de vervolging van de duitse evangelische kerk (1933-1945)
1971-11-26
• INLEIDING - Jaargang 15
- nummer 33
Onder invloed van marxistische historici wordt vaak de opkomst van het nationaalsocialisme in verband gebracht met het kapitalisme.
Men wijst op de verschrikkelijke gevolgen van de wereldcrisis, vooral in Duitsland.
Door die crisis werden velen in de armen van HitIer gedreven. Ook is het een onloochenbaar feit, dat de groeiende nazi-beweging in de jaren voor 1933 achter de schermen veel steun, vooral financiële, heeft gekregen van grote industriëlen, waardoor Hitler de staatsmacht langs semi-legale weg kon veroveren. Het is bovendien zo, dat de maatregelen tegen de Joden in Duitsland economische achtergronden hadden: afgunst en jaloezie jegens mensen die vaak in de handel en het bankwezen belangrijke posities hadden gekregen.
Niemand zal ontkennen, dat belangrijke sociaal-economische omstandigheden de opkomst van het nationaal-socialisme en de vestiging van de Hitler-dictatuur in de hand hebben gewerkt. Toch doet Dien de historie geweld aan, als men daarnaast geen aandacht schenkt aan de geestelijke achtergronden.
Het is voor een christen onmogelijk de nationaal-socialistische beweging enkel en alleen te zien als een "produkt" van sociaal-economische factoren. Evenmin is het mogellik de barbarij van het nazisme volledig te verklaren uit de noodzaak tot handhaving van bepaalde eigendomsverhoudingen. De bijbel leert ons duidelijk, dat de wortel van het kwaad ligt in het menselijk hart. Houdt men met deze "factor" geen rekening dan zal men niet of onvoldoende oog hebben voor het demonische in de nazi-ideologie.
Dit demonische komt vooral sterk tot uiting in de nazivervolging van de kerken.
Graàg wil ik daarom enige opmerkingen maken over de vervolging van de Duitse Evangelische Kerk.
• GEEN ALGEMEEN VERZET
We moeten er oog voor hebben, dat van een algemeen verzet van de Evangelische Kerk geen sprake is geweest. Daar was allereerst de beweging van de zogenaamde "Duitse Christenen". Hun leus was: Het hakenkruis op de borst, het Kruis in onze harten. Met groot enthousiasme hadden zij het aan de macht komen van Hitler begroet. Nu begon een nieuwe tijd, niet alleen voor de staat maar ook voor de kerk. Hun doel was één Duitse evangelische rijkskerk, die Duitsland weer zou maken tot een christelijk Duitsland. "Christelijk" in deze zin, dat men niet uitging van de gekruisigde Christus maar van de "heroïsche" Jezus. Een "christendom" in overeenstemming met de geest van het nazisme, dat praktisch het gehele Oude Testament en grote stukken van het Nieuwe verwierp, opdat de kerk zou worden gezuiverd van "oosterse" invloeden. De "Duitse Christenen" verafgoodden, in de meest extreme vorm, natie en volk: Eén volk, één God, één rijk, één kerk!
Lijnrecht tegenover deze "Duitse Christenen" stonden de mensen v.an de "Belijdende Kerk", waarvan Martin Niemöller en Dietrich Bonhoeffer de bekendste representanten zijn geweest.
Zij verwierpen de gedachte dat naast het ene Woord van God er nog andere openbaringsbronnen van God zouden zijn, zoals bij voorbeeld de geschiedenis. Zij beleden dat Jezus Christus de Enige is naar Wie wij hebben te luisteren, op Wie wij in leven en sterven moeten vertrouwen. De christelijke gemeente is Zijn eigendom; zij leeft in de verwachting van Zijn komst. Het is begrijpelijk, dat men door deze belijdenis in conflict kwam met een regime, dat de totale mens voor zich opeiste.
De grote meerderheid van de predikanten en kerkleden behoorde echter noch tot de "Duitse Christenen", noch tot de "Belijdende Kerk". Deze meerderheid durfde of wilde zich niet duidelijk uitspreken tegen het nazisme. Ze vormde een middengroep, geleid door mensen die sterk patriottisch waren en vaak nog terugverlangden naar de Keizertijd, de tijd vóór 1918. Zij zagen Hitler als de door God gezondene, de man die orde op zaken had gesteld in Duitsland. Die het land beschermde tegen het communistische gevaar.
Is er zo van een uniforme gedragslijn jegens het nazisme in de Evangelische Kerk geen sprake, binnen de N.S.D.A.P. was er geen eensgezind standpunt ten opzichte van de kerken. Daaraan is het, naar de mens gesproken, te danken dat de vervolging van de kerken niet heviger is geweest.
• TEGENSTELLINGEN IN DE N.S.D.A.P.
Binnen de nazi-partij was een groep, die de invloed van het christelijk geloof in Duitsland volkomen wilde elimineren langs de weg van indoctrinatie. Rosenberg was van deze groep de voornaamste vertegenwoordiger. Hij predikte een nieuwe religie,- een nieuw heidendom.
Middelpunt van deze pseudo-religie was Adolf Hitler. Hij was de Heiland, Schepper en Verdediger van het nieuwe Duitsland!
De man die het land zou verlossen van de gevolgen van de economische crisis, die de schande van Versailles zou uitwissen en het Duitse volk zou leiden naar het beloofde land. In schoolboekjes werd Hitler vergeleken met Jezus. Zoals Jezus de mensen van zonde, dood en hel verloste, zo redde Hitler het Duitse volk van het verderf. Dit volk had de taak en opdracht de wortel van het kwaad uit te roeien. De Joden waren de oorzaak van alle ellende in de wereld. Waren zij vernietigd, dan zou het duizendjarig vrederijk van de Nazi's aanbreken. Christelijke symbolen, feestdagen en gebruiken moesten worden vervangen door nieuwe. In de plaats van de christelijke doop bij voorbeeld, kwam de "doop" volgens naziritus; bij altaren bedekt met hakenkruisvlaggen. Op zo'n altaar stond in het midden een portret van de Führer, met daarvoor een exemplaar- van "Mein Kampf".
Veel nazi-leiders konden echter het geduld niet opbrengen om jaren te wachten, totdat het christelijk geloof vervangen zou zijn door de nieuwe religie. Zij wilden de invloed van de kerken zo snel mogelijk te niet doen, door de kerken te beroven van hun geestelijke leiders en door onteigening van kerkelijke goederen. Deze "radicalen", zoals Martin Bormann, na 1943 Hitler's rechterhand, stonden tegenover meer "gematigden" zoals Hans Kerrl. Van 1935 tot 1941 was Kerrl rijksminister voor Kerkelijke Zaken.
Hij probeerde een synthese tot stand te brengen tussen nationaal-socialisme en christendom.
Daarom wilde hij geen vervolging van de kerken. Integendeel, hij probeerde de mensen te overtuigen dat er geen kloof gaapte tussen nazisme en christendom. Kerrl meende dat de steun van de kerken nodig was als Hitler zijn plannen, de vorming van een Groot-Duitsland, zou gaan uitvoeren. In verband hiermee moesten de kerken wel aan de staat ondergeschikt worden gemaakt. Zoals bij vele revoluties zijn het tenslotte de "radicalen" die de overhand hebben gekregen.
Deze "radicalen" kregen de steun van Hitler, wiens standpunt in deze kwestie duidelijk naar voren kwam in de uitspraak: Men is christen of Duitser, beide kan men niet zijn! Kerrl's rol was spoedig uitgespeeld, diep teleurgesteld stierf hij in 1941.
• DE KERKSTRIJD
Direct na het aan de macht komen van Hitler in 1933 begon in Duitsland het proces van de "Gleichschaltung". Met dit woord geeft men aan hoe binnen een jaar het gehele politieke, sociale en economische leven werd beheerst door de N.S.D.A.P. Duitsland was geen democratische rechtsstaat meer, maar werd een staat met een totalitair karakter.
Geen wonder, dat de Nazi's al het mogelijke deden om ook de kerken naar hun hand te zetten en de invloed van de kerken op de samenleving te breken. De Evangelische Kerk bestond uit een groot aantal landskerken.
Men kende de Evangelische Kerk van Pruisen, van Hannover, van Beieren enz.
Deze situatie was historisch zo gegroeid. Volgens de Nazi's moest er één straf georganiseerde, centraal bestuurde rijkskerk komen.
Zij bereikten hun doel, met steun vooral van de "Duitse Christenen".
Er kwam een rijkskerk, geleid door een rijksbisschop.
Deze ontwikkeling liep tenslotte uit op de instelling, in 1935, van een ministerie voor Kerkelijke Zaken, onder leiding van de reeds eerder genoemde Kerrl.
Het verzet in de Evangelische Kerk richtte zich nu allereerst tegen deze staatsinmenging in kerkelijke aangelegenheden. Door toedoen van Niemöller werd een "Notbund" van predikanten gevormd op de grondslag van bijbel en reformatorische belijdenisgeschriften, om predikanten, die door de nazi-maatregelen in moeilijkheden waren geraakt, te helpen.
Hieruit is de "Bekennende Kirche" (de Belijdende Kerk) voortgekomen. Al spoedig ging men over tot vorming van "vrije synoden" en tenslotte tot vorming van een voorlopig kerkelijk bestuur; naast de door de "Duitse Christenen" beheerste kerkelijke organen. Eén van de bekendste nationale vrije synoden is de synode van Barmen geweest, in mei 1934. Deze synode stelde de "Barmer thesen" op, waarin men duidelijk stelling nam tegen de totalitaire maatregelen van het nazi-regime. Bovendien veroordeelde men de ideeën van de "Duitse Christenen" als een gevaarlijke ketterij.
Dit verzet was duidelijk theologisch-kerkrechtelijk van aard. Hoe moest echter de houding van de Kerk zijn ten opzichte van de regeringsmaatregelen, die niet direct het leven van de kerken raakten? Bij- voorbeeld de maatregelen tegen de Joden en de inrichting van de eerste concentratiekampen?
Binnen de "Belijdende Kerk" was hierover geen eenstemmigheid. Men was doodsbang om een duidelijk "neen" te laten horen, uit vrees de overheid ongehoorzaam te zijn. Men wilde allereerst opkomen voor het Evangelie, dat door de "Duitse Christenen" zo afschuwelijk werd misbruikt en verminkt. Aan politiek verzet dacht men niet. Daarvoor was de lutherse traditie met zijn groot respect voor de overheid nog te sterk. Ook de "Belijdende Kerk" zweeg, toen -in 1934 in "de nacht van de lange messen" op bevel van Hitler een geweldig bloedbad werd aangericht onder de S.A.-leiders en onder vroegere tegenstanders van de Führer. Evenmin was er sprake van algemeen protest toen in november 1938 in de "Kristallnacht" tientallen synagogen in vlammen opgingen en duizenden Joodse burgers werden gearresteerd.
Van de onderlinge verdeeldheid en grote onzekerheid van hun tegenstanders hebben de Nazi's op geraffineerde wijze gebruik gemaakt.
We zagen al hoe de Nazi's eerst hebben geprobeerd, door middel van de "Duitse Christenen", de kerkelijke organen te infiltreren en naar hun hand te zetten. Tegelijk werd door Rosenberg een campagne op touw gezet om, in plaats van het christendom, het Duitse volk een nieuwe religie op te dringen en het christendom een natuurlijke dood te laten sterven. Lieden als Himmler wilden door middel van intimidatie en terreur de kerken in een volkomen afhankelijke positie brengen. Het kerkelijk jeugdwerk werd aan banden gelegd; de kerkelijke pers en radio kwamen onder strenge censuur, het verschijnen van kerkelijke bladen werd in sommige gevallen zelfs onmogelijk gemaakt.
De invloed van de kerken op het onderwijs was altijd behoorlijk groot geweest. Nu kwam daar een eind aan. Predikanten die "politieke zaken" op de kansel brachten, werden gearresteerd. Zo werd Niemöller al in 1938 naar het beruchte concentratiekamp Sachsenhausen gebracht, waaruit hij pas in 1945 werd bevrijd.
Vele christenen werden door deze maatregelen gedesillusioneerd en waren geneigd aan de eisen van de Nazi's toe te geven, om op deze manier nog "normaal" kerkelijk leven mogelijk te maken. Toen brak in september 1939 de oorlog uit, waardoor er een eind scheen te komen aan de kerkstrijd. Hitler zelf verklaarde dat, zolang de oorlog zou duren, geen verdere aktie tegen de kerken mocht worden ondernomen.
Nationale eenheid was een eerste vereiste om de pas begonnen oorlog tot een goed einde te brengen. Een wapenstilstand scheen met de kerken getekend te zijn; maar meer dan schijn was het niet.
Vooral twee zaken deden de strijd tussen kerk en staat gedurende de oorlog weer oplaaien: de "Euthanasie" (het uitroeien van geestelijk gestoorden en gehandicapten) en de "Endlösung" (de vernietiging van de Joden in de gaskamers). Van algemeen kerkelijk verzet was echter ook nu geen sprake.
Het bleef bij incidentele protesten. In dit verband moet worden gewezen op Friedrich von Bodelschwingh en op bisschop Wurm van Württemberg, die heftig protesteerden tegen de moord op gebrekkigen en zwakzinnigen en tegen de deportatie van de Joden.
Bonhoeffer was een van degenen die duidelijk ging inzien, dat de strijd van de kerken niet alleen een strijd was om kerkelijke rechten en vrijheden, maar dat het ging om rechtvaardige verhoudingen en een menswaardig bestaan in het algemeen. Een strijd waarin men tenslotte niet zou mogen terugdeinzen voor de uiterste konsekwentie om de rechtsorde weer te herstellen: het vermoorden van Hitler.
De Evangelische Kerk heeft na de oorlog, in het door bombardementen verwoeste Stuttgart, openlijk schuld beleden over haar ernstig falen tijdens het nazi-bewind. De historici die zich in de Duitse kerkstrijd verdiepten, hebben zich allen bezig gehouden met de vraag: Hoe is het mogelijk, dat de Evangelische Kerk als geheel zo weinig verzet heeft geboden en zo ernstig is tekort geschoten?
Het is moeilijk deze vraag exact te beantwoorden.
Ik wil op enige punten wijzen. Zeer belangrijk was het nationalisme. Toen in 1938 Oostenrijk door de "Anschluss" bij Duitsland kwam en in hetzelfde jaar als gevolg van "München" Sudetenland werd ingelijfd, waren vele Duitse christenen geweldig enthousiast.
Groot was ook de blijdschap in september 1939: Bisschop Marahrens van Hannover dankte God voor de grote overwinning van de Duitse legers in Polen, kort na het uitbreken van de oorlog. Deze Marahrens was voorzitter geweest van het voorlopig kerkelijk bestuur en had de "Duitse Christenen" fel bestreden!
Dit sterke nationalisme deed veel christenen in Duitsland de ogen sluiten voor de ware aard van het nazi-regime. Bovendien was er de invloed van de lutherse twee-rijkenleer.
Deze leer houdt in dat er een wereldlijk-“rijk" is, dat dient om de bozen te weerstaan, de zondaren te straffen en gerechtigheid uit te oefenen. Hiertegenover staat dan het Rijk van God dat als gevolg van de evangelieprediking gestalte krijgt in vernieuwde mensen.
Door het piëtisme was al spoedig sterk de nadruk komen te liggen op het Rijk van God. De persoonlijke redding en verlossing kwam centraal te staan. Deze introverte houding van veel christenen was er de oorzaak van dat zij niet, of te laat, beseften hoe demonisch de nazi-maatregelen waren. In het praktische handelen werden door veel christenen, als gevolg van deze invloeden, politiek en kerk streng gescheiden. Als reactie daarop is al tijdens het Hitler-bewind de grondslag gelegd voor de "moderne" theologie met zijn "horizontalisme". De Wereldraad van Kerken spreekt zich in onze tijd regelmatig uit over "politieke" zaken zoals rassendiscriminatie, de toestand in Zuid-Afrika en Latijns-Amerika, de problemen van de "derde wereld" enz. Dit optreden van de Wereldraad is niet los te denken van de gebeurtenissen in de jaren 1933 tot 1945. Niet voor niets wordt Dietrich Bonhoeffer door velen bewonderd. Hij is immers degene die, vanwege zijn profetisch protest tegen het nazi-regime, in april 1945 in een concentratiekamp werd vermoord. Men ziet in hem de man, die als een van de eersten opkwam voor recht en gerechtigheid, in een tijd toen de officiële Kerk geneigd was te collaboreren met de gevestigde macht. Ik laat in het midden of deze visie op Bonhoeffer juist is, maar duidelijk blijkt hieruit dat de bestudering van de Duitse kerkstrijd ons voor actuele vragen stelt.
Deze geschiedenis leert ons wat er gebeurt, als de Kerk de geesten niet voldoende beproeft en haar roeping, het "zout der aarde" te zijn, uit het oog verliest.
Literatuur:
J. S. Conway, The Nazi Persecution of the Churches, Londen 1968.
E. Wolf, Die Evangelische Kirchen und der Staat im Dritten Reich, Zürich 1963.
E. Wolf, Kirche im Widerstand, München 1965.
M. Broszat, Der Staat Hitlers, Deutscher Taschenbuch Verlag 1969.
W. Hofer, Der Nationalsozialismus, Fischer Bücherei 1957.
G. Ritter, Carl Goerdeler und die deutsche Widerstandsbewegung, Deutscher Taschenbuch Verlag 1964.
G. van Hoon, Het Duitse verzet tegen HitIer, Utrecht/Antwerpen 1968.