Is dat tegen dovemansoren gezegd? Wij doen dat immers juist wel. Het zit ons gewoon in het bloed.
We zitten over van alles en nog wat in. We zijn bang dat dit verkeerd gaat en dat we rennen van het kastje naar de muur om alles waar we over in zitten, recht te buigen.
En 's avonds als wenaar bed gaan, blijft het malen in ons hoofd en slapen we er niet van.
Misschien nog wel het meest omdat alles niet gaat zoals WIJ willen en omdat WIJ geen kans zien alles rond te krijgen.
Paulus zegt: Doe dat nu niet. "Weest in geen ding bezorgd, maar legt alles, al uw wensen, in de handen van God.
Iemand vertelde me eens: 's avonds als ik ga slapen, zeg ik tot God: Here, ik heb de hele dag voor alles en nog wat gezorgd.
Maar ik wil niet bezorgd zijn en er niet in blijven rondtollen en er een slapeloze nacht van hebben. Hier hebt U het allemaal. Ik draag het aan U over en leg het in uw hand.
En nu ga ik slapen.
Bij hem waren Paulus' woorden niet tot dovemansoren gericht.

Vers 7

Als we zo alles in de handen van God leggen, zal de vrede van God onze harten en gedachten behoeden. Dan komt er rust en ontspanning in je hart. Dan raak je die verschrikkelijke spanning kwijt, dat leven op je zenuwen. Dan tollen je gedachten niet meer razend rond als in een mallemolen. Dan word je rustig en ontspannen.
Dat is een vrede die alle begrip te boven gaat. De mensen om je heen begrijpen er niets van. Ze zeggen tegen elkaar: Snap jij dat? Als ik in zulke omstandigheden verkeerde, zou ik het niet uithouden. Ik zou tegen de muur opvliegen. Maar kijk eens hoe rustig en ontspannen hij is.
Die vrede is geen doffe onverschilligheid.
Hij heeft niets te maken met wezenloze berusting of met een soort verdoving als van iemand die zwaar onder de medicijnen zit.
Neen, alles raakt je wel degelijk. Niets gaat langs je heen. Je bent er mee bezig. Maar het gaat zonder je krampachtigheid, ontspannen.
De vrede van God beschermt je.
Dat woord beschermen staat er terecht. Je eigen gezondheid wordt beschermd door die vrede van God. Want als je permanent in een kramphouding leeft, krijgt je gezondheid een lelijke knauw. En je wordt door die vrede ook beschermd tegen het doen van dwaze dingen. Een kat die in het nauw zit, doet rare sprongen. Dan gaat men van alles proberen. Hij zoekt dwaze oplossingen, domme oplossingen soms ook zondige oplossingen. Misschien wel mooi lijken, maar die je In feite alleen maar verder van huis brengen.
Maar als je de vrede van God kent word je daarvoor bewaard en er tegen beschermd.

Vers 8, 9

Paulus sluit dit gedeelte af met de vermaning dat ze hun aandacht moeten richten on alles wat de Here welgevallig is.
De Filippenzen wisten wel wat dat inhield.
Paulus had het hun indertijd geleerd en verteld en doorgegeven. Dat moeten ze in praktijk brengen.
Er wordt van bepaalde zijde wel eens beweerd dat christen-zijn geen zoden aan de dijk zet, dat je er niets mee doet in de wereld.
Maar wie werkelijk doet wat God vraagt en wat Hem welgevallig is, doet meer aan de genezing van het leven dan al die moderne wereld vernieuwers die zich vreselijk druk maken over mentaliteits- en structuurveranderingen, maar die tegelijkertijd het huwelijk maar een burgerlijke zaak vinden en rustig hun vrouwen kinderen in de steek la ten en die ook niet terugdeinzen voor geweld om hun eigen belang door te drukken. Wat deze mensen doen is even irreëel als het restaureren van een torenspits terwijl men tegelijkertijd het fundament ondergraaft.
Maar het in praktijk brengen van wat God zegt in je huwelijk, in je gezin in je werk, dát geneest het leven. En daarin is de God des vredes met je.

Vers 10

Paulus komt nog even weer terug op wat de Filippenzen voor hem tijdens zijn gevangenschap gedaan hebben. Ze hadden Epaphras gestuurd met een gave.
Paulus bedankt hen daar hartelijk voor.
Hun meeleven heeft hem erg veel goed gedaan.
Hij verblijdt zich daarover in de Heer.
D.w.z. Paulus bedankt er eigenlijk niet de Filippenzen voor, maar de Here. Ik dacht dat wij met onze gewoonte om stroop te smeren en mensen te verheerlijken van deze manier waarop Paulus de Filippenzen bedankt nog wel iets konden opsteken.

Vers 11

De reden waarom Paulus zich verblijdde over het meeleven van de Filippenzen, was niet dat hij zo'n gebrek leed en daarom die gave zo goed kon gebruiken. Dat speelt bij Paulus helemaal geen rol. Hij heeft geleerd tevreden te zijn met de uiterlijke omstandigheden waarin hij verkeert.

Vers 12

In dat opzicht heeft Paulus over afwisseling geen klagen gehad. Hij wist wat armoede is, maar ook wat overvloed is. Het ene moment had hij meer dan hij nodig had, het andere moment leed hij gebrek en honger.
Maar in al die omstandigheden heeft hij geleerd tevreden te zijn. Dat heeft hij geleerd.
Die tevredenheid was geen kwaliteit die hij uit zichzelf bezat. Dat is trouwens bij geen mens het geval. In het algemeen is het zo dat de ontevredenheid groeit als men het slecht heeft en honger moet lijden. Dan gaat men mopperen en klagen en schelden, Maar als men overvloed heeft, wordt men kieskeurig en veeleisend. M.a.w. ook dan is men ontevreden.
We zien het in onze tijd. Het is een tijd van overvloed. Maar is men tevreden met wat men krijgt? Neen, de ontevredenheid is groot. En men eist en eist en eist.

Vers 13

Tevredenheid, genoeg hebben aan wat je hebt en krijgt, is niet iets dat de mens erg ligt. Je kunt het alleen leren door de kracht van God. Alleen als Hij je leven binnengekomen is met zijn kracht, kun je het. Want dan is HIJ er immers.

Vers 14

Dan kun je ook blij zijn met extraatjes.
Dat zijn dan nl. geen vanzelfsprekendheden waar ie recht op hebt, maar gaven van God.
En als zodanig heeft Paulus de hulp van de Filippenzen ook zeer gewaardeerd.

Vers 15-18

Dat was trouwens niet de eerste maal dat de Filippenzen Paulus hielpen. Het is verschillende malen gebeurd. Ze leefden erg met hem mee. En dat doet hem goed. Maar toch gaat het Paulus niet om het krijgen of het hebben. Hij is niet als een kind dat zegt: Dat is een leuke meneer, want daar krijg ik altijd wat van. Hij stelt zijn eigenbelang niet voorop. Hij is blij met het meeleven van de Filippenzen, niet omdat HIJ daardoor er wat beter aan toe is, maar omdat het voor HENZELF vrucht zal afwerpen. Hun hulp aan Paulus groeit als een tegoed op hun eigen rekening. Want het is een offer aan God. En zulke offers behagen Hem. Hij zal ze belonen.

Vers 19

Wie geeft, aan die zal gegeven worden.
God zal in al hun behoeften voorzien naar zijn rijkdom. Dat mag Paulus de Filippenzen beloven, gezien hun houding.

Vers 20

En zo'n God is het waard geprezen te worden.

Vers 21

En zo is Paulus dan aan het eind van zijn brief gekomen. Hij sluit af met de groeten van hemzelf, van de broeders die bij hem zijn, d.w.z. zijn medewerkers, en van de gelovigen in Rome, met name de christenen onder het personeel van het keizerlijke huishouden.
Er kwamen in deze brief nogal wat persoonlijke zaken aan de orde. Er is geen sprake van een theologische verhandeling. Het is een echte brief, afgestemd op de omstandigheden.
Toch is hij ook voor ons actueel en van levensbelang. Want door alles heen loopt één rode draad: Laat Christus alles zijn in je leven. Daar komt het op aan. Alleen als dat zo is, is het mogelijk de levenshouding waarover Paulus schrijft, in praktijk te brengen.
Dat kan alleen als Hij alles voor je is, als je door Hem gegrepen bent.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief