Suriname:

2013-07-13
  • Jaargang 57
  • nummer 14
Klaas Harink, directeur van zending- en hulpverleningsorganisatie De Verre Naasten, werkte in de jaren negentig acht jaar lang in Suriname. Daar besefte hij hoe groot 150 jaar na de afschaffing de impact van het slavernijverleden nog is.
Hij vraagt zich af of het ook ons als Nederlandse christenen anno 2013 nog iets te zeggen heeft.

Toen Harink eens over een rivier in Suriname voer, vertelde een reisgenoot: ‘Daar kwamen de schepen met slaven vandaan. En daar gingen ze heen. Op naar de slavenmarkt in Paramaribo, om gekeurd en verhandeld te worden als beesten. Mijn betovergrootvader was één van hen.’ ‘Dat doet wat met je’, zegt Harink. ‘Ik kreeg het er koud van. 150 jaar na de afschaffing van de slavernij is Suriname er nog steeds niet los van.’

Toen hij naar Suriname vertrok, was Harink zich niet heel erg bewust van het verschrikkelijke verleden en de rol die Nederland daarin gespeeld heeft . Maar de impact van het slavernijverleden op de huidige Surinaamse samenleving werd hem tijdens zijn verblijf steeds meer duidelijk.
Allereerst weerspiegelt de huidige bevolkingssamenstelling dat verleden.
Suriname heeft slechts 500.000 inwoners, maar kent een grote etnische diversiteit. Zo zijn er de oorspronkelijke Indianen en natuurlijk de Creolen, de afstammelingen van tot slaaf gemaakte Afrikanen. En toen er na de afschaffing van slavernij geen mensen meer waren om op het land en de plantages te werken, werden er contractarbeiders uit India gehaald.
Alle afstammelingen van deze bevolkingsgroepen houden stevig vast aan hun eigen achtergrond. Ze hebben hun eigen politieke partij, hun eigen radiozender, hun eigen scholen. Suriname is daardoor een heel verzuilde maatschappij.
Ook in sociaal-cultureel opzicht stempelt het verleden de Surinaamse samenleving, vertelt Harink. Veel mannen nemen hun rol als echtgenoot niet serieus. Ze houden er zogenoemde buitenvrouwen op na en zijn geen vader voor hun kinderen. Deze houding is een erfenis van de periode dat ze als slaaf niet getrouwd mochten zijn, dat man en vrouw van elkaar gescheiden werden en vrouwen de kinderen opvoedden.
‘Als ik niet in Suriname had gewoond, zou ik hier nooit bij stilgestaan hebben’, zegt Harink.‘Nederlandse christenen worden er niet graag aan herinnerd dat het onze voorouders waren die hun Afrikaanse medemens gevangen zetten in de bedompte kelder van fort Elmina, aan de Ghanese kust. Terwijl in de verte de boten al aan kwamen varen om hun gevangenen als slaaf naar Zuid-Amerika te vervoeren, hielden de blanken in hetzelfde fort in een mooie koele ruimte een kerkdienst. Psalmen zingen terwijl je het gekreun van de slaven uit de kelder hoort komen: onvoorstelbaar wat wij als christenen met de hand op de Bijbel gedaan hebben.’
Is het gewenst dat Nederlandse christenen boete doen? Harink: ‘Vergeving vragen en ontvangen is heel christelijk en werkt reinigend en bevrijdend.
Ik heb in de jaren negentig zelf nooit van Surinaamse broers en zussen in Christus vernomen dat zij hier behoeft e aan hadden. Maar als dat wel zo is en als dat hun iets van verlichting en bevrijding kan geven van het vreselijke verleden, dan is het goed dat het gebeurt. We zullen ons als Nederlanders dan wel eerst moeten verdiepen in achtergronden van de slavernij. Ik heb het idee dat veel Nederlanders niet verder zijn gekomen dan het lezen van De
negerhut van oom Tom.’

Hernhutters
Bijzonder is dat van de verschillende etnische groepen in Suriname de Creolen, de afstammelingen van de slaven, voor het overgrote deel christen zijn: maar liefst 94 procent.
‘Dat cijfer laat zien hoe mensen juist in verdrukking God vinden, iets wat bijvoorbeeld ook gebeurde in het communistische China en nu in veel Arabische landen’, zegt Klaas Harink.
Het is overigens ondanks – niet dankzij – de Nederlandse christenen dat de Creolen tot geloof kwamen. Het waren de Duitse Hernhutters die het Evangelie onder de slaven brachten. ‘Geweldig wat zij deden’, zegt Harink.
‘Vanuit hun werk is de Evangelische Broedergemeente ontstaan, één van de grootste kerkgenootschappen in Suriname. Maar voor ons is het wel beschamend en confronterend: de Duitse, meer evangelische groeperingen moesten het Evangelie verkondigen aan de slaven van de calvinistische Nederlanders.’ Een groot voordeel was dat de Hernhutters geen theologen waren, maar gewone handwerklieden die vanuit hun geloof gemotiveerd waren om in onze Surinaamse samenleving hun bijdrage te leveren.
Die benadering spreekt Harink aan: ‘Woord en daad gaan altijd hand in hand. We zien het als zendingsorganisatie ook niet meer als onze taak om bijvoorbeeld een kerkplanter naar Suriname te sturen. Er zijn daar, zoals gezegd, al kerken. De Verre Naasten kiest ervoor om in zijn werk aan te sluiten bij bestaande kerken en projecten binnen de cultuur en context van het betreffende land.
In Suriname steunen we momenteel twee projecten: radio Shalom, een christelijk radiostation dat uitzendt onder de Marrons, de van oorsprong gevluchte slaven die in de bossen zijn gaan wonen, en een theologische school, die vanuit verschillende kerkelijke achtergronden is opgezet. Vanuit de opleiding is de vraag gekomen om jaarlijks een Nederlandse docent een serie lessen te laten verzorgen. Onder andere professor Van Bruggen heeft dat vanuit de Theologische Universiteit in Kampen vele jaren gedaan.’

Kriol
‘Een prachtig en actueel voorbeeld van zendingswerk in dit verband las ik overigens in een nieuwsbrief over bijbelvertaalwerk’, vertelt Harink verder.
‘In Belize is vorige maand het Nieuwe Testament in het Kriol uitgekomen, de taal van voormalig slaven.’ Bisschop Philip Wright van de Anglicaanse Kerk in Belize zei daarover: ‘Wat een opmerkelijke demonstratie van de goedheid en genade van God, dat de taal van de slaven die deze plaats van aanbidding bouwden, nu tot uiting komt op een manier als nooit tevoren. Een taal die vroeger werd gebruikt om een groep te onderscheiden en uit te sluiten, zal nu worden gebruikt om ons volk te verenigen op een prachtige en unieke manier.’

Inger Hoegee-Bout is freelance journalist.


Echte vrijheid
Carl Breeveld is Surinaams politicus en theoloog. Hij onderstreept uit eigen ervaring de waarneming van Harink dat het slavernijverleden Suriname nog steeds stempelt. ‘Voor veel mensen is 150 jaar een lange tijd. Waarom zouden wij de slavernij na zo veel jaar nog gedenken?
Maar voor veel Surinamers is de slavernij nog dichtbij. De oude verhalen leven nog.’ Hoe goed boetedoening kan zijn, beschrijft Breeveld: ‘In een stampvolle Grote Stadskerk op 1 juli 2008 in Suriname beleed Gideon Ahuno, een theoloog uit Ghana, als nakomeling van zijn voorouders, schuld voor de verkoop van eigen “broeders” aan de Nederlanders die hen opkochten en tot slaaf maakten.’ Ook van belang is wat Breeveld schrijft over werkelijke vrijheid: ‘Op 1 juli 1863, de dag waarop slavernij officieel werd afgeschaft , was in dezelfde Grote Stadskerk de preektekst: “Als de Zoon u vrijmaakt, zult u echt vrij zijn” (Johannes 8:36). Die tekst is mijn persoonlijke houvast geworden om vrij te komen van haat en bitterheid. Overigens behoorde die tekst niet slechts te gelden voor de vrijgekomen Surinamers, maar ook voor hen die deze groep tot slaaf gemaakt hadden. Ook zij hebben bevrijding nodig van alle wandaden.’
(Bronnen: voorwoord in een uitgave van het Zendingsgenootschap van de Evangelische Broedergemeenschap in Nederland en Suriname: Meer dan een ex-kolonie, uit Zending Nu, december 2007.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief