De jeugdcontactpersoon: een maatje vanuit de gemeente

2014-01-25
  • Jaargang 58
  • nummer 2
Jeugdwerk heb je in soorten en maten. Catechese en club is van alle tijden, ook al verschilt de manier waarop het wordt ingevuld van gemeente tot gemeente. Een betrekkelijke nieuwkomer is de ‘jeugdcontactpersoon’. In de NGK Amersfoort-Noord hebben we er intussen alweer een jaar of wat ervaring mee.

‘Elke jongere een levende relatie met God.’ Zo formuleerden we een kleine tien jaar geleden de missie voor het jeugdwerk in onze gemeente, toen ons als jeugdraad was gevraagd om dat werk eens grondig onder de loep te nemen. Het vertolkte een gedeeld verlangen, het doel dat ons inspireerde.
Het kwam niet uit de lucht vallen, maar we ervoeren het wel als een geschenk dat we het zo helder voor ogen kregen. Deze missie werd de aanjager voor alles wat met ons jeugdwerk te maken had.
We zagen het als een drieslag: je doet ertoe, je gaat ervoor, je trekt samen op. Alles wat we in onze gemeente ondernamen op jeugdwerkterrein moest daar op de een of andere manier mee te maken hebben. Visiegedreven, noemden we dat.

Trektocht
Het hing in de lucht. Rond de millenniumwisseling kwam er in veel meer (NGK-)gemeenten hernieuwde aandacht voor jongeren. Het Nederlands Gereformeerd Jeugdwerk kreeg z’n eerste betaalde kracht (André Maliepaard) en van lieverlee stelden steeds meer gemeenten speciale jeugdwerkers aan. In onze gemeente bundelden we de krachten vooreerst in een jeugdraad, die na een gemeentebrede vragenronde en heel veel verdiepende gesprekken met gemeenteleden, ouders en jongeren – en niet te vergeten alle catecheten en clubleiders – bovengenoemde missie formuleerde. Want hoe divers mensen ook dachten, het verlangen naar speciale aandacht voor de leeftijdsgroep 11-20 (grof geschetst) was evident.

Hoe ‘relationeel’ zijn wij, vroegen we ons af. Zijn we er in de catechese en de jeugdclubs voldoende van doordrongen waar het om gaat? Wat willen we er eigenlijk mee, waar is het ons om te doen als we jongeren uitnodigen voor de dienst, voor de club, voor de catechisatie? Welke ‘agenda’ voeren we, al dan niet verborgen?
Hoe meer we daarover nadachten en er met elkaar en met de jongeren zelf over praatten, hoe meer we ervan doordrongen raakten dat ‘relatie’ één van de sleutelwoorden is. God zelf maakt zich van meet af aan bekend als de God die mensen opzoekt. Al in Genesis klinkt het ‘Adam, waar ben je?’ en dat blijft een rode draad, tot in de tijd van Jezus toe. En ook in het laatste bijbelboek, Openbaring, kun je het lezen: God wil bij mensen wonen. Hij zoekt ze op waar ze zijn.
Het komt er blijkbaar op aan dat wij ons laten vinden, denk ik dan. Dat wij die relatie met God aangaan. En als dat zo is, dan komt het er dus op aan dat wij elkaar daarbij niet voor de voeten lopen maar welbewust de ruimte geven, hoe jong of oud we ook zijn, in het vertrouwen dat onze Heer er bij ieders ‘trektocht’ bij is. Hij gaat mee, of je dat nu ziet of (nog) niet.

Drijfveer
God zoekt je op. Als je dat al jong ontdekt, ben je een gezegend mens. En het is heerlijk als dat dan ook bevestigd wordt door het klimaat waarin je opgroeit, als je daarin ‘gevonden’ wordt en ertoe doet. Als er onvoorwaardelijk van je wordt gehouden, als er ruimte is voor vergeving en er altijd een nieuw begin mogelijk is.
Misschien is dat voor mij wel de diepste drijfveer geweest om me aan het jeugdwerk te verbinden, al toen ik die leeftijd zelf nog maar amper was ontgroeid. Ik besefte hoe nodig het is om gekend te zijn, je te mogen uitspreken, te ervaren dat het ertoe doet dat je er bent.
De eerste kans daarvoor ligt bij het gezin waarin je opgroeit en de kring van je familie. Met opzet gebruik ik hier het woord ‘kans’, want dat het daar niet altijd goed gaat, hoef ik niemand uit te leggen. Dat was ook precies mijn tweede drijfveer: de overtuiging dat er ook buiten het gezin bevestiging nodig is, meestal alleen al omdat dat blikverruimend is, maar soms omdat het letterlijk van levensbelang is.
In onze gemeente ontstond hieruit een soort mentoraat: vanaf je 11e is er voor jou persoonlijk een volwassene die jou kent en op wie je kunt rekenen. In feite is dat een invulling van wat wij als gemeenteleden beloven bij de doop van ieder kind: dat wij, als er een moment komt dat onze wegen elkaar kruisen, er voor dat kind willen zijn. Hoe gewoon zo’n beloftemoment ook kan worden, ik heb het altijd bijzonder gevonden om jezelf zo hardop te horen zeggen dat je belooft voor iemand een naaste te zullen zijn.

Maatje
‘JCP’ers’, noemen we ze, de mensen die zich willen verbinden aan één of een paar jongeren. Jeugdcontactpersonen: mensen die ruimte hebben of maken om de daad bij het woord te voegen: ‘je doet ertoe, je gaat ervoor, je trekt samen op’. Een maatje in het (geloofs)leven. In het licht van de doopbelofte eenvoudigweg: een naaste.
Natuurlijk is de praktijk weerbarstiger dan het idee. Je kunt enthousiast zijn, maar vind maar eens genoeg mensen die dit met je willen aangaan. En je moet er als gemeente oog voor hebben dat de contacten 'safe' zijn. Er kan onveiligheid in sluipen. Anders gezegd: je moet je bewust zijn van de randvoorwaarden voor gezond contact.
Mensen moeten worden geïnspireerd, toegerust. Net als bij elk ander pastoraal contact trouwens. Want zo zie ik het: als pastoraal contact. Of je nu enkel af en toe een groet of een high five uitwisselt, of een like’je op Facebook zet, of dat je intensiever optrekt, samen eet, muziek maakt, een film kijkt of praat of wat dan ook. Zelfs als een jongere het contact afhoudt (want ook dat kan) en jij je moet beperken tot gebed voor hem of haar is er sprake van pastoraal contact.
Contact is zo veelkleurig en soms zo schraal als het leven zelf. Ik ben er daarom niet met enkel enthousiasme, het vraagt ook volharding van me – trouw, hoe de wegen ook lopen.

Aan het hart
Dit is de verborgen agenda – die in z'n uitwerking helemaal niet verborgen hoeft te blijven, liever niet zelfs: dat het je erom te doen is dat God voor de ander dicht(er)bij komt. Dat je samen met de ander gaat ontdekken en ervaren dat God ons opzoekt, er (allang) voor ons is. Mooi als we dat kunnen uitstralen, naar elke jongere.
Ik zie het plaatje voor me van de zoon die van de Vader de ruimte krijgt om op zoek te gaan. De Vader bleef al die tijd stand-by, ook al was die jongen daar niet mee bezig. Je krijgt uit het verhaal van Jezus de indruk dat Hij hem nooit uit het oog verloren had, er altijd voor hem is geweest.
Dat beeld houdt me bij de les en geeft me het vertrouwen dat wij God werkelijk aan het hart gaan en dat we ons daardoor mogen laten inspireren in onze contacten. En dat elke jongere dat moet weten.

Coosje Haan-de Jong is lid van de NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief