Ik ga naar de hemel en neem mee... (1)
2014-07-12
Zouden we in de hemel ook liederen zingen die we nu al kennen en zo ja, welk lied zou u dan graag meenemen?- Jaargang 58
- nummer 14
Redactieleden van Opbouw en De Reformatie maakten hun keuze.
Gelukzaligheid
Ton Vos (redactielid Opbouw)
O Heer, wij zijn het volk door U verkoren,
wij zijn de schapen die uw roepstem horen,
Gij, onze herder, zult ons veilig leiden
aan stille waatren en in groene weiden.
Geslacht meldt aan geslacht
uw goedheid en uw kracht,
de grootheid van uw daden.
Zo gaat een blinkend spoor
van lof de eeuwen door.
Wij prijzen uw genade.
(Psalm 79:5)
In The Pilgrim’s Regress van C.S. Lewis wordt John gedreven door een gelukzalige ervaring uit zijn kinderjaren: een glimp van een eiland dat een intens verlangen heeft wakker geroepen. Die ervaring ken ik. Gevoelens van gelukzaligheid als kind, die tegelijk aan je greep ontsnapten.
Een betoverende melodie uit de verte. Toen ik in de eerste klas dit psalmversje moest leren, kwam die ervaring van gelukzaligheid mee. Vooral door de melodie, maar ook door de idyllische sfeer.
Het ongeschonden geloof van mijn kinderjaren is voorgoed voorbij. Maar het verlangen naar Hem die dit wakker riep, is als een stille, telkens terugkerende kracht in mijn leven. Onverwacht opduikend in een lied, een boek, een vergezicht, een kinderlach, een preek, een aanraking.
De staf van de Herder, die ons zorgzaam terugbrengt in zijn huis.
Ooit zal ik dit lied zingen zonder dat het weer vervaagt.
‘Ooit zal ik dit lied zingen zonder dat het
weer vervaagt’
Spoedig zullen wij Hem zien
Janneke Burger-Niemeijer (redactielid De Reformatie)
Op de begrafenis van mijn vriendin zongen we het: ‘Spoedig zullen wij Hem zien.’ Een lied van verlangen dat ik sindsdien nooit meer helemaal heb uitgezongen. Altijd weer barst ik in tranen uit en haal ik het einde niet: ‘want wij zullen met Hem leven, in zijn nabijheid voor altijd. En op die dag – dan komt de Heer en haalt zijn bruid.’ Mijn vriendin zal ik me altijd als bruid herinneren. Ze dansen door elkaar, die beelden, en ze raken me diep.
Ik verlang ernaar dat de Heer ons als zijn bruid zal halen.
Ik verlang ernaar samen met haar te dansen, samen zijn bruid te zijn.
Ik verlang ernaar dit lied te zingen – maar dan in de tegenwoordige tijd.
Dus kijk omhoog en zie wat nog verborgen is,
maar wat beloofd is, dat blijft in alle eeuwigheid.
En als je lijdt, weet dat het maar voor even is.
Als Jezus terugkomt, deel je in zijn heerlijkheid.
Are all the children in?
Ad de Boer (redactielid Opbouw)
‘There ain’t no grave, can hold my body down’, zingt Johnny Cash.
Dat zing ik hem graag na. ‘When I hear that trumpet sound, I’m gonna rise right out of the ground.’ Toch kies ik voor een ander lied van Johnny Cash. God belooft een eeuwige toekomst op zijn nieuwe aarde voor wie Hem kent en bij Jezus hoort. Maar niet al mijn kinderen kennen God en horen bij Jezus. Dat kan me naar de keel vliegen, en dat hoor ik terug in: ‘Are all the children in?’ Die vraag wil ik meenemen als ik bij Jezus kom: Heer, zijn al mijn kinderen wel binnen? En wilt u daar alles aan doen?
When I’m alone, I often think of an old house on the hill Of a big yard hedged in roses where we ran and played at will And when the night time brought us home, hushing our merry din Mother would look around and ask: “Are all the children in?” Well, it’s been many a year now and the old house on the hill No longer has my mother’s care and the yard is stil,l so still But if I listen, I can hear it all, no matter how long it’s been I seem to hear my mother ask: “Are all the children in?” And I wonder, when the curtain falls on that last earthly day When we say goodbye to all of this, to our pain and work and play When we step across the river where mother so long has been Will we hear ask her a final time: “Are all the children in?”
‘Er komt een tijd dat we alle tijd voor herhaling hebben’
Bach-cantates
Rob van Houwelingen (redactielid De Reformatie)
Persoonlijk hoop ik dat in de nieuwe wereld een centrale rol is weggelegd voor Johann Sebastian Bach, bijvoorbeeld door middel van een continue uitvoering van al zijn kerkelijke cantates. Uiteraard op een authentieke manier. Of Bach, de grote Bach, dan zelf ook de maat mag slaan, zoals Willem Barnard dichtte in het lied ‘Jeruzalem, mijn vaderstad’, maakt mij eerlijk gezegd weinig uit. Als zijn kerkmuziek daar maar tot klinken wordt gebracht.
Doorgaans luister ik 's zondags naar één of meer Bach-cantates op cd, liefst uitgevoerd onder leiding van Herreweghe of Suzuki, maar ook de Kruidvatserie is de moeite waard. Toen onze kinderen nog thuis woonden, werd op die gewoonte weleens gemopperd. Maar eens gingen mijn vrouw en ik samen een weekend weg; de kinderen zouden voor zichzelf zorgen. Bij onze terugkomst op maandag bleek er nog een verdwaald cd’tje in de speler te zitten. Jawel: met cantates van Bach. ‘Dat hoorde bij de zondag’, aldus de laconieke verklaring van de kinderen.
En inderdaad: het hoort voor mij typisch bij de zondag om in alle rust Bachcantates te kunnen beluisteren. Een voorproefje van de eeuwige rust?
Persoonlijk hoop ik dat in de nieuwe wereld een centrale rol is weggelegd voor Johann Sebastian Bach
Halleluja halleluja
Bram Beute (redactielid De Reformatie)
Er zijn van die liederen met eindeloos veel herhalingen.
Ik vind dat vaak prachtig. Ze creëren een moment van rust, waarin we ons in aanbidding op God kunnen richten, zonder dat we daar steeds weer nieuwe woorden, beelden of melodieën voor hoeven te gebruiken.
Denk aan Opwekking 354, ‘Glorie aan God’. Het lied bezingt met veel woorden de overwinning van Jezus Christus op de machten van het kwaad.
Maar het refrein is eenvoudig en zo een rustpunt: ‘Glorie aan God’ (4x). Of wat te denken van Opwekking 553: ‘Laat het feest zijn in de huizen’.
Het is feestelijk, verwachtingsvol en je kunt er nauwelijks bij stil blijven zitten. Maar er is rust in de regel ‘halleluja halleluja halleluja halleluja’, die ook nog eens vier keer herhaald moet worden.
Gek genoeg geven die herhalingen in de kerk vaak weinig rust. Ik zie mensen onrustig worden bij de derde herhaling. Sommigen kijken gefrustreerd en stoppen met zingen. Hebben we dan altijd haast?
Er komt een tijd dat we alle tijd voor herhaling hebben, net als de vier dieren uit Openbaring 4:8.
Ik proef in de eindeloze herhalingen nu al iets van die eeuwigheid, waarin al onze tijd gericht is op de aanbidding van God.
‘Heer, zijn al mijn kinderen wel binnen?’