Onverzorgde wonden

2013-11-01
  • Jaargang 57
  • nummer 21
‘Ik heb nooit iets begrepen van vrouwen die zich laten mishandelen en dan terwijl ze nog onder de blauwe plekken zitten, teruggaan naar hun man,’ zegt ze terwijl ze zorgvuldig haar woorden kiest. ‘Maar ik realiseer me nu dat ik eigenlijk precies hetzelfde deed als Hugo mij zei dat ik zeventig maal zeven maal moest vergeven. Want daar had ik geen weerwoord op. Zo kon hij verder gaan met zijn overspelige gedrag.
Niemand wist ervan. Hij werd juist door iedereen geprezen om zijn geweldige inzet voor de kerk.’


Clary ontvangt me in haar riante appartement, dat smaakvol is ingericht met allerlei kunstwerken. ‘Dat zit bij ons in de familie: tekenen, schilderen, houtbewerken.’ Zelf heeft ze een breiwerk liggen met een ingewikkeld patroon. ‘Dat ken ik uit mijn hoofd, want ik kan veel niet meer doen. Daar zijn mijn ogen te slecht voor geworden.’ Gelukkig komt de koffie nog wel feilloos in de kopjes terecht en als dat gebeurd is, kiest ze zoekend haar woorden en vertelt ze haar verhaal.

Verwarrend en moeilijk
Clary heeft veel gezwegen in haar leven, maar ook nu ze de zeventig ruim gepasseerd is, blijven haar gedachten cirkelen om allerlei vragen. ‘Ik heb eigenlijk nooit hulp gehad bij het verwerken van de scheiding en van alles wat er gebeurd is. We hebben vijftien jaar geprocedeerd, daar ging alle aandacht naartoe.’ Clary kijkt ook naar zichzelf: ‘Waarom heb ik niet eerder mijn mond opengedaan en een einde gemaakt aan zijn bedrog?’ Ze heeft het over haar man Hugo, die naar haar zeggen iedereen om zijn vinger wond. ‘Als hij een project startte, werd het binnen de kortste keren een succes. Evangelisatieprojecten, gebedsgroepen vormen, opzetten van een stichting: hij kreeg altijd de handen op elkaar. En hij werd bewonderd om zijn diepgang, zijn vroomheid, zijn enthousiasme voor de kerk en de geloofsgemeenschap. Een echte Godsman noemden ze hem.’
Om te kunnen begrijpen waarom het voor haar zo verwarrend en moeilijk was, schetst ze een paar momenten uit haar huwelijk, dat ruim dertig jaar geduurd heeft. ‘Ik was in verwachting van ons tweede kind toen Hugo op een avond in bed vreselijk begon te huilen. “Wat is er?” vroeg ik. “Dat is te vreselijk om te vertellen,” zei hij. Nog meer huilen, want dat kon hij goed. Eindelijk kwam het eruit: “Ik kan geen erecties meer krijgen, het is afgelopen tussen ons, ik ben besmet.” “Hoezo besmet, hoezo is het nu afgelopen?” vroeg ik. Hij zou verleid zijn en nu was het mis. Hij zat vol zelfmedelijden. Ik wist niets te zeggen, het drong niet tot mij door, hoewel ik al langer vermoedde dat zijn vele overwerken en het late thuiskomen niet in de haak waren.’

Zwijgen
‘De volgende dag zijn we naar de dokter gegaan, maar dat mocht van Hugo niet onze eigen huisarts zijn.
Tijdens de rit daar naartoe zijn we verschillende keren gestopt om te praten. Ik wilde wel een oplossing zoeken. Hij zei steeds: “Nu is mijn leven stuk en wat kan ik nog? Jij hoeft me nou niet meer, je kunt me aan de kant schoppen.” Er werd over mij eigenlijk niet gesproken en zo ging het heel vaak. Ik was eraan gewend dat ik geen inbreng had, dus ik ging erin mee dat het om hem ging. Ik had nooit geleerd voor mezelf op te komen, en scheiden deed je als christen niet. Je moest vergeven!
Die onbekende dokter stelde een geslachtsziekte vast, ik weet niet meer welke, en bracht mij naar een andere kamer. “Eerst maar eens het schaap van de bok scheiden,” zei hij.’ Clary zegt het cynisch. Deze arts heeft haar en Hugo een week lang elke dag terug laten komen en gaf hun, elk in een aparte ruimte, injecties. Clary had die nodig om het kindje dat ze droeg te beschermen. Er werd niet gesproken over hun relatie. Hugo vroeg Clary vergeving en het leven ging door. Clary besloot tegen iedereen te zwijgen en hoopte en bad dat Hugo diepgaand zou veranderen. Maar ze hield het gevoel dat hij haar van alles op de mouw speldde, en hij bleef laat thuiskomen.

Ouderling
In de kerk was Hugo intussen een gewaardeerd ouderling: hij kon zo prachtig preeklezen! ‘Hij oefende thuis met een bandrecorder, eindeloos vaak. Als we dan de kerk uitgingen zeiden de mensen: “O, wat kan hij dat toch goed hè? Fijn voor jou hoor, zo’n man!”’ Clary zegt nu dat dit haar tot op de dag van vandaag strijd kost: ‘Als er ouderlingen bevestigd worden, voel ik me achterdochtig worden. Dat vind ik van mezelf heel erg. Maar als zo’n ouderling toch openlijk een zonde begaat, zegt hij gewoon de kerk gedag, net als Hugo gedaan heeft, en dan sta je als kerk met lege handen. Maar ik doe sommige mensen daar wel mee tekort, denk ik.’ ‘De huwelijksjaren verstreken, maar onze oudste hield het voor gezien. Later bij de scheiding zei hij: “Papa heeft het geloof altijd gebruikt voor zijn eigen doelen.” Op zijn zeventiende vertrok hij, hij had een briefje op tafel gelegd. Hij zorgt nu heel goed voor mij, maar met het geloof heeft hij niets meer.’ Hugo maakte verbeten carrière, maar op een dag kreeg hij ontslag. ‘Er is iets gebeurd wat niet door de beugel kon, maar het fijne weet ik er niet van. Wat hij er zelf over vertelde, kan ik niet geloven.’ Het duurde maar even of Hugo kreeg een tip van de huisarts: ‘Een Amerikaanse stichting zoekt een vertegenwoordiger in Nederland die hier een bruggenhoofd vormt, net iets voor jou, Hugo!’ ‘Ik had toen de hoop,’ zegt Clary, ‘dat we echt het verleden waar nog niemand van wist, achter ons konden laten. Ik dacht dat God hier mijn gebeden ging verhoren.’

De maat vol
Hugo kreeg onmiddellijk succes met zijn inspanningen, en hij werd directeur van die stichting. ‘In deze christelijke werkomgeving zal er niets meer van dat oude leven overblijven, dacht ik. En inderdaad ging het een tijdlang fantastisch. We werkten samen, en hadden goede mensen om ons heen.’ Maar uiteindelijk gaat Hugo ook hier weer de fout in. Hij gaat te nauwe betrekkingen aan met een getrouwde vrouw uit het team.
Clary wordt gewaarschuwd door een bevriend echtpaar dat niet veel van Hugo moet hebben. Ze spreekt de vrouw in kwestie aan, die bekent dat ze veel voor Hugo voelt en dat ze allerlei ontmoetingen hebben. Niet weer toch, denkt Clary, maar opnieuw besluit ze te vergeven.
Kort daarna onderneemt Hugo een buitenlandse reis voor de stichting, en blijft met een smoes langer weg dan afgesproken. Ook daar blijkt een getrouwde vrouw zich in Hugo’s warme belangstelling te koesteren. Als er sprake van is dat deze vrouw naar Nederland zal komen, is voor Clary de maat meer dan vol. Ze zegt na een fikse ruzie dat ze nu wil dat er een derde op de hoogte wordt gesteld. Hugo’s keus valt op een christelijke vriend. Als deze arriveert, wil Hugo zich uit de voeten maken. Maar daar komt niets van in en waar Clary in sobere bewoordingen vertelt dat Hugo er een andere vrouw op na houdt, vertelt Hugo met brede uithalen bijna trots over zijn vele avonturen. De vriend merkte later op: ‘Ik werk in de psychiatrie veel met psychopaten en toen ik Hugo hoorde praten dacht ik: precies hetzelfde. Hij is ziek!’ De vriend acht het voor Clary onwenselijk dat zij nog langer met deze man onder een dak vertoeft, en regelt in goed overleg een onderkomen bij haar zus aan de andere kant van het land.

Bedrieger
Als Hugo de volgende dag zijn schoonzus aan de telefoon heeft, huilt hij dat hij zijn vrouw zo mist. Zij denkt: het komt wel goed, want ik ken Clary, zij zal nooit iemand laten vallen. Clary is ten einde raad, maar houdt ook tegen haar zus haar mond. Ze gaat na een paar dagen terug naar huis, maar daar ligt een brief op de mat waarin staat: ik ga van je scheiden, ik heb al een advocaat, zoek jij er ook maar een. Clary wil niet scheiden, maar zoekt op aanraden van haar zoon wel een advocaat. Die bekijkt ook de financiële situatie, en waarschuwt Clary dat Hugo veel meer uitgeeft dan verantwoord is op basis van zijn inkomen. Bovendien is hij bezig een ander huis te kopen.
‘Opnieuw bleek met wat voor bedrieger ik te maken had,’ zegt Clary. Als de dominee komt – Clary weigert met de scheiding in te stemmen of het huis te verlaten – is de eerste vraag die hij stelt: ’Waarom wil jij van Hugo scheiden, die man is er kapot van!’ Het kost haar de grootste moeite de predikant ervan te overtuigen dat het andersom is, en dat zij niet eens toestemt in de door Hugo aangevraagde scheiding. ‘Mijn zoon is de brief van Hugo gaan ophalen bij de advocaat als bewijs dat ik de waarheid sprak.’
De dominee zegt dat hij deze situatie zo ernstig vindt dat ze beter terecht kunnen bij het maatschappelijk werk van de kerk. Clary: ‘Maar toen ik daar een afspraak had gemaakt en binnen zat, kwam Hugo niet opdagen. “Ik doe hier niet aan mee,” zei hij doodleuk toen ze opbelden waar hij bleef. Daarmee was de hulp afgelopen.’

Verwijten
Hugo onttrok zich aan de kerk, het huis werd verkocht en Clary kwam in de bijstand. ‘Ik ben toen in de eerste de beste plaats gaan wonen waar ik een huurhuis kon krijgen. De scheiding ging na een jaar toch door, omdat je die niet langer dan een jaar kunt weigeren. Het ging niet goed met me. Ik was depressief. Ik ben een tijdje voor gesprekken bij De Driehoek geweest, maar die liepen vast omdat er steeds perikelen rond de rechtbankzaken waren. Dat besprak ik dan met de hulpverlener, maar die kon er op den duur niets mee.
Mijn kinderen hebben altijd gedacht dat het niet goed zat in ons huwelijk, al hielden we ook tegenover hen de schijn op. Maar toen alles uitkwam, kreeg ik verwijten dat ik er zelf medeschuldig aan was omdat ik dat allemaal maar had laten gebeuren. Nu zeg ik: dat is ook zo. Ik zou nu iedere vrouw die in zo’n huwelijk gevangen zit willen toeroepen: “Ga met iemand praten en houd op met geloven dat je zeventig maal zeven maal moet vergeven!”’

Eenzaam
Terugkijkend op haar leven begrijpt ze wel waar haar houding vandaan komt. ‘Ik was thuis een nakomertje.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was ik een kind. Mijn vader stierf kort na de bevrijding, hij was net weer thuis.
Mijn moeder besloot drie maanden later, toen ik dertien was, terug te gaan naar haar geboortestreek in Friesland.
Ik was de enige van het gezin die meeverhuisde. Er volgde een hele nare tijd, ik was vaak bang en alleen. Mijn moeder had al snel spijt van de verhuizing en zocht een oplossing door te gaan bakeren. Vaak was ze dan een hele week van huis. Ik durfde me ’s avonds niet eens uit te kleden, zo bang was ik als mijn moeder weg was. Zo eenzaam als toen wilde ik nooit meer zijn. Daarom hield ik mijn mond en probeerde ik het bestaan naast Hugo vol te houden. Ik bad elke avond dat God een verandering zou geven. Elk glimpje dat op verhoring leek, greep ik aan. Ik had niets anders.’

Echtscheiding
Clary komt niet over als een klaaglijke vrouw, eerder weloverwogen en rustig. Ze wil graag dat er meer recht gedaan wordt bij echtscheidingen in de kerk. ‘Iedereen was verlegen met mijn echtscheiding. Daardoor heb ik geen goede hulp gehad. En er verandert al jarenlang nauwelijks iets. De man van mijn nicht ging er niet zo lang geleden vandoor met haar vriendin. Ze vestigden zich in een andere plaats en werden lid van een andere kerk. Ze mochten daar gewoon aan het avondmaal. Toen heeft mijn nicht een brief geschreven aan de kerkenraad daar, op een liefdevolle toon ook nog, maar ze heeft helemaal geen reactie gekregen.
Het stel is getrouwd en nu heel actief in de gemeente. Dat is toch niet goed?’ Naar God houdt Clary vragen: ‘Wat heeft dit voor zin gehad, de kinderen hebben geen vader meer, de kleinkinderen geen opa. Het is een verwoest leven met ontzettend veel narigheid die er aan hangt. Kon ik maar zien waarvoor het nut heeft gehad.’ Maar ook zegt ze: ‘Het enige wat overblijft, is leven heel dicht bij Vader, ook al begrijp ik zijn beleid niet.’
Diep onder de indruk verlaat ik na heel veel uren praten het appartement van Clary. Psyche, opvoeding, geloof, opvattingen en angsten kunnen iemand een leven lang ongelukkig maken. Als je dan toch wilt zeggen: ‘Ik vertrouw mijn Vader’, dan blijft veel onbegrijpelijk, maar niet hopeloos, ondanks de onverzorgde wonden.

Clary en Hugo heten in werkelijkheid anders.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief