Het kwaad en de hand van de Vader
2013-11-01
Bij alle leed rijst de vraag naar God. Indrukwekkend als een mens in het diepste leed bij Hem troost vindt. Maar soms kan in het lijden die vraag niet eens meer gesteld worden: te veel pijn en verscheurdheid. ‘Denk ik aan God, dan moet ik versmachten; denk ik aan Hem, dan verlies ik de moed’ (Psalm 77:4, vertaling Willibrord ’95). Maar als God hier niet meer is – hoe dan ook – waar dan nog wel?- Jaargang 57
- nummer 21
Voor de kerk vandaag kon hier wel eens de beslissing vallen: hoe werkelijk is God in ons leven? Die vraag mag niet enkel beantwoord worden met het tellen van je zegeningen, maar verlangt een antwoord midden in de rauwe werkelijkheid, waar Gods geprezen zegen en leiding soms als een wrede desillusie ontmaskerd lijken te worden.
Overgrootmoeder
Voor mij ligt het kerkboek van mijn overgrootmoeder. Op het schutblad staan in eenvoudig maar sierlijk schrift de namen van haar zeven kinderen. Bij vier namen staat na de data van geboorte en doop ook een sterfdatum, in hetzelfde sierlijke schrift, met daarachter: in zijn heerlijkheid opgenomen. Daaronder de belijdenis: In dit boek staat klaar beschreven hoe de mens op aard moet leven als het eenmaal komt te sterven en het eeuwig zalig leven erven.
Dit raakt mij – het leed zelf, maar ook dat dit leed is neergeschreven op een manier die vrede en geloof uitstraalt.
Het roept de vraag op naar een geloofsbeleving uit een voorbije wereld. Eén waarin de belijdenis van Zondag 10 van de Heidelbergse Catechismus nog als een baken in alle aanvechting overeind stond, dat loof ende gras/ reghen ende drooghte/ vruchtbare ende onvruchtbare jaren/ spijze ende dranck / ghesondheyt ende kranckheyt/ rijckdom ende armoede/ ende alle dinghen / niet by gevalle/ maer van sijner Vaderlijcker handt ons toekomen.
Voorzienigheidsgeloof
In onze tijd is deze belijdenis tot één van de meest omstreden zondagen uit de Catechismus geworden. ‘De leukemie bij mijn kind komt ons toe uit Gods vaderlijke hand?’ hoor ik nog een vader uitroepen, eerder godslasterlijk dan vertroostend.Opvoeding tot atheïsme, las ik ergens. Op vele manieren wordt deze belijdenis of hartgrondig afgezworen of aangepast. ‘Dit kwaad komt niet uit Gods hand, daar kan ik niets mee, God staat naast mij en huilt met mij mee,’ zei onlangs nog iemand. Soms wordt het kwaad daarbij niet alleen uit Gods hand weggehaald maar ook rechtstreeks aan de duivel toegeschreven. Vanuit de charismatische hoek worden we dan opgeroepen om het kwaad in de kracht van de Geest en al zijn gaven te bestrijden. Het voorzienigheidgeloof van Zondag 10 zou mensen maar murw en fatalistisch maken.
Enkel troost
Maar doen we daarmee deze belijdenis en allen die daarin hun houvast gevonden hebben wel recht? En waar komen wij uit als we ons hiervan distantiëren? Behalve wat mijn overgrootmoeder schreef, intrigeert mij ook het feit dat in oudere catechismuspreken deze beruchte zondag geen kritiek ontvangt maar volop meedoet in een verkondiging van troost en bemoediging.
Ik noem als voorbeeld twee preken, gehouden tijdens de Tweede Wereldoorlog, de ene van ds. J.W. Tunderman en de andere van ds. B. Holwerda. Tunderman is in een concentratiekamp vermoord. De preken zijn geen dogmatische verhandelingen, maar vol van bewogenheid en persoonlijke betrokkenheid in alle oorlogsleed. De belijdenis van Zondag 10 is daarin geen probleem, maar enkel troost. De aanvechting wordt pastoraal en invoelend benoemd, maar aan de strekking van deze zondag wordt niets afgedaan, integendeel. Twee citaten. Tunderman schrijft: Dit is de poort die tot het leven leidt. De plek van uw smart, waar gij uw tranen schreit en uw slapeloze nachten doorworstelt, gij allen die verschrikt werd door het geweld van Gods hand in deze dagen, is de plaats waar de Heere is. Hier kunt ge Hem ontmoeten… Onder de dreiging der vliegtuigbommen… als ge in de modder dreigt weg te zinken, dit is de weg.1
De benadering van Holwerda is niet minder krachtig en voor ons besef nu onbestaanbaar als hij zegt van al het oorlogsleed: Al dat verschrikkelijke en afschuwelijke, dat komt niet van de mensen en van de tijd en van de omstandigheden, neen, dat is nu het regelrechte ingrijpen Gòds in uw leven.2 Elders las ik dat in 1944, toen de razzia te Putten een heel dorp in rouw dompelde, de spiritualiteit van Zondag 10 meer draagkracht, heling en troost bleek te verschaffen dan wat dan ook.3 In de ontstaanstijd van deze belijdenis bood dit geloof eveneens kracht en troost te midden van de diepste ellende.In de roman Verraad,4 die gaat over het leven van Johannes Calvijn, trof mij de overmaat aan lijden, martelingen, vervolgingen, pestepidemieën en oorlogsleed die over Calvijn en zijn geloofsgenoten heen kwam.
Bedrijfsongeval?
Is Zondag 10 een theologisch bedrijfsongeval of de ruggengraat van het Nederlands protestantisme?
Opvallend is dat Zondag 10 en de vraag naar Gods hand in het lijden elders, in een land met een hoge kinder- en kraamvrouwensterfte, AIDS, honger en geweld, niet of nauwelijks als probleem wordt ervaren. Een Nederlandse student die zelf worstelde met vragen en twijfels over God vanwege al het lijden verbleef voor zijn opleiding een aantal maanden in zo’n land. Hij ontmoette daar medegelovigen die tot zijn verbazing zijn twijfels helemaal niet begrepen. Want in alle ellende was hun geloof in God en zijn hand in hun dagelijks leven hun enige houvast én een bron van grote blijdschap. De ellende waar zij dagelijks mee te maken hadden, deed hen niet twijfelen aan Gods hand, maar liet hen die juist vastgrijpen.
Dit laat mij niet los en roept bij mij de vraag op: zijn wij iets kwijtgeraakt? Moeten wij onszelf bekeren tot het geloof van onze voorouders? Moeten we een voorbeeld nemen aan zwaar beproefde christenen elders in deze wereld? Of valt er meer van te zeggen en kunnen we Zondag 10 niet zomaar weer in ere herstellen?
Als gezin hebben wij een tijdje aan tafel uit het dagboek Elke dag geboeid5 gelezen. Dat maakte indruk, zeker, maar dag na dag zoveel blijmoedigheid in de diepste ellende werd ons eerlijk gezegd te veel. Is er niet meer van te zeggen? Twee overwegingen kunnen ons verder helpen. Ten eerste: onze wereld is ingrijpend veranderd, en ten tweede: vanuit de Bijbel zal de belijdenis van Zondag 10 opnieuw geboren moeten worden.
Andere wereld
Het lijden vroeger was zeker niet minder dan nu, maar de wereld is wel drastisch veranderd en wij daarmee ook. Ik noem drie ontwikkelingen die ons geloof en de vraag naar God in het lijden raken en beïnvloeden.
De eerste heeft prof. dr. J. Hoogland in 1997 al besproken tijdens het EO-symposium De Boodschap en de Kloof. Wij hebben meer dan vroeger het leven in eigen hand gekregen. Risico’s kunnen veel beter berekend en beheerst worden. Denk aan de voedselproductie en de moderne heelkunde. In hun van alle kanten bedreigd bestaan hadden onze voorouders slechts één zekerheid: het geloof in een Vaderhand die nooit heeft misgetast. Daarmee had hun afhankelijkheid van God als vanzelf een centrale plaats in hun dagelijks (over)leven. Wij worden geacht nu zelf onze zekerheden te bouwen en overeind te houden. Daarmee zijn we ook meer naast dan onder God komen te staan en is het geloof uit het centrum verschoven naar de rand. Het bepaalt meer de kwaliteit van het leven dan het leven zelf. De primaire vraag is nu: wat voegt het geloof aan mijn leven toe? Als je die vraag stelt, dan kun je blijkbaar ook zonder of met minder geloof toe. Velen trekken dan ook die conclusie.
De tweede ontwikkeling is dat, met een beter leven binnen handbereik, ook de verwachtingen voor het leven gestegen zijn. De focus is verschoven van de toekomstige wereld naar het hier en nu. En zo moet ook het geloof vooral zijn nut voor het hier en nu bewijzen. De spreuk voor in het bijbeltje van mijn overgrootmoeder, dat ‘daarin te lezen staat hoe men moet leven om te kunnen sterven en het eeuwig zalig leven te erven’, is uit het hart van onze spiritualiteit verdwenen. De uitroep van Paulus dat wij als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, de beklagenswaardigste van alle mensen zijn (1 Kor. 15:19), klinkt als uit een totaal andere geloofswerkelijkheid.
Vlak ten derde niet uit wat de media met ons doen. Enerzijds schotelen zij ons in films en reclame een ideale virtual reality voor en anderzijds overstelpen zij ons met een hoeveelheid kwaad die de toelaatbare dosis van Matteüs 6:34 (elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last) dagelijks vele malen overschrijdt. Dit voedt en bevestigt het gevoel dat een rechtvaardig bestuur van een almachtige God onbestaanbaar is.
Terugvechten
Het is daarom geen wonder dat we dat oude geloof niet meer kunnen omhelzen zoals onze voorouders. De vraag is nu: moeten we inderdaad erkennen dat wij Zondag 10 echt niet meer voor onze rekening kunnen of zelfs mogen nemen of is het juist de hoogste tijd om dit oude geloof weer te hervinden? Want met het loslaten van Zondag 10 kon wel eens meer verloren gaan dan een achterhaalde visie op de voorzienigheid.
Ik ben geneigd tot het tweede: in het volle besef dat er veel veranderd is, inclusief wijzelf, moeten we echt de weg terugzoeken, misschien wel terugvechten, om in het leven van vandaag dat oude geloof opnieuw te omhelzen en te verwoorden. De werkelijkheid van God in ons leven van alledag staat op het spel! Hoe kunnen wij het goede wel uit Gods hand aanvaarden en het kwade niet? Dan breken we toch de eenheid van God in ons dagelijks leven en blijven we uiteindelijk met lege handen staan, overgeleverd aan onszelf en aan anonieme krachten en machten?
Reformatie
Terug naar het oude geloof zal echter geen restauratie, maar reformatie moeten zijn, willen we dat oude geloof kunnen beleven en belijden in de wereld van nu en morgen.
Laat de winst van de huidige geloofscrisis aan de ene kant zijn, dat het oude geloof ontdaan wordt van onzuivere elementen en aan de andere kant dat nieuw licht vanuit de Bijbel opgevangen wordt.
De geestelijke vaders van de Catechismus waren niet vrij van heidensfilosofische gedachten over de voorzienigheid, waarbij een rechtvaardige wereldorde werd verondersteld, veilig in Gods handen. Dat klinkt bijvoorbeeld door in de Nederlandse Geloofsbelijdenis waar ‘de schepping, onderhouding en regering van de wereld’ wordt voorgesteld als een prachtig boek (art. 2). Denk ook aan het beeld van het borduurwerk met die chaotische onderkant en de harmonieuze bovenkant. Dit spreekt aan, maar biedt het echt troost en houvast als het kwaad toeslaat, alsof er voor het kwaad en al die bittere vragen toch ergens een bevredigende verklaring bestaat? Deze voorstelling van zaken doet geen recht aan de diepte van het kwaad, de absurditeit van de gebrokenheid, de scherpte van het verdriet en de ernst van de zonde. Het doet evenmin recht aan Gods ondoorgrondelijke handelen en uiteindelijk ook niet aan het onpeilbare wonder van de gekruisigde Christus dat in geen mensenhart is opgekomen (1 Kor. 2:9).
Weg naar overgave
Het geloof van Zondag 10 kent ook zijn ontsporingen. Zo werden onderwerping en berusting als hét kenmerk van vroomheid voorgehouden. De Ziekentroost achterin het Gereformeerde kerkboek was daarvan een product. Bij al het goede was de strekking toch wel erg eenzijdig: de zieke werd aangespoord om in de ziekte te berusten en zich voor te bereiden op het sterven. Het gebed om genezing ontbrak volledig! Daarom moet dit geloof opnieuw vanuit de Bijbel verwoord worden. Daar lezen wij hoe het gebed om genezing klinkt en verhoord wordt – soms tegen de wil van de Here zelf in (Matteüs 15:21-28).
Daar ontdekken we dat in de relatie met God verzet en protest alle ruimte krijgen, met als kroongetuige het boek Job, Job die geen enkele uitvlucht of redenering toelaat die hem bij God en zijn klacht aan Gods adres weg kan leiden. Wat er ook verder mag spelen – een satan die wroet en woedt: Job heeft in zijn lijden met God alleen te maken. Het is God die hem dit aandoet. Zijn ellende komt hem toe uit Gods hand, al lijkt dat meer de hand van een vijand dan van een vader! Daar kan Job geen kant mee op dan alleen naar God toe.
Hij beroept zich op God tegen God. Juist in zijn felste verzet en protest heeft hij zich aan God vastgegrepen. Zo heeft zijn God hem tot een overgave geleid die rijmt met de belijdenis van Zondag 10. Maar de weg erheen doet ertoe en mag niet overgeslagen worden! Zonder die weg wordt Zondag 10 een verstikkende leugen. Die weg wordt alleen begaanbaar als we Christus leren kennen en zijn Geest die ons te hulp komt met woordloze zuchten. Jezus Christus is in alle dingen op gelijke wijze verzocht geweest als wij; Hij heeft zich in het meest afgrondelijke waarom vastgeklampt aan God; zo is Hij voor ons een verzoening geworden en de weg tot de Vader. De Almachtige is voor alles de Vader van onze Heer Jezus Christus (Zondag 9). Daarom zing ik zacht: Give me that old time religion, it was good for my greatgrandmother, it is good enough for me!
1 J.W. Tunderman, ’t Beginsel der eeuwige vreugde I, pag. 91.
2 Prof. B. Holwerda, De dingen die ons van God geschonken zijn. Catechismuspredicatiën I, pag. 46.
3 Wapenveld jaargang 50, nr. 1.
4 Douglas Bond, Verraad. Houten (Uitgeverij Hertog), 2009.
5 Jan Pit (red.), Elke dag geboeid. Uit de schatkamer van de Lijdende Kerk. Hoornaar (Uitgeverij Gedeon), 1994.