stakingsrecht voor ambtenaren?
1971-11-26
Het woord "recht" heeft evenals het woord "kerk" verschillende betekenissen.- Jaargang 15
- nummer 33
Met stakingsrecht kan worden bedoeld het geheel van wettelijke bepalingen, dat in geval van staking van toepassing is! maar met stakingsrecht kan ook worden aangegeven, dat de ambtenaar het recht heeft om te staken.
Wat de eerste betekenis betreft, het Wetboek van Strafrecht maakt het ons in zoverre gemakkelijk, dat artikel 358bis de ambtenaar of enig in het openbaar spoorwegverkeer voortdurend of tijdelijk werkzaam gesteld persoon, die weigert werkzaamheden te verrichten, waartoe hij zich uitdrukkelijk of uit kracht van zijn dienstbetrekking heeft verbonden, bedreigt met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.
Het volgend artikel voegt hieraan toe, dat indien twee of meer personen ten gevolge van samenspanning het misdrijf plegen, de schuldigen, zomede de leiders of aanleggers der samenspanning worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, welke straffen kunnen worden verdubbeld, indien het oogmerk (van staking) wordt bereikt.
Uit het vorenstaande vloeit zonder meer voort, dat het Wetboek van Strafrecht bepalingen bevat, die in werking treden ten aanzien van de ambtenaren, die staken, alsmede ten aanzien van personen, die de ambtenaren tot staking hebben aangezet, welke personen dus geen ambtenaren behoeven te zijn.
Het vonnis van de President van de Rechtbank te Utrecht, d.d. 14 december 1970 in kort geding gewezen, liet de vervoersbonden, waaronder n.b. de Prot. Christ. Bond van Vervoerspersoneel, dan ook niet in het onzekere omtrent de geldigheid van artikel 358bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze bonden hadden zich namelijk gesteld achter de oproep van de vakcentrales om op 15 december 1970 de werkzaamheden van 11 tot 12 uur v.m. te onderbreken, en wel om door middel van deze staking kracht bij te zetten aan de bezwaren, die de werknemersorganisaties hadden tegen een ministeriële beschikking krachtens artikel 10 van de Wet op de loonvorming (matiging van de loonontwikkeling).
De President overwoog, dat de bonden door hun oproep tot onderbreking van de werkzaamheden handelden in strijd met artikel 358bis van het Wetboek van Strafrecht, alsmede dat de spoorwegambtenaren werden aangezet hun ambtseed te verbreken.
De uitspraak luidde, dat de bonden werden veroordeeld binnen 2 uur na deze op maandag 14 december 1970 des namiddags te negen ure geschiede uitspraak aan hun leden, voor zover behorende tot het personeel der spoorwegen, mede te delen, dat zij hun werkzaamheden voor het openbare spoorwegverkeer niet behoren neer te leggen of te onderbreken, terwijl ieder der gedaagden verboden werd op enigerlei wijze medewerking of steun te verlenen aan vorenbedoelde neerlegging of onderbreking der werkzaamheden op verbeurte van een dwangsom van vijfhonderdduizend gulden voor elke overtreding van deze geboden en verboden.
Het vorenstaande is tevens een antwoord op de vraag, of de ambtenaar recht heeft om te staken, zoals hij b.v. recht heeft op verlof.
Dat antwoord moet onvoorwaardelijk ontkennend luiden, nu de wetgever het staken van een ambtenaar als misdrijf heeft aangemerkt en als zodanig met zware straffen bedreigt.
Deze artikelen zijn bij de Wet van 11 april 1903 in het Wetboek van Strafrecht ingevoegd en wel onder het ministerie van Dr A. Kuyper, dat zich voor een spoorwegstaking zal geplaatst.
De stakende ambtenaar is in Nederland dan ook geen bekende verschijning.
Ik laat de bezettingstijd met bewindvoerders, die zich het overheidsgezag wederrechtelijk hadden toegeëigend, buiten beschouwing.
Aan de Tweede Kamer der Staten Generaal is op 3 november 1970 een ontwerp van wet nr. 11001 aangeboden o.a. om artikel 358bis van het Wetboek van Strafrecht te doen vervallen.
Die aanbieding is mede aanleiding zich nader te bezinnen, of aan de ambtenaar het recht van staking dient te worden toegekend.
Laat ik dan aanstonds als mijn gevoelen kenbaar maken, dat de ambtenaar, die zijn werkzaamheden staakt om maatschappelijke of politieke redenen, een revolutionaire verschijning is.
In onze tijd wordt tijdens het overleg tussen werkgevers en werknemers nog al vlot gedreigd met het wapen van staking. Zo hadden we het vorig jaar de staking van het sleepbootpersoneel, terwijl we in de maand april 1971 werden geconfronteerd met staking van personeel in de baggerbedrijven.
Met de mond wordt wel beleden, dat staking in de vrije bedrijven een uiterste middel is, maar het schijnt mode te worden om niet dat uiterste middel vrij vlot voor de dag te komen.
Ik krijg de indruk, dat in dit klimaat de arbeid als een soort koopwaar wordt beschouwd, die tegen een zo hoog mogelijke prijs moet worden verkocht.
Nu zal ik de laatste zijn om te ontkennen, dat de arbeider zijn loon waard is en dat hij zonder meer genoegen zou moeten nemen met elk loonbedrag.
Maar uitgangspunt, zowel voor werkgever als werknemer dient te zijn, dat de arbeid met de mens is gegeven, dat de arbeid aan de mens van Godswege is toevertrouwd.
Het eerste hoofdstuk van de Schrift openbaart ons de HERE God, die werkt.
Datzelfde eerste hoofdstuk openbaart ons ook de schepping van de mens.
En wel, met een bepaald doel.
"Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als Onze gelijkenis, OPDAT zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt." (Gen. 1 : 26) Wanneer het hof van Eden door God voor de mens gereed is gemaakt, wordt de mens in die hof geplaatst om die te BEWERKEN en te BEWAREN.
(Gen. 2: 15)
In de arbeid van de mens komt tot uitdrukking, dat hij van zeer hoge adel is: hij is niet minder dan Gods medewerker.
Dat geldt zowel voor de ondernemer als voor de mensen, die hij in dienst neemt.
Wie nu het accent van koopwaar op de arbeid gaat leggen, miskent de zin van de arbeid als dienst voor God.
Want het gevolg is, dat de indruk kan worden gewekt, dat je je van die koopwaar op elk gewenst ogenblik kunt ontdoen, evenals van de machine en van de grondstoffen.
Maar een mens, die als ondernemer optreedt en zich daarbij van mensen bedient, moet zich terdege voor ogen houden, dat hij verantwoordelijk is voor de mensen, die hij als zijn medewerkers in dienst neemt.
Natuurlijk is ook hij aan de economische normen geboden, maar daarbij mag hij de normen van de ethiek nimmer uit het oog verliezen.
In dit licht bezien dient staken dan ook als het enigszins mogelijk is, te worden vermeden, omdat staken de mens verhindert zijn dienst te verrichten, waartoe hij geroepen is.
Wie de arbeid slechts economisch beziet, verlaagt de mens, die werkt, ongeacht of hij ondernemer of medewerker is, tot een loonslaaf.
De arbeid heeft naar de Schrift primair een religieuze zin, die de werkende mens tot het niveau van Gods medewerker opvoert.
Deze opmerkingen wenste ik te maken, alvorens iets over het stakingsrecht voor ambtenaren te zeggen.
Nu verkeren de ambtenaren in een bijzondere positie, al gaan er stemmen op, die van geen onderscheid tussen de werkers in het vrije bedrijf en de ambtenaren willen weten.
We gaan op die lust tot gelijkschakeling niet in, maar we bepalen ons tot de ambtenaar.
Naar ons gevoelen verkeert hij daarom in een bijzondere positie, omdat hij in dienst van de Overheid is.
De Overheid kan niet anders dan door middel van haar ambtenaren haar taak uitvoeren. De taak van de Overheid is o.a. dat zij de normale gang van zaken, de normale voortzetting van het leven in zijn vormen, moet bevorderen.
Ambtenaren zijn het verlengde van de arm van de Overheid, en die arm mag nimmer dienst weigeren, omdat door die weigering de grondslagen van het volksleven worden aangetast.
Wanneer wij als onze vaste overtuiging uitspreken, dat de Overheid Gods dienaresse is, wil dat zeggen, dat het ambt van de Overheid geen liefhebberij is, die naar believen aan de kant kan worden geschoven. Dat ambt van de Overheid is welzo diep met het leven verbonden, dat lieden, die God noch gebod erkennen en de bestaande Overheid omverwerpen, onmiddellijk zelf worden gedwongen dat overheidsambt op zich te nemen, hetwelk in de regel nog al hardhandig en bloedig toegaat.
Ook de revolutionairen moeten erkennen, dat zonder overheidsgezag het leven in een chaos wegzinkt.
Wie als ambtenaar bij de Overheid in dienst treedt, stapt binnen de kring van het arrsbt van de Overheid.
Dat geeft aan zijn dienstverband een specifieke trek, die de arbeidende mensen in het zogenaamde vrije bedrijf missen.
Een onderneming of bedrijf ontstaat en bestaat op vrijwillige basis. Ze kunnen verdwijnen, zonder dat er een ander voor in de plaats komt.
Maar de Overheid is er om Gods wil.
Wel kunnen de personen wisselen, maar het ambt blijft en moet blijven.
Op het moment dat destijds koningin Wilhelmina afstand van de troon deed, trad zonder onderbreking koningin Juliana als regerend vorstin op, In de grondwet zijn bepalingen opgenomen, die in werking treden, wanneer het vorstelijk gezag in het ongerede zou raken.
Nooit kan of mag de Overheid haar bediening staken.
Maar dan kan ook van een stakingsrecht voor ambtenaren geen sprake zijn.
Hieraan doet niet af, dat de Overheid met betrekking tot haar ambtenaren als werkgever optreedt. Tussen de persoon, die bij de Overheid in dienst treedt, wordt een overeenkomst gesloten, waarbij de ene partij zich verbindt de overeengekomen prestaties te leveren - welke verbintenis met een eed wordt bekrachtigd - en waarbij de andere partij, de Overheid dus, de verplichting op zich neemt, de prestaties te vergoeden in de vorm van salaris.
Dat is een arbeidsovereenkomst.
Maar ... en dat is het verschil met de arbeidsovereenkomst tussen een patroon en werknemer in het vrije bedrijf, de verhouding tussen Overheid en ambtenaar gaat niet in de arbeidsovereenkomst op.
Er is meer, omdat de Overheid niet in de eerste plaats werkgeefster is, maar draagster van het overheidsgezag, dat nooit mag ophouden te functioneren.
De arbeidsovereenkomst tussen de Overheid en de ambtenaar wordt beheerst door het ambt van de Overheid zelf, dat niet een product van menselijke uitvinding is, maar door God verordineerd.
Wil dat nu zeggen, dat de ambtenaar restloos aan het gezag van de Overheid is onderworpen en dat er dus van een rechtspositie geen sprake is?
De Overheid is ook niet volmaakt, ze kan fouten maken.
Moet de ambtenaar dan alles maar slikken?
Integendeel. De positie van de ambtenaar is zelfs met zeer bijzondere waarborgen omgeven.
Indien een ambtenaar meent door een besluit van de Overheid ten aanzien van hem genomen, in zijn belang te zijn getroffen, kan hij zijn klacht aan een scheidsgerecht of het ambtenarengerecht voorleggen. Van de uitspraken van deze gerechten staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
De voorzitters van de ambtenarengerechten alsmede de leden van de Centrale Raad van Beroep zijn voor het leven benoemde onafhankelijke rechters.
En wat het algemeen beleid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaar betreft, geeft de Overheid aan de organisaties van ambtenaren de gelegenheid met de Overheid overleg te plegen, wensen kenbaar te maken en onvolkomenheden onder de aandacht te brengen.
Voorts treden bij de overheidsdiensten dienstcomcrnissies op, die de meer persoonlijke belangen van de ambtenaren behartigen.
Tenslotte is er de Volksvertegenwoordiging, tot wie de ambtenaar of de organisaties van ambtenaren zich kunnen wenden, indien er problemen zijn, die langs andere wegen niet of niet bevredigend zijn opgelost.
Terecht heeft de president van de Utrechtse Rechtbank er op gewezen, dat de stakende ambtenaar zich schuldig maakt aan het breken van zijn afgelegde eed.
Door te staken plaatst hij zich buiten de kring van de rechtvaardigen van Psalm 15, welke Psalm de rechtvaardigen als volgt kenschetst: "Heeft hij tot zijn schade gezworen, hij verandert het niet." (Ps. 15 : 4b) Ik veroorloof mij hierbij de opmerking dat de nieuwste psalmberijming helaas is achtergebleven bij de vorige, want de berijmelaar van de nieuwste heeft het karakteristieke: "tot zijn schade gezworen" verdonkeremaand.
Het is onbegrijpelijk, dat de lieden, die de nieuwste berijming hebben moeten controleren, deze verarming niet hebben opgemerkt.
Onze conclusie is, dat het een dwaasheid is te spreken over of te ijveren voor stakingsrecht van de ambtenaren, omdat dit "recht" zich in geen enkel opzicht verdraagt met de taak en de roeping van de ambtenaar.
Uit dien hoofde is het dan ook vreemd en afkeuringswaardig, dat een christelijke vakorganisatie in december 1970 door de president van een rechtbank hardhandig op haar tekortschieten moest worden gewezen, toen zij de spoorwegmannen tot het "onderbreken van de werkzaamheden" aanspoorde.
Zelfs als de strafwet geen verbodsbepaling zou hebben bevat, zou het aanzetten tot deze politieke werkstaking onvoorwaardelijk te veroordelen zijn geweest.
Of dan een ambtenaar nooit voor het geval zou kunnen komen te staan, dat hij een opdracht moet weigeren uit te voeren?
Ambtenaren, die de bezettingstijd 1940-1945 hebben meegemaakt, weten hiervan mee te spreken. Wanneer van een ambtenaar het bedrijven van kennelijk onrecht rou worden gevorderd en er dus sprake was van kennelijk misbruik van overheidsgezag, heeft hij de plicht te weigeren. Hierbij kan worden opgemerkt, dat in bepaalde gevallen kan worden volstaan, met de weigering een bepaalde opdracht uit te voeren onder uitdrukkelijke mededeling van de zijde van de ambtenaar, dat hij overigens zijn onder ede bekrachtigde verplichtingen zal nakomen.
Hoe overigens in een dergelijke noodsituatie zal moeten worden gehandeld, is nooit nauwkeurig in voorschriften vast te leggen.
Maar op die omstandigheden heeft de vraag naar het stakingsrecht voor ambtenaren geen betrekking.
Daarom zou het m.i. aanbeveling verdienen in een tijd als deze, waarin met het gezag in velerlei opzicht een loopje wordt genomen, artikel 358bis e.v. van het Wetboek van Strafrecht te handhaven.
Er zijn altijd mensen, die met forse klanken moeten worden toegesproken om hun het abc van wat recht en gerechtigheid is, duidelijk te maken.
Dat was een goed werk van Dr Abr. Kuyper in 1903.