Schudden aan je geloof

2014-06-28
  • Jaargang 58
  • nummer 13
Ook predikanten kunnen hun aanvechtingen hebben. Dat is niet iets om je voor te generen en nog minder iets om te negeren. Daarom vroeg Jan Mudde voor zijn jaaroverzicht in het Informatieboekje 2014 de predikanten van de NGK naar hun twijfels. Een impressie van de verhalen die loskwamen.

Vragenlijst
De volgende vragen legde Jan Mudde zijn collega’s voor:

• Heb je weleens geloofstwijfels?
• Hoe hevig zijn ze, i.c. hoe diep gaan ze?
• Lijd je weleens onder je twijfels?
• Welke twijfels dringen zich soms aan je op?
• Waardoor worden die twijfels veroorzaakt?
• Welke invloed hebben jouw twijfels op je persoonlijke geloof?
• Zijn er hoofdzaken van het christelijk geloof waar je ten gevolge van je twijfels anders tegen bent gaan aankijken?
• Lukt het je om ondanks (of dankzij!) je twijfels geloofwaardig als predikant te functioneren?
• Deel jij je twijfels weleens met anderen?
Zo ja, met wie?
• Hoe kijk je meer in het algemeen tegen twijfels aan? Ervaar je ze als een bij deze tijd behorend gegeven, een kans om gelouterd te worden, een verzoeking van de duivel of nog weer iets anders?
• Hoe overwin jij je twijfels?
• Wat neem jij van je twijfels (en de overwinning daarop) mee in je prediking en onderricht?


Dat het geloof voor een predikant net zo weinig vanzelfsprekend en net zo kwetsbaar is als voor ieder ander mens moet mijns inziens benoemd worden en vraagt zelfs om bijzondere aandacht. Allereerst omwille van de gemeente van Jezus Christus.
Predikanten zijn binnen de protestantse kerken dragers van de vlam van het Evangelie. Zij gaan voor in de bediening van Gods Woord, de sacramenten en de gebeden, hebben een voorbeeldfunctie en zijn – zij het gelukkig niet exclusief – voor velen een identificatiefiguur. Hun aanvechtingen en twijfels gaan dus per definitie de gemeente aan, omdat ze direct of indirect doorwerken in hun functioneren en in de boodschap die ze brengen.
Vervolgens ook omwille van de predikant zelf. Menige predikant zal gegeven zijn bijzondere positie in de kerk moeite hebben om zijn of haar twijfels onder ogen te zien en te delen met anderen. Dat kan betekenen dat sommigen betrekkelijk eenzaam met hun twijfels en aanvechtingen worstelen.
Kunnen predikanten hierin iets voor elkaar betekenen? Kunnen kerkenraden en gemeenten hierin iets voor hun predikant betekenen?
Ten slotte is het heel wel denkbaar dat een predikant, omdat hij of zij zo intens met het geloof en de Bijbel bezig is, iets zinnigs te zeggen heeft over de omgang met geloofstwijfels en bij uitstek geschikt is om anderen te helpen om te gaan met twijfels.

Lotgenoot
Mijn lijst met vragen rond twijfels en aanvechtingen (zie het eerste kader) stuurde ik aan 87 predikanten. Van 44 predikanten kreeg ik een reactie: 35 predikanten stuurden de vragenlijst beantwoord terug en 9 gaven te kennen de vragen niet te willen (3) of wegens omstandigheden niet te kunnen (6) beantwoorden.
Met een welhaast eerbiedige schroom en zo nu en dan zelfs ontroering heb ik de reacties van mijn collega’s op de vragen doorgenomen. Het geeft een bijzonder inkijkje in de geloofsvragen die zij hebben, hun omgang daarmee en hun openheid daarover.
Het eerste dat mij daarbij opvalt, is hoe geschakeerd het fenomeen twijfel is. De ene predikant worstelt met de vraag of God hem wel echt aanvaard heeft, de ander wordt aangevochten in zijn Godsvertrouwen door een diep teleurstellende ervaring met de gemeente van Jezus Christus. Weer aan andere predikant kampt met depressies en is dan God kwijt. En zo zijn er ook predikanten die twijfelen aan zichzelf, aan de oprechtheid van hun geloof, aan hun toewijding, aan de mate waarin ze weerstand bieden aan de duivel... Ook het moderne wereldbeeld en de vermeerderde kennis van het heelal, het leven, geloofsvoorstellingen en de Bijbel veroorzaken twijfels.
Het tweede dat mij opvalt, is dat NGK-gemeenteleden met twijfels en aanvechtingen niet zelden een lotgenoot treffen in hun predikant. Niet altijd natuurlijk – waarom zou dat ook moeten? – maar voor een gemeentelid kan het van betekenis zijn dat een predikant van binnenuit kan begrijpen wat hij doormaakt. Ook kan het in gesprekken met zoekende mensen van buiten de kerk van waarde zijn dat de reactie van de predikant op kritische vragen over God, het geloof en de kerk geen uit het hoofd geleerde les is, maar met hart en ziel doorleefd en doordacht is.
Het derde dat me opvalt, is dat eigenlijk elke predikant die twijfelt of heeft getwijfeld ‘iets’ (wat dan ook) met zijn twijfels doet, een weg gaat, een gevecht aangaat, een zoektocht begint. Als er twijfels zijn, worden die soms als zwaar of zelfs heel zwaar beleefd.
Ze kunnen knagen aan iemands bestaansgrond, zoals houtrot aan de fundamenten van een woning, en het functioneren als predikant zelfs bemoeilijken. Maar uiteindelijk en misschien zelfs vooral worden ze als een kans beschouwd, een kans om ‘antistoffen op te bouwen’, een kans op een helderder inzicht, een dieper doorleefd, een gelouterd, een volwassener geloof.
Sommigen zien het door twijfel opnieuw doordenken van het geloof zelfs als een roeping, een queeste.
Dit geeft aan het zware thema twijfel en alle misschien wat tobberige verhalen toch een wat lichtvoetige toon.
De twijfel is er en soms blijft ze, maar de Zeeuwse wapenspreuk ‘Luctor et emergo’ voert toch de boventoon.

Hart
Het meest opvallende vind ik dat op een cruciaal moment in de verhalen – bij de vraag ‘hoe overwin jij je twijfels?’ – heel vaak de Christus-belijdenis weerklinkt. Het antwoord op de vele vragen waarvoor de seculiere tijd en het bestaan als zodanig ons plaatsen wordt door veel predikanten in de NGK niet gevonden in een algemeen Godsbesef, maar in de persoon en het onderwijs van Jezus Christus. Deze sterke concentratie op Jezus Christus behoort allicht tot het hart van het christelijk geloof en baart in die zin geen opzien. Maar toch ook weer wel, omdat daaruit blijkt dat dit hart in een tijd dat het geloof sterk aangevochten wordt zo krachtig klopt.
Als ik het bovenstaande op me laat inwerken, dan durf ik te stellen dat onze predikanten, doordat ze onontkoombaar en heel intens bezig zijn met het geloof, echt iets kunnen betekenen voor gemeenteleden en niet-gemeenteleden die worstelen met geloofsvragen.

Ds. Jan Mudde is predikant van de NGK Haarlem.



‘Altijd weet ik dat God van mij houdt’

‘Geloofstwijfel ken ik niet. Het zou trots kunnen klinken, maar zo bedoel ik het niet. Ik realiseer me namelijk dat het een door God gegeven voorrecht is.
Het heeft, denk ik, ook met mijn bekering te maken. Op latere leeftijd (dertiger) ben ik tot bekering gekomen. Voor mij ging het licht aan tijdens het lezen van een boek van Watchman Nee, Het normale christelijke leven. Op de achtergrond speelden veel andere zaken in mijn leven, zowel op mijn werk als in relationele sfeer. Het zijn allemaal zaken die God heeft gebruikt om mijn hoofd voor Hem te buigen, maar toen dat gebeurde was ik overweldigd door de liefde van God de Vader. Het waren intense momenten van geluk en ook verwondering.
Hoe is het mogelijk dat God zo veel van mij houdt?
Ik heb nog nooit zo veel liefde ervaren in mijn leven als rondom mijn bekering. En nog steeds ervaar ik Gods liefde en weet ik dat God van mij houdt. Dat neemt niet weg dat ik momenten heb dat mijn geloofsleven lijkt te verflauwen en God ver weg lijkt, maar het is geen crisis in die zin dat ik twijfel aan het bestaan van God.
Ik twijfel er ook niet aan of God wel naar mij luistert of niet. God luistert sowieso, maar Hij verhoort niet altijd op de wijze waarop ik dat graag zou willen. Ik heb de neiging om de vraag om te draaien. Hoe goed luister ik naar mijn hemelse Vader?
Soms lijkt het stil te blijven en gebeuren er dingen waar ik niks van begrijp. Ik ben recent nog door een moeilijke periode heengegaan.
Ik heb dat alles een plaats moeten geven. Ik ben daar nog steeds mee bezig, maar nu al kan ik zeggen dat ik er beter ben uitgekomen. Het heeft louterend gewerkt en mijn geloofsleven verdiept.’



‘Juist vanwege mijn twijfels kan ik geloofwaardig als predikant functioneren’

‘Soms twijfel ik aan “de waarheid” van bepaalde delen van de Bijbel, maar twijfel over mijzelf en op een dieper niveau over Gods liefde voor mij zijn soms langere tijd aanwezig.
De twijfels over Gods Woord zijn niet hevig, de twijfels over mijn relatie met God gaan dieper. Daar lijd ik in die zin onder dat ik me – niet verstandelijk, maar gevoelsmatig – soms afvraag of God mij wel vergeven heeft en mij echt liefheeft.
Die twijfels worden veroorzaakt doordat ik lang getwijfeld heb aan de aanvaarding door mijn aardse vader. Ik had het gevoel niet “waardig” te zijn. Het gevolg hiervan voor mijn persoonlijke geloof is dat ik worstel met vergeving en aanvaarding van de liefde van God.
Wat betreft de hoofdzaken van het christelijk geloof: alles wat in de apostolische geloofsbelijdenis staat, staat voor mij nog altijd recht overeind.
De discussie over de lezing van Genesis 1 is voor mij niet langer van levensbelang. Verder was ik vroeger heel zeker over het lot van hen die niet in Jezus geloven. Nu laat ik dat openstaan en geef ik het in de hand van God, die rechtvaardig oordeelt. (...) Juist vanwege mijn twijfels kan ik geloofwaardig als predikant functioneren.
Je kunt dichter bij de mensen komen als je ook vragen stelt. Niet omdat dat “modern” klinkt, maar omdat dat wezenlijk is.
Twijfel is iets anders dan ongeloof (Doubt van Os Guinness heeft mij enorm geholpen).
Mijn twijfels overwin ik door altijd weer te focussen op Jezus Christus.
Niet dat dan alle vragen die de Bijbel bij mij oproept verdwijnen, maar ze zijn dan hanteerbaar en ook niet meer van levensbelang.
Aan Jezus en wie Hij is, heb ik nog nooit getwijfeld. Dat blijft mijn rustpunt, mijn fundament. Ook samen delen en bidden met een ander, helpt me. Getuigen van mijn geloof aan een ongelovige doet mij ook groeien in zekerheid.’



‘Ik heb soms het gevoel dat God meer werk zou moeten maken van pr’

‘Ik twijfel nooit aan God. Ik twijfel weleens of God werkelijk is wie ik denk dat Hij is. Ik twijfel ook weleens als ik het Oude Testament lees: is dit werkelijk mijn God?
Ik ken maanden van depressies.
Dan is er niets van God te vinden, of misschien een bodem heel diep in de put. Ik twijfel dan niet aan God, wel of ik Hem weer zal vinden.
Diep, maar niet bodemloos.
Ik lijd onder mijn twijfels, maar ze zetten me ook aan om te zoeken. Ik blijf geloven dat God er is en dat Hij liefdevol is, en daarom blijf ik zoeken als ik dat kwijt ben.
Ik twijfel over hetgeen ik van God mag zeggen, wat ik mag beloven aan mensen in nood en aan mensen die een geliefde verliezen, die bang zijn voor ontluistering. In Gods naam beloof ik dingen: dat God er zal zijn als je echt zoekt. Maar soms lijkt dat niet waar. Ik heb soms het gevoel dat God meer werk zou moeten maken van pr.
Ik twijfel niet aan de hoofdzaken van het christelijk geloof, maar ben beter de geestelijke strijd gaan begrijpen en de ernst van het kruis. Ik denk verder dat mijn twijfels eerder helpen om als predikant te functioneren dan dat ze in de weg zitten.
Ik kom namens God, maar ik sta soms ook namens mensen tegenover God.
Ik deel mijn twijfels met een gebedsmaatje, dat is belangrijk. Hoe ik mijn twijfels verder overwin? Het scheelt dat ik wat ouder ben. Ik raak niet meer in paniek. Ik vecht en zoek en als dat niet lukt geef ik me over en wacht af. Ondertussen vertel ik mezelf en anderen wat ik weet dat waar is, niet wat ik voel.’



‘Soms weet ik door de verschillende exegeses niet meer wat er staat’

‘Ik heb niet echt geloofstwijfels in de zin van twijfel of God wel bestaat. Wie zijn wij, beperkte mensen… Wel merk ik twijfel bij de stilte. Ik verlang soms hevig naar door mij "ervaren" antwoorden van God. Die zijn er wel, maar vragen soms zo veel geloof en vertrouwen.
(…) Ook leidt vervreemding bij mij tot vertwijfeling. Ik ga me hoe langer hoe meer een vreemde voelen in deze wereldtijd en in de kerk. De ontwikkelingen rond samenwonen, het aanvaarden of barmhartig ruimte geven aan samenwonen van mensen met een homoseksuele oriëntatie, vrouw in het ambt, de grote, grote plaats van onze menselijke gevoelens, de ideeën en verlangens in de kerk rond de diensten en activiteiten en dergelijke, de professionalisering van alles, de invloed van sociale wetenschappen en allerlei managementideeën, het door mij ervaren (is persoonlijk en dus beperkt) verdwijnen van eerbied voor God en het echt anders zijn van God (niet samenvallend met al onze gevoelens/ervaringen/ ideeën): al deze zaken ervaar ik als een niet te keren stroom die in mij een diep besef van vervreemding oproept.
In de Bijbel proef ik een heel ander levensbesef, een andere vroomheid. Ik geneer me in kerkdiensten regelmatig voor ons tegenover God. Het is er zo vol van allerlei menselijk gedoe en gepraat.
Daarbij komt dat de Bijbel onbetrouwbaarder wordt.
Soms weet ik door de verschillende exegeses niet meer wat er staat. Het kan ook nog altijd anders. Dat gaat wel diep en is uiterst verwarrend.
Soms weet ik het niet meer, is het geheel leeg. Het geeft een constante druk en somberheid. Dat is wel verweven met mijn persoonlijke beleving van het leven. Het gevolg is dat het besef van roeping verdwijnt en mijn ambt steeds meer werk wordt.
Wat blijft, is vooral voorbede, een besef van roeping tot voorbede. Ik trek me terug in een persoonlijke vroomheid van aanbidding in getijden en voer een soort constante innerlijke strijd om in verbondenheid mee te gaan met de gemeenschap waar ik deel van uitmaak.
(...) Onze twijfels lijken mij te maken hebben met onze verwevenheid met de wereldtijd. Tegelijkertijd zijn allerlei manieren waarop wij die twijfels en problemen tegemoet treden net zo verweven met de wereldtijd.
Dat schiet niet echt op. Als we tijd van leven hebben, zouden we over twintig jaar weleens kunnen zien dat we nog verder van huis zijn.
De vragen en twijfels naar God en allerlei zaken ten aanzien van het geloof zouden mijns inziens dus weleens een oordeel van God kunnen zijn. God zou ons dan overgegeven hebben aan de stroom van de tijdgeest waaraan we onszelf hebben “overgegeven”. Dat oordeel zouden we dan moeten dragen met elkaar. En dat is misschien wel het laatste wat we willen.
Mijns inziens gaat God wel met ons mee en blijft van alles zegenen, maar…’


‘Geloofstwijfel heeft voor mij ook met zonde te maken’

‘Twijfels aan de waarheid van het christelijke geloof heb ik niet zozeer.
Twijfels aan de waarheid van de schepping in zes dagen gaan zelfs een beetje aan mij voorbij... Wat voor mij veel meer speelt, is de andere kant van de geschiedenis. Ik geloof dat Jezus terugkomt en houd daar ook taai aan vast, maar dat geloof moet ik wel oefenen. Er zijn momenten waarop ik me afvraag: hoe serieus reken ik er echt mee? Dan bekruipt me wel een lastig te vatten gevoel van geloofstwijfel.
Overstem ik dat met een lied?
Overschreeuw ik dat met mijn gebed?
Ik zie het eerder als het vaste voornemen om het geloof in de wederkomst niet op te geven. (…) Geloofstwijfel heeft voor mij ook met zonde te maken. Niet dat ik mijn geloofstwijfel op zichzelf als zonde zie.
Maar het gemak waarmee ik soms over mijn zonden heen kan stappen, doet bij mij weleens de vraag rijzen of ik wel daadwerkelijk in de wederkomst geloof. Reken ik wel echt met het moment dat mijn zonden aan de dag komen?
Ja, soms lijd ik aan die afschuwelijke gedachte dat mijn geloof niet echt is.
Het ware geloof van zondag 7 is dan anders dan het mijne. Maar dat is sporadisch. (…) De worsteling met geloofstwijfel staat sterk in de schaduw van de worsteling van het vinden van tijd om zelf het geloof te oefenen.
Over het algemeen is mijn geloof van een andere aard, zodat ik mijn geloofstwijfels niet als diep of hevig zou betitelen. Ik kan diep, enorm diep verlangen naar de wederkomst en het recht. Gelukkig komt God iets rechtzetten, ook al weet ik niet hoe. Dat brengt mij dicht bij God. Ik verlang ernaar dat God ook voor ons opkomt en ons helpt, want er zijn zo veel machten waartegen we machteloos zijn, maar die Jezus Christus overwonnen heeft. Ook dat brengt mij dichter bij God. Net als het ziekenhuispastoraat aan ernstig zieken, de gesprekken met andere christenen, de interkerkelijke gebedsweek en het contact met andere gelovigen.’


‘Ik koester mijn vragen niet’

‘Al lijd ik soms onder mijn geloofstwijfels, ze gaan nooit zo diep dat ik liever een zondag zou willen overslaan.
Ik kan eigenlijk altijd wel met overtuiging preken, zonder me een huichelaar te voelen.
Mijn vragen zijn:

• Waarom heeft God in vredesnaam ooit ménsen willen maken?
• Waarom kon God ons niet de keus geven tussen goed en beter – en zo het kwaad volledig achterwege laten?
• Waarom neemt God de mensen zo verschrikkelijk serieus? Met name bij de profeten kan Hij zó tekeer gaan, dat ik weleens denk: ook in dit opzicht wéét U toch wat van Uw maaksel valt te verwachten?
• Wat doet God met het gebed van een jongetje dat opgesloten wordt in een kast?
• De vijand is voor God toch géén partij? Waarom is de overwinning dan zo ingewikkeld?

Deze vragen zijn voornamelijk mijn eigen gedachtespinsels en hebben weinig invloed op mijn persoonlijke geloof. Ik koester ze niet. Er zijn ook geen hoofdzaken van het christelijk geloof waartegen ik ten gevolge van mijn twijfels anders aan ben gaan kijken.
Tim Keller ziet iets positiefs in een tijd van twijfel: je bouwt dan antistoffen op. Dat vind ik wel een mooie gedachte.
Ik overwin mijn twijfels door het geloof te vieren, goeie boeken te lezen en de gemeenschap der heiligen zoeken.’


‘Ik dwing mijzelf om mijn verstand niet de boventoon te laten voeren’
‘Als ik de grenzen uit het oog verlies, zijn mijn geloofstwijfels behoorlijk existentieel – en kan ik begrijpen dat mensen hun geloof verliezen. Soms twijfel ik aan de waarheid van het bijbelse verhaal: dat er een Wezen is die deze aarde met een bedoeling heeft gemaakt en (het) leven van mens en dier wilde, dat er 2000 jaar geleden dingen gebeurd zijn die voor historici niet belangwekkend zijn maar wel wereldschokkend waren en kosmologische betekenis hadden en hebben, en dat er een dag komt dat er een mens uit de hemel naar de aarde komt en dat dan deze aarde weer zeer goed zal zijn, zoals in het begin.
Uiteindelijk hebben deze twijfels geen invloed – althans, geen funeste – op mijn persoonlijke geloof. Eerder omgekeerd: ‘hoe groot zijt Gij’. Als ik namelijk op het punt kom van ‘van de zotte’, dwing ik mijzelf om mijn verstand niet de boventoon te laten voeren, alsof alleen waar zou kunnen zijn wat ik met mijn verstand kan bevatten.
Ook omdat ik mijn God kwijtraak als ik op dat spoor verder ga, en dat wil ik niet. Er zijn dan ook geen hoofdzaken van het christelijk geloof waar ik ten gevolge van mijn twijfels anders tegen ben gaan aankijken.


‘Ik dwing mijzelf om mijn verstand niet de boventoon te laten voeren’

‘Als ik de grenzen uit het oog verlies, zijn mijn geloofstwijfels behoorlijk existentieel – en kan ik begrijpen dat mensen hun geloof verliezen. Soms twijfel ik aan de waarheid van het bijbelse verhaal: dat er een Wezen is die deze aarde met een bedoeling heeft gemaakt en (het) leven van mens en dier wilde, dat er 2000 jaar geleden dingen gebeurd zijn die voor historici niet belangwekkend zijn maar wel wereldschokkend waren en kosmologische betekenis hadden en hebben, en dat er een dag komt dat er een mens uit de hemel naar de aarde komt en dat dan deze aarde weer zeer goed zal zijn, zoals in het begin.
Uiteindelijk hebben deze twijfels geen invloed – althans, geen funeste – op mijn persoonlijke geloof. Eerder omgekeerd: ‘hoe groot zijt Gij’. Als ik namelijk op het punt kom van ‘van de zotte’, dwing ik mijzelf om mijn verstand niet de boventoon te laten voeren, alsof alleen waar zou kunnen zijn wat ik met mijn verstand kan bevatten.
Ook omdat ik mijn God kwijtraak als ik op dat spoor verder ga, en dat wil ik niet. Er zijn dan ook geen hoofdzaken van het christelijk geloof waar ik ten gevolge van mijn twijfels anders tegen ben gaan aankijken.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief