Waarom het diakenambt zo mooi is

2013-08-03
  • Jaargang 57
  • nummer 15
Waarom hebben diakenen een misschien wel mooier ambt dan ouderlingen? Omdat gerechtigheid één van de meest centrale en allermooiste woorden van de Bijbel is. Het is in de Bijbel van a tot z om gerechtigheid te doen, omdat het de HERE God van a tot z om gerechtigheid gaat. Een blik op de rol van dit grondwoord in de Bijbel en de theologie.

Net als andere bijbelse grondwoorden (liefde, heilig, genade, trouw) staan de woorden ‘recht’ en ‘gerechtigheid’ heel dicht bij de HERE. Zij doortrekken zijn hele wezen, stempelen zijn doen en laten en zijn bepalend voor wie en wat Hij liefheeft en haat.
Een even fascinerend als leerzaam voorbeeld hiervan levert Psalm 146:7c-9: ‘De HERE maakt de gevangenen los, de HERE opent de ogen van de blinden. De HERE richt de gebogenen op, de HERE heeft de rechtvaardigen lief. De HERE bewaart de vreemdelingen, Hij houdt wees en weduwe staande, maar de weg van de goddelozen maakt Hij krom.’ Deze verzen zeggen in een kort bestek veel over de HERE. Fascinerend vind ik dat twee ongelijksoortige categorieën, die van zondaar en bedelaar, hier met elkaar verweven zijn.
Allereerst wordt een reeks mensen genoemd voor wie de HERE vol compassie opkomt, omdat hun maar al te makkelijk onrecht aangedaan kan worden: gevangenen, blinden, gebogenen, vreemdelingen, wezen en weduwen. Maar deze reeks wordt doorkruist door een heel andere categorie: die van rechtvaardigen en goddelozen. ‘De HERE heeft de rechtvaardigen lief (…) maar de weg van goddelozen maakt Hij krom.’ Deze twee zinnen, die moeiteloos een op zichzelf staand vers met een eigen thema hadden kunnen vormen, zijn van elkaar losgemaakt en verweven met de categorie van kwetsbaren. Daardoor gaan beide categorieën elkaar wederzijds beïnvloeden.
Wat iemand tot rechtvaardige of goddeloze maakt is blijkens Psalm 146 de wijze waarop hij of zij zich opstelt tegenover kwetsbaren. En omgekeerd: waar het ook voor een gevangene en blinde, gebogene en vreemdeling, wees en weduwe uiteindelijk om gaat, is een rechtvaardige te zijn.

Klem
Recht en gerechtigheid zijn – niet minder dan liefde! – een samenvatting van alles wat de HERE van mensen vraagt. Zo zegt de HERE over Abraham: ‘Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen…’ (Genesis 18:19).
In Deuteronomium 16:20 staat met grote klem: ‘Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat de HEERE, uw God, u geeft, in bezit neemt.’ En ‘om recht en gerechtigheid gaat het bij de wijzen’ (Spreuken 1:3), net als bij de profeten (zie alleen maar Jesaja 1:21, 1:26-27 en 5:7).
In het Nieuwe Testament is het niet anders. Jezus verkondigt de komst van Gods koninklijke heerschappij, die voor alles gekenmerkt wordt door gerechtigheid. En waar zijn leerlingen de prioriteit in hun leven moeten leggen is heel helder: ‘Zoekt eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid.’ Degenen die hongeren en dorsten naar gerechtigheid belooft Hij dat ze verzadigd zullen worden. Er zullen immers nieuwe hemelen en een nieuwe aarde komen waarop gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13). Keer op keer wordt het totaal van wat God met mensen voorheeft en van wat Hij van mensen vraagt onder de noemer ‘gerechtigheid’ gebracht.

Wat gerechtigheid dan is, zowel in meer algemene als in uiterst concrete zin, laat de Bijbel niet in het ongewisse.
Uit het aan de schepping en landbouw ontleende beeldgebruik van de Bijbel valt af te leiden dat gerechtigheid is als een aarde waar iedere boom, iedere plant, ieder gewas tot z’n recht komt en mag groeien, bloeien en vruchtdragen.
Heel concreet betekent dat dat de goddelozen en de werkers van ongerechtigheid kort gehouden worden en dat kwetsbare mensen in bescherming worden genomen. Allen die anderen uitzuigen, uitbuiten of misbruiken moeten weerstaan worden en vreemdelingen, wezen, weduwen, armen, zieken en gehandicapten moeten in bescherming worden genomen.

Genadejaar
In het Nieuwe Testament wordt Gods gerechtigheid zichtbaar in Jezus Christus. Hij kondigt een genadejaar af, brengt armen goed nieuws, maakt gevangenen hun vrijlating bekend, geeft blinden het zicht terug en verschaft onderdrukten vrijheid.
Jezus brengt gerechtigheid in allerlei gestalten. In de gestalte van verzoening en vergeving, van genezing en bevrijding en van omzien naar weduwen en wezen in het bijzonder. Zo beschikten de discipelen over een aanzienlijk geldbedrag, dat beheerd werd door Judas en bestemd was voor de armen.
Toen de discipelen apostelen werden, zetten ze het diaconale werk dat Jezus hun eerder al te doen had gegeven gewoon voort. Ze steunden de hulpbehoevenden in de gemeente van Jeruzalem (Handelingen 4:35) en zorgden voor de gemeenschappelijke maaltijden (Handelingen 6:2).
Het diaconaat is dus geen bijkomstige zaak, maar een gestalte van het Evangelie zelf, een gestalte van Gods bewogenheid met en liefde voor deze wereld, in het bijzonder voor de kwetsbaren. Binnen de kerk staat de diaken daarom voor één van de hoogste en mooiste taken die er te bedenken valt: het dienen van de gerechtigheid op aarde.

Passie
De plaats die recht en gerechtigheid in de Bijbel innemen, impliceert dat een theologie en prediking die niet doortrokken zijn van een hongeren en dorsten naar gerechtigheid en niet gespitst zijn op het daadwerkelijk beoefenen van recht, per definitie ondermaats blijven.
Vanuit dit oogpunt wil ik kijken naar twee belangwekkende theologische boekwerken die in 2012 in het Nederlandse taalgebied verschenen: de Christelijke dogmatiek van dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi (CD) en Lichaam en Geest van Christus. De theologie van de kerk en de Heilige Geest van dr. A. van de Beek (LGC). Welke rol spelen recht en gerechtigheid daarin? En hoe komt het diaconaat daarin terug?

De verschijning van de CD werd door velen beschouwd als een belangrijke gebeurtenis op het christelijke erf in Nederland. Vermoed wordt dat dit standaardwerk een hele nieuwe generatie theologen vormen zal. Het is daarom verheugend dat de komst van Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid één van de rode draden door het boek is.
Al in het eerste hoofdstuk leggen de auteurs hun persoonlijke papieren op tafel. Ze typeren hun theologie als het cultiveren van een bepaalde passie die achter alles zit: ‘Dat is in de eerste plaats een passie voor God en voor de zaak van zijn Koninkrijk.’
In allerlei verbanden komt dit thema terug. Het gaat Jezus ‘om de alles te boven gaande betekenis van God en van een leven onder Gods rechtvaardige en vredevolle heerschappij’. En in het hoofdstuk over Israël en het verbond lezen we: ‘De komst van dat Koninkrijk, een leven waarin God regeert en alle mensen de knie voor Hem buigen, vormt de grote heilshistorische accolade die alle thema’s van de christelijke leer met elkaar verbindt.’
In datzelfde hoofdstuk lezen we: ‘Israël is als thema voor de christelijke kerk en theologie een dringende uitnodiging om als verzoende mensen te leven, zich te heiligen en gerechtigheid te leren. Het is duidelijk dat dit een enorm appèl doet op de handel en wandel van de christelijke gemeente.’

Vuile handen
In het hoofdstuk over de toekomst (‘De vernieuwing van de wereld’) benadrukken de auteurs de betekenis die de christelijke toekomstverwachting voor het heden heeft: ‘De christelijke hoop is dus weliswaar toekomstgericht, maar daarom niet wereldmijdend. (…) Wanneer ik iets hoop, dan wordt de praktijk van mijn leven ook door die hoop gestempeld. Hoop ik op de komst van Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid, dan zal ik dat ook zoeken (Matteüs 6:33) door me nu alvast in overeenstemming met die hoop te gedragen.’
Het geloof in Jezus Christus leidt dus niet tot een terugtocht uit deze wereld, maar eerder tot engagement en betrokkenheid op deze wereld. Om misverstanden te voorkomen: enig optimisme over de maakbaarheid van deze wereld en de gedachte dat mensen het Koninkrijk van God kunnen realiseren is de auteurs geheel vreemd: ‘Ook in de komst van Gods Koninkrijk zijn wij slechts recipiënten, ontvangers. Maar juist als ontvangers van Gods genade worden we wel ingeschakeld bij Gods werk in de wereld.’

Daarom doet een typering van de tijd tussen Pinksteren en wederkomst als ‘tussentijd’ de tijd waarin wij leven eigenlijk tekort. Alsof het een wachtkamer is. Het leven in het heden is gevuld ‘doordat God ons in de Geest tegemoet wil komen en toerust tot getuigenis en dienstbaarheid. Het leven in de tijd wordt dus absoluut niet geacht zonder waarde te zijn.’
Wat betekent dit volgens de auteurs voor het kerk- en christen-zijn in deze wereld? ‘Het betekent naar onze overtuiging dat de kerk zich niet aan de aardse ordeningen kan onttrekken, het publieke domein niet mag verachten, maar dat haar leden er met loyaliteit en scherpte op ingaan en het publieke domein beschouwen als de wereld waarin God hen in het heden stelt en door zijn Geest uitdaagt. Het betekent een actieve houding jegens de vragen in de samenleving, de wil om zich te engageren en waar mogelijk verantwoordelijkheid te dragen, ook als dat vuile handen oplevert.’

Welk licht werpt deze visie op het diaconaat? Een wat uitvoeriger citaat: ‘Diaconaat heeft te maken met de wederzijdse zorg van mensen die met elkaar aan de tafel van de Heer aanzitten en daar leren wat Gods vrede, verzoening, gerechtigheid en barmhartigheid inhouden. De modernisering van de westerse samenleving heeft ervoor gezorgd dat vanaf de negentiende eeuw de armenzorg grotendeels onttrokken werd aan de kerk en in de sociale wetgeving werd gewaarborgd. Dat functieverlies kan gemakkelijk leiden tot een opvatting dat de overheid zorg draagt voor gerechtigheid en de kerk aan barmhartigheid “doet”. Een dergelijke tweedeling (…) staat echter haaks op de opvatting dat heel het leven, leer en leven, onder het beslag van Gods belofte en appèl staat. (…) Samen met missionair werk is diaconaal werk een poort naar de samenleving, waarbij in wisselwerking tussen avondmaalstafel en samenleving steeds weer geleerd moet worden wat gerechtigheid en
sjaloom betekenen.’

Bruggenhoofd
Dr. A. van de Beek laat in zijn dogmatische reeks een iets ander geluid horen. Niet dat het hem niet om gerechtigheid zou gaan. Integendeel, ook Lichaam en Geest van Christus (LGC) is (zoals heel het werk van Van de Beek) doortrokken van een intens verlangen naar Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid.
Toch huldigt hij een heel andere opvatting over Gods Koninkrijk dan zijn VU-collega’s. In LGC bespreekt hij uitvoerig de relatie tussen kerk en Koninkrijk, en kerk en wereld. Hij signaleert dat veel theologen en christenen menen dat de kerk een roeping voor de wereld heeft en de samenleving moet veranderen. Maar daar is de kerk volgens Van de Beek niet voor. De kerk is niet het begin van de vestiging van Gods Rijk op aarde, maar een eschatologische gemeenschap waar de eucharistie geneesmiddel ten eeuwigen leven is. ‘De kerk is geen bruggenhoofd van het Koninkrijk. Zij is een gemeenschap die aan Christus toebehoort en geheel anders is.’
De kerk ‘streeft niet naar een andere maatschappij, een alternatief voor het huidige politieke bestel. Zij is een alternatieve gemeenschap. Dat is haar wezen. Daarin ligt haar identiteit. Daardoor is zij licht der wereld. Dat zal impact hebben op de wereld, ook al is dat niet haar doel. Zij heeft geen doeleinden. Zij is slechts wat zij is: een gemeenschap van kwetsbare dienende mensen.’
Waartoe zijn wij dan op aarde? Niet om de wereld, maar om de Here en de opbouw van zijn gemeente in rijke verscheidenheid te dienen. Dienst is in het Nieuwe Testament één van de belangrijkste woorden om het leven van de christenen te kenmerken, maar nergens in het Nieuwe Testament is sprake van een specifieke dienst aan de wereld, ‘afgezien van de verkondiging van het Evangelie’, stelt Van de Beek. De wereld is dus niet het doel van de kerk, nee, het is precies omgekeerd: de kerk is het doel van de wereld.
Dat Van de Beek ook rondom het diaconaat een ander accent legt dan de CD zal gezien het bovenstaande niet verbazen. De ambten van ouderling en diaken moeten volgens hem losgemaakt worden van elke inbedding in het ‘corpus christianum’ en de droom van de ‘missio Dei’. De diakenen kunnen daarbij overigens gewoon blijven doen wat ze altijd deden: ‘hun zorg voor hen die sociaal of economisch in problemen zijn voortzetten’.
Dat laatste laat zien dat ‘geen doel op aarde hebben’ en ‘wachten op het einde’ voor Van de Beek allerminst betekent: niets doen. Het kruis van Christus brengt heel veel teweeg in het leven van de gelovigen. ‘De werkelijkheid van de Geest is de werkelijkheid van Christus. Christenen worden opgeroepen te denken en te handelen zoals past bij hun bestaan in Hem.’ Zo bezien staat Van de Beek net als de auteurs van de CD een radicaal diaconale levenswijze voor, een gerechtigheid die zoveel meer is dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën. Al leggen ze daarbij wel hele andere accenten.

Proces
Waar staan Nederlands-gereformeerde theologen in dit debat? Sommigen van hen – dr. Bob Wielenga en ds. Willem Smouter – gingen vorig jaar in Opbouw expliciet in op het boek van Van de Beek. Anderen – de predikanten De Jong, Kleingeld en Gerkema – gingen in op onderwerpen die nauw verbonden zijn met bovenstaande thematiek.
Uit hetgeen zij schrijven blijkt dat zij veel dichter bij de CD dan bij LGC staan. De lijn die de CD trekt (door de kracht van de Geest van de opgestane Heer zijn Christus’ volgelingen geroepen om, hoe bescheiden en door zonde bevlekt ook, Gods gerechtigheid te zoeken voor deze wereld als teken van hoop) wordt door velen binnen de NGK als een voluit bijbelse lijn herkend.
Me dunkt dat dit om meerdere redenen een belangrijke conclusie is. Allereerst is het belangrijk voor de houding en het roepingsbesef waarmee we als NGK in deze wereld staan en voor de keuzes die we daarbij maken. Belangrijk is het verder ook uit oecumenisch oogpunt. Wie had twintig jaar geleden gedacht dat VUtheologen een dogmatiek zouden schrijven die van een dusdanig hoog bijbels gehalte is dat theologen uit de NGK – en ik vermoed ook uit de GKv en CGK – daarbij van harte kunnen aanhaken? Is het te veel gezegd dat zoiets perspectief biedt op een nauwere samenwerking tussen theologische faculteiten en (lokale) kerken?

Zelf heb ik een zwak voor Van de Beek. Vooral omdat zijn theologie zo dicht op deze door en door gebroken schepping zit en omdat hij God en deze gebroken schepping zo dicht bij elkaar brengt als maar mogelijk is.
Van de Beek zoekt met zijn kruistheologie de kwetsbaarsten onder de mensen op: de verschoppelingen, de volstrekt kanslozen, degene voor wie het leven alleen maar misère in petto had, de rechtvaardige die om zijn gerechtigheid wordt omgebracht. Hij zoekt de beroerdste, verrotste plekjes van deze wereld op en plaatst daarin het kruis als teken van hoop, van God. Dat raakt mij.
Niettemin vind ook ik de theologie van Van de Beek van een onbijbelse eenzijdigheid. Met nogal wat elementaire bijbelse gegevens doet Van de Beek helemaal niets. Terecht wees Willem Smouter op de belangrijke rol die woorden als ‘groeien’ en ‘bouwen’ bij Paulus spelen. En dat fenomeen ‘groei’ komt ook terug in Jezus’ koninkrijksgelijkenissen in Matteüs 13. Meerdere gelijkenissen typeren de komst van het Koninkrijk als een proces; de gelijkenis van het mosterdzaad en het gist bijvoorbeeld. Van de Beek negeert dit geheel.
Gods grote doel is dat Christus’ heerlijkheid en majesteit, goedheid en liefde alles en iedereen vervullen (zie Efeziiërs 4:10). Dat doel begint Hij te realiseren vanaf Hemelvaart en het zal zijn voltooiing bereiken op de nieuwe hemel en aarde, waar Hij alles is in allen. Dat is geen evolutionair proces – die voltooiing zal door een totale crisis heen gaan – maar dat betekent niet dat God geen plannen heeft voor deze tijd en met deze wereld.
Hij wil ons ‘opvoeden’ (ook zo’n woord dat een proces aanduidt) ‘om de goddeloze en wereldse begeerten af te wijzen en bezonnen, rechtvaardig en vroom in deze wereld te leven, in afwachting van het geluk waarop wij hopen: de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus. Hij heeft zichzelf voor ons gegeven om ons van alle zonde vrij te kopen, ons te reinigen en ons tot zijn volk te maken, dat vol ijver is om het goede te doen’ (Titus 2:11-14). De HERE heeft niet alleen plannen voor de grote toekomst, maar ook voor het heden.

Druppel
Ook in Van de Beeks visie op ‘redding’ zit een pijnlijke eenzijdigheid. Redding is bij hem uitsluitend ‘door het geloof deelhebben aan het eeuwige leven’. Zo wordt het woord in het Nieuwe Testament inderdaad in hoofdzaak gebruikt. Tegelijk houdt redding veel meer in. In het Evangelie naar Lucas komt veelvuldig de zin voor: ‘uw geloof heeft u gered’. Maar waarop heeft die redding allemaal betrekking? In Lucas 7:50 op vergeving van zonden. In 8:12 op deel hebben aan het Woord. In 8:48 op de genezing van een chronische bloeding. In Lucas 8:51 op het verlost worden uit de dood. In 17:19 op de genezing van een melaatse. En in 18:42 op de genezing van de blinde Bartimeüs.
Redding is dus óók dat je door de liefde en barmhartigheid van Christus hier en nu al verlost wordt uit de misère die je in fysiek, sociaal, psychologisch en financieel opzicht hebben kan. En dan mag het zo zijn dat die redding verhoudingsgewijs, gemeten aan de allesovertreffende heerlijkheid die de HERE voor ons heeft weggelegd, minder dan een druppel op de gloeiende plaat is, maar binnen deze aardse verhoudingen is het meer dan dat, soms veel meer dan dat. Voor één mens, een groep mensen, een gemeenschap of zelfs een hele samenleving kan een daad van gerechtigheid, een verandering van wetgeving of de wijziging van een politiek bestel een enorme impact hebben. Dát is het perspectief waaruit iedereen mag leven en z’n werk mag doen, binnen en buiten de gemeente van Christus.

Niemand minder dan de Heiland zelf is gekomen om mensen hier en nu al in vrijheid te stellen. Diakenen mogen daaraan hun bijdrage leveren, hoe kleinschalig ook. Mensen kunnen daardoor iets van de verlossing in Christus ervaren. Juist in het licht van wat komt krijgen de kleine daden van gerechtigheid hun glans. Het weinige krijgt meerwaarde.
Daden van recht en gerechtigheid zijn geen wanhoopspogingen van mensen die krampachtig proberen de dood zo lang mogelijk te slim af te zijn. Het zijn tekenen van hoop, die vooruit wijzen naar een mate van verlossing die de aardse maat verre te boven gaat.
Deze daden van bevrijding zijn als zaad in de akker. En wat een mens zaait, zal hij oogsten. Ja, wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

Ds. Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem. Dit artikel is een verkorte versie van zijn Jaaroverzicht 2012 uit het Informatieboekje 2013, te verkrijgen bij Buijten en Schipperheijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief