Bijzondere kinderen

2014-06-28
  • Jaargang 58
  • nummer 13
‘Een bijzonder kind en dat is-ie.’ Het is een bekende zin uit een kinderboek over een dikke jongen met veel kwajongensstreken.
De titel ‘bijzonder kind’ krijgt bij ons vaak een soortgelijke, niet al te positieve lading. Wanneer er iets met een kind is, maar het is onduidelijk wat, dan wordt er voor deze bewoording gekozen. Denk aan kinderen met ADHD, dyslexie, autisme of hoogbegaafdheid. Maar in Gods ogen is ieder kind bijzonder, uniek en geschapen door Hem. Dus niet alleen het kind dat anders is dan ‘normaal’. Hoe kunnen we die gedachte in de gemeente gestalte geven?


U kent ze vast wel: het meisje van 8 jaar dat constant zit te wiebelen op haar stoel en iedere dienst naar de wc moet, het jongetje van 5 jaar dat nooit naar zijn moeder wil luisteren, het jongetje van 7 jaar dat tijdens het kinderpraatje van de dominee altijd bijzondere en onverwachte antwoorden geeft...
Het onverwachte en wellicht onlogische antwoord van het jongetje op de vraag van de dominee resulteert in een luid gelach van de gemeente. Maar hoe is dat voor dat jongetje? Hij vond het kinderpraatje altijd leuk, maar tegelijk best eng. Eindelijk durfde hij nu het podium op. De dominee stelde hem zelfs een vraag. Hij gaf heel serieus antwoord.
Hij was trots en had verwacht dat iedereen in de gemeente ook trots zou zijn. Hij had niet verwacht dat hij uitgelachen zou worden... Want zo voelde het toch echt: hij werd uitgelachen.

Zorgvuldiger
In 1 Korintiërs 12 lezen we dat we als gemeente één lichaam zijn: ‘Een lichaam is een eenheid die uit vele delen bestaat; ondanks hun veelheid vormen al die delen samen één lichaam.’ In vers 23 staat dat er ook lichaamsdelen zijn waar we ons voor schamen, die we liever bedekken.
Laten we de genoemde voorbeelden er eens bij pakken. We kijken bestraffend achterom naar het meisje dat zit te wiebelen op haar stoel. We lachen bij een onverwacht antwoord van de jongen tijdens het kinderpraatje. We spreken de moeder aan omdat haar kind niet stil is tijdens de dienst. Maar met welke intentie doen we dit?
In vers 24 van 1 Korintiërs 12 staat: ‘God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben ook zorgvuldiger behandeld worden, zodat het lichaam niet zijn samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg omringen.’ Als kinderen van God zijn we broers en zussen van elkaar. Hij heeft ons als gemeente bij elkaar gebracht en wil dat we elkaar tot hand en voet zijn. Het is onze taak als gemeente om zorgvuldig om te gaan met de gemeenteleden die dit nodig hebben. Waar het in eerste
instantie gerechtvaardigd lijkt om te lachen of een ouder of kind aan te spreken, kan dit veranderen wanneer we 1 Korintiërs 12 in onze gedachten houden.

Beeld
Een stap verder gaat de liefde die wordt beschreven in 1 Korintiërs 13. We lezen onder meer dat de liefde geduldig is en vol goedheid en dat de liefde alles verdraagt. Laten we deze liefde als gemeente voor ogen houden wanneer we de kinderen uit de voorbeelden ontmoeten. Geduldig wanneer een kind niet stil kan zitten. Vol goedheid genietend, zonder hardop te lachen, wanneer een kind een voor hem logisch antwoord geeft op een vraag.
Verdraagzaam wanneer we naast de moeder zitten met haar kind dat niet wil luisteren. Het is deze liefde die ons met andere ogen zal laten kijken naar bijzondere kinderen.

In Gods ogen is ieder kind bijzonder

Kinderen vormen zich een beeld van God door wat ze zien van volwassenen: ouders, kinderwerkers én gemeenteleden.
De eerdergenoemde reacties zijn soms heel vanzelfsprekend, maar het kunnen juist deze reacties zijn die een kind een verkeerd beeld geven van wie God is en, net zo belangrijk, wie het kind in Gods ogen is. We moeten ons ervan bewust zijn dat onze reacties als ‘grote mensen’ het Godsbeeld van een kind mede vormen en moeten ervoor zorgen dat kinderen zich thuis voelen in zijn gemeente.

Extra beroep
Het is geweldig om als kinderwerker de kinderen tijdens de bijbelklas te mogen vertellen van God. We zien de bijbelklas het liefst als een gezellige en leuke plek. Maar het eerdergenoemde meisje van 8 ervaart dit wellicht totaal anders.
De liefde uit 1 Korintiërs 13 is de basis voor het kinderwerk. Liefde tonen betekent onder meer dat de kinderwerker de kinderen kent. Dat hij of zij weet wat een kind nodig heeft om zich veilig te voelen.
Er zijn kinderwerkers die van nature of vanuit hun ervaring snel hun weg weten te vinden met ieder kind. Maar kinderwerkers kunnen ook worstelen met de aanpak tijdens de bijbelklas. Er wordt een extra beroep gedaan op hun didactische en pedagogische vaardigheden wanneer er bijzondere kinderen in de groep aanwezig zijn. Dan is het belangrijk dat ze ondersteund en toegerust worden. Ook is het goed om als kinderwerkers ervaringen en ‘succesmomenten’ met elkaar te delen.

Handvatten
Ouders zijn in dezen dé ervaringsdeskundigen.
Zij kennen hun eigen kind het best. Zij weten bijvoorbeeld wat belangrijk is voor hun kind om zich veilig te voelen in een groep en zij weten wat werkt wanneer hun kind afgeleid is.
Een goede afstemming tussen ouders en kinderwerkers is daarom belangrijk.
Wanneer ouders de kinderwerkers voorzien van informatie, geven zij handvatten om de bijbelklas zo goed mogelijk af te stemmen op hun kind.
Het informeren van de gemeente wordt daarnaast door ouders veelal als prettig ervaren. Door zorgen te delen kan de gemeente daadwerkelijk extra zorg geven aan een kind en zijn ouders.

Zichzelf
‘God kent jou vanaf het begin, helemaal van buiten en van binnen in. En weet je wat zo mooi is, bij Jezus voel je je vrij, om helemaal jezelf te zijn. Want Hij houdt van jou. Ja, Hij houdt van jou en mij!’ Een paar zinnen uit een passend kinderlied.
Laten we als gemeente onze kinderen vooral de ruimte geven, zodat juist zij zich vrij voelen om in Gods gemeente helemaal zichzelf te zijn.

Aart-Jan Wijnbergen is jeugdwerker in de NGK Nunspeet en maatschappelijk werker binnen de jeugdhulpverlening.



Talitha (moeder van Jefta, een jongen met autisme):

‘Vroeger was het erg moeilijk in de kerk en werd er weleens raar gekeken als ik met een vloekend jongetje de dienst moest verlaten. Maar ik heb toen meteen een stukje in het kerkblad gezet en ben gaan overleggen wat er mogelijk was. Een tijd lang is er een vast plekje voor ons gereserveerd en is er een blad gezaagd dat over de leuningen paste, waardoor mijn kind kon tekenen en niet uit de stoel kon glippen.
Dat was superfijn! Wel is het zo dat je als ouder zelf aan de bel moet trekken en dingen kenbaar moet maken, vind ik. Je kunt niet van een gemeente verwachten dat ze zelf wel snappen wat je nodig hebt. Wees duidelijk, open en eerlijk!’


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief