Brieven over een teer verlies
2014-06-14
Zelfdoding speelt in de leeftijd van 10 tot 80 jaar. Dat zie je ook terug in de zestig brieven. Een kind verliest zijn opa, een man zijn vrouw, een vader zijn kind... Zo wisselt bij het lezen steeds weer de optiek.- Jaargang 58
- nummer 12
Tegelijk blijkt uit bijna elke brief dat er doorgaans in twee of drie generaties nabije verliezers zijn. Dat betekent dat je bijna altijd moet rekenen met verdriet dat zich stapelt. Een vrouw moet niet alleen het verdriet over haar man verwerken, maar draagt ook de zorg voor haar kinderen, die hun vader moeten missen, en probeert ook met haar schoonouders een weg te gaan. En andersom: een kind probeert mee te tillen aan het verdriet van een ouder en kan zo minder kind zijn dan gezond is. Dat alles kom je tegen in de veelheid aan getuigenissen in Leven met zelfdoding.
Kwadraat
Wat viel mij op tijdens de uren dat ik het boek zat te lezen? Eenzaamheid is een eerste woord dat in me bovenkomt.
Eenzaam is de weg van degene die uiteindelijk de dood boven het leven verkiest. ‘Dat hij in volstrekte eenzaamheid vooral die laatste weg is gegaan, was en is onverdraaglijk’, schrijft iemand, die hoopt dat de hulp bij zelfdoding bespreekbaar wordt.
En een ander pleit voor ‘een platform voor mensen die uitzichtloos geestelijk lijden, omdat zovelen op een gruwelijke, vaak onmenselijke manier sterven’. Zulke zinnen confronteren je met een diepe menselijke eenzaamheid, die ook mét hulp bij zelfdoding niet wordt opgeheven.
Tillen we genoeg aan de nood onder ons en om ons heen, ook als het gaat om zelfdoding?
Eenzaam is het ook voor wie na de zelfgekozen dood van een geliefde verder moet. Verder met een verlies dat heel persoonlijk is en tegelijk gedeeld wordt met een kring van andere nabije verliezers. Daarbij komt dan nog de eenzaam makende verlegenheid in het contact met de mensen die je tegenkomt als je na zo’n ingrijpend verlies je plek weer zoekt in de wereld, die ‘gewoon doordraait, alsof er niks bijzonders is gebeurd’. Zo moet je weer ‘gewoon boodschappen doen’, waarbij ‘iedereen zijn of haar ding doet en er plezier in lijkt te hebben’.
Iemand schrijft over een praatje dat die maakte op de camping. ‘Ik heb een zoon, ook al is hij overleden. Ik houd van hem. Ik wil hem niet ontkennen.
Dus heb ik verteld van onze zoon. Het gesprek kreeg opeens een heel andere wending, maar verliep gelukkig goed.’ Aan de andere kant blijkt meer dan eens uit de ervaringen van de brievenschrijvers dat mensen het contact met hen uit de weg gaan. Iemand noemt het ‘het onderste-schappensyndroom’, een ander vertelt hoe die buiten het eigen dorp de boodschappen is gaan doen, vanwege goedbedoelde maar nietszeggende opmerkingen die worden gemaakt. Dat geeft eenzaamheid in het kwadraat.
Ten goede
Gelukkig kan het ook anders. Iemand schrijft dat je soms uit de meest onverwachte hoek de mooiste reacties krijgt. En steun komt niet zelden van mensen die zelf ook een groot verlies hebben geleden. Wat in feite ook de insteek van het boek zelf is, om vanuit de eigen, bittere verlieservaring anderen tot steun te zijn.
Opvallend vaak kwam ik tegen dat mensen na verloop van tijd aangaven dat het grote verlies toch ook positieve effecten had. Zo is soms hun waardering gegroeid voor de kleine, dagelijkse dingen, zoals het mooie van de natuur en ook de contacten van alledag. En anderen gaven aan dat bestaande contacten zich na het ingrijpende gebeuren hadden verdiept of dat de herinneringen aan de gestorvene gaandeweg meer gingen glanzen.
Boeiend vond ik het om een aantal keren tegen te komen dat mensen na een fase van rouwverwerking zelf een switch maakten richting de hulpverlening en werk vonden als rouwcoach of begrafenisondernemer.
Al lezend kwam ik niet of nauwelijks mensen tegen die in de christelijke gemeente veel steun vonden na een verlies door zelfdoding. Dat zegt natuurlijk niet alles, maar ik realiseerde me wel dat hier prachtige kansen liggen.
Doen we daar als gemeente niet te weinig mee? Tillen we genoeg aan de nood onder ons en om ons heen, ook als het gaat om zelfdoding? In het voetspoor van Jezus zou de gemeente toch kunnen uitgroeien tot een plaats waar de geslotenheid en eenzaamheid rond zelfdoding en andere nood doorbroken kan worden! Wat belemmert ons?
Palet
Het zal niemand verbazen dat de zestig verhalen een veelkleurig beeld geven als het gaat om de gevoelens die opspelen na zelfdoding. Bijna steeds merk je dat verdriet zich mengt met gevoelens van onmacht en schuld.
Mensen vragen zich af of ze zelf aanleiding hebben gegeven voor de zelfdoding van de ander. Of ze kampen met kwellende vragen en soms verwijten of ze wel voldoende alert zijn geweest. ‘Hadden we niet meer...’ Schuldgevoelens kunnen ook opspelen in een latere fase, bijvoorbeeld op momenten van opnieuw genieten of bij de vreugde van een nieuwe relatie.
Of ook als iemand een zekere opluchting voelt, die hij echter niet durft toe te laten. Terwijl aan een zelfdoding soms vele moeizame jaren vol van onzekerheid zijn voorafgegaan.
In het palet van gevoelens zit vaak ook de boosheid richting de gestorvene, met het verwijt dat de ander met zijn zelfgekozen dood de gemakkelijkste weg heeft gekozen of met de vertwijfelde vraag of de achterblijvers niet de moeite waard waren om voor het leven te kiezen. Wat daarbij opvalt, is dat de boosheid doorgaans afneemt als het besef groeit hoe diep de nood en eenzaamheid van de gestorvene in die laatste dagen en uren moet zijn geweest.
Dus gevoelens van verdriet, schuld, eenzaamheid, onmacht, boosheid, onzekerheid en nog veel meer: ze kunnen allemaal meespelen, en niet zelden als verschillende realiteiten die naast elkaar bestaan. De teneur van de brieven is: ontkennen helpt niet, zoek hulp en ga ermee aan het werk.
Weinig geloof
De samenstellers van het boekje hebben bepaald niet alleen mensen uit christelijke kring gevraagd. Misschien is dat de reden dat geloof en kerk niet op de voorgrond staan in het boek. Je leest een paar keer dat bidden de nabestaanden zwaar viel, maar ook dat mensen na kortere of langere tijd geloof en gebed hervonden en daarin de nabijheid van God (opnieuw) ervoeren.
Soms stuit je op anders getinte spiritualiteit, zoals het besef dat ook zonder God een mens niet ophoudt te bestaan wanneer het aardse bestaan ten einde komt.
Wereldvreemd is het boek dus allerminst.
En daardoor confronteert deze verzameling van zestig brieven je talloze keren met de vraag wat we vanuit de christelijke gemeente kunnen betekenen voor de mensen rondom ons, ook als het gaat om verdriet en eenzaamheid rond zelfdoding.
N.a.v. Jolien van der Kooij en Wouter de Jonge, red. (2014), Leven met zelfdoding, 'Sinds 1883 - uitgevers'.
Jolien van der Kooij is docent aan de uitvaartvakopleiding, Wouter de Jonge is uitvaartondernemer.
Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.