Het briefkaartje
2013-11-01
Achter een nietig voorwerp kan een hele geschiedenis, soms een tragedie, schuilgaan.- Jaargang 57
- nummer 21
Het is veertien mei. In een impuls pak ik het familieplakboek en licht er een kaartje uit. Hét briefkaartje, gestempeld Rotterdam en gedateerd 13 mei 1940. ‘Geliefde kinderen,’ staat erboven. Opa stuurde het aan zijn kinderen in Amsterdam en toen het op veertien mei daar aankwam, was opa dood. Uiteengereten door een bom die het huis binnengedrongen was.
Met het kaartje in handen ben ik zomaar weer terug in Rotterdam, op 14 mei 1940, vroeg in de middag. Ineens was daar een gruwelijk gedreun van overvliegende zware vliegtuigen en direct daarna het vreselijke geluid van meedogenloos inslaande, fluitende en krijsende bommen.
Wij woonden vlakbij de brandhaard. Ons huis schudde en trilde, het leek voorover te vallen. Ik rilde en beefde en was ziek van de buikpijn, o, die mateloze angst! Niet lang daarna jagen stromen radeloze mensen door de straat, weg willen ze van het inferno in de binnenstad.
Toen gebeurde het allerergste. Er werd gebeld en een man stotterde dat opa omgekomen was. Een brisantbom had hem en andere bewoners van de Bergstraat gedood. Mijn vader en moeder stonden verloren in de kamer, armen om elkaar heen; ze huilden wanhopig. Wij als kinderen schuilden bij elkaar. Die twee dingen: die hel die om mij heen woedde en mijn ouders, verloren in hun verdriet – ze staan in mijn geheugen gegrift.
Opa was altijd vast verzekerd geweest van zijn toekomst bij God; onze ouders troostten en omhelseden ons weer. Maar dat wanhopige moment zal ik nooit meer vergeten. Het komt elke keer weer boven als ik dat simpele briefkaartje pak.