Zingend onderweg naar Gods grote toekomst

2014-07-12
  • Jaargang 58
  • nummer 14
De prikkelende vraag welk lied je zou willen meenemen naar de nieuwe wereld kun je natuurlijk ook omdraaien: welke liederen nemen jou mee in de richting van het hemelse Koninkrijk, het nieuwe Jeruzalem, het paradijs, de nieuwe aarde, de eeuwigheid? Freddy Gerkema las de Opwekkingsbundel en het nieuwe Liedboek door en komt met een aantal waarnemingen.

Boeiend om twee zulke verschillende liedbundels door te lezen (zie kader pagina 14) vanwege een thema dat er mag zijn en dat bezongen wordt in een lied dat het motto werd van dit nummer: ‘Eens komt de grote zomer’ (LB 747, LvdK 288). Het is een stralende compositie, met tal van bijbelse noties. Van profeet tot patriarch, van levensboom en paradijs tot bruiloftsmaal, aards en hemels tegelijk, met engelen en een goddelijke troon.
Je merkt in zo’n lied dat je de roep om een nieuwe wereld door de hele Bijbel heen tegenkomt. Het zit in de verhalen, je hoort het in de liederen en je krijgt het voor ogen in de visionaire beelden van profeten en apostelen.
Heel veel in de Bijbel – misschien wel alles – heeft op één of andere manier te maken met die grote zomer die komt.
Dat betekent ook dat je in veel liederen van de christelijke gemeente toespelingen vindt op het nieuwe waarop zo gehoopt wordt. Niet zelden in een laatste regel van een lied, waarin nog even verder wordt gekeken dan het hier en nu.

Ster
Het verlangen naar de nieuwe wereld vind je op hartstochtelijke wijze in de psalmen, die de opening vormen van het nieuwe Liedboek. Kijk bijvoorbeeld naar ‘Hoe lang nog, Heer, gaat Gij mij voorbij’ (LB 13) of ‘Breng, Here, breng een keer in ‘t aards bestel…’ (LB 14). Vaak zijn ze geschreven onder dreiging van buiten, maar soms ook bij ziekte of ernstig eigen falen.
De psalmen zijn in de kerk altijd herkend en gezongen en zelf ook weer een bron geworden voor nieuwe liederen, die meer Jezus voor ogen hebben.
Zo schreef Willem Barnard zijn ‘Laat komen Heer, uw rijk’, met als slotcouplet: ‘De nacht is als een graf, ontij heerst in het rond. Kom van de hemel af, o Ster van Gods verbond.’ En het avondmaal is altijd gevierd met de bede ‘Kom, Jezus, kom’ (LB 407a). Zo heeft de kerk vanuit het hier en nu het verlangen bezongen naar een wereld die komt.

Typeren
Maar er is meer. In de psalmen zie je al iets van de contouren van die verlangde werkelijkheid. Zoals in Psalm 98 (LB 98d): ‘Alle einden der aarde aanschouwen het heil van Hem, onze God’, met bergen die juichen en bomen die ruisen van applaus. Zulke visionaire beelden komen op als Gods wereldwijde koningschap wordt bezongen, zoals ook in de psalmen 72 en 95-100.
Het verlangen naar de nieuwe wereld vind je op hartstochtelijke wijze in de psalmen

De christelijke gemeente is in haar liederen dicht bij de profeten en apostelen gebleven. Met Jezus voor ogen betekent Jesaja bijvoorbeeld veel: ‘De Heer richt op zijn berg een maaltijd aan… En Hij, het leven-zelf, verslindt de dood’ (LB 762, LvdK 27 – Jesaja 25) en ‘De steppe zal bloeien’ (LB 608 – Jesaja 35). Dat is de grote zomer vanuit profetisch perspectief!
Ook de apostolische geschriften inspireerden.
Soms heel direct vanuit een bijbeltekst (LB 766, LvdK 114 – Openbaring 21), soms vrijer, zoals in ‘Eens als de bazuinen klinken’ (LB 769, LvdK 300).
Als je de liederen zo doorleest, valt op hoe rijkgeschakeerd de beelden zijn die gebruikt worden om de nieuwe werkelijkheid te typeren. Wacht ons met LB 518 (LvdK 157) het paradijs of zien we de aarde en de stad (LB 777, ‘Zie, de stad van vrede komt ons tegemoet. Op de nieuwe aarde woont het Lam voorgoed’)? Of is het nog weer anders met LB 273 (LvdK 319): ‘dat het ten hemel toe moet gaan’?
Zo zijn er vele beelden. De lente wordt tot zomer, wat gezaaid is, wordt geoogst, het leven wordt tot delen in de eeuwigheid van God... Dat laatste vind je hier en daar in de slotzinnen van de psalmen: ‘tot in lengte van dagen’ (LB 23f) en ‘leven tot in eeuwigheid’ (LB 133). De liederen die na Jezus geschreven werden, borduren daar op voort. Zoals het paaslied ‘Jezus leeft en ik met Hem’ (LB 641, LvdK 217).
Soms lijkt het of elke hobbel tussen nu en straks wegvalt, zoals in: ‘Wij zullen naar zijn land geleid doorleven tot in eeuwigheid en zingen bij zijn wederkeer een nieuw gezang voor God de Heer’ (LB 655, LvdK 225). In lijn met Israël dat vanuit de woestijn het beloofde land binnentrok.

Onbekommerd
Het perspectief wisselt ook in de liederen.
In sommige liederen ligt alle nadruk op de komst van de Heer, maar in andere gezangen valt de (pastorale) aandacht op het levenseinde van een mens, die de dood door moet. Zo besluit Barnard zijn lied ‘O, Jezus hoe vertrouwd en goed’ (LB 512, LvdK 446) met: ‘Als eens mijn eigen adem stokt, dan draagt mij uw muziek.’ Zo brengen de liederen – niet alleen in het nieuwe Liedboek, maar ook in Opwekking – je bij een vooralsnog dubbel perspectief. Enerzijds zingt de kerk om de komst van de Heer, anderzijds klinkt het lied als een mens heengaat. Mooi dat er zo onbekommerd over het komen (van de Heer) en het gaan (van een mens) kan worden gezongen, in het geloof dat God die twee lijntjes wel bij elkaar kan krijgen. ‘Lieve Heer, Gij zegt “kom” en ik kom… Want o Heer, ik zeg “kom” en Gij komt’ (LB 840, LvdK 51).

Doorsteekje
Het viel me op hoe veelvuldig het in het nieuwe Liedboek gaat over de grote zomer. Heel vaak is dat maar in een enkele regel en niet zelden in een vaste formulering, die al eeuwen met de kerk meegaat.
Elke doxologie (lofprijzing) is een knipoog naar de wereld die komt.
Zoals de bekende: ‘Eer aan de Vader en de Zoon en de heilige Geest, zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen’ (LB 190a). En ook de avondmaalswending ‘totdat Hij komt’ geeft een opening naar de nieuwe wereld.
Daarin ligt ook de kracht van zulke korte, klassieke liturgische wendingen.
Een ander krachtig middel is de gelaagdheid die je in veel klassieke liederen aantreft. Bij de adventsliederen heb je dat, die niet alleen zingen over de Heer die is gekomen, maar ook uitnodigen om uit te kijken naar de Heer die komt (LB 441). Op eenzelfde manier kan een avondlied een doorsteekje geven naar de avond van het leven; ‘Wees onze laatste reisgenoot’ (LB 255, LvdK 72). En een morgenlied kan het zicht op de grote morgen openen: ‘Nu dan het licht verrezen is… houd u voor de dag bereid dat Hij verschijnt in heerlijkheid’ (LB 214, LvdK 378).

Tegenwoordige trek
Anders, maar ook boeiend, is de Opwekkingsbundel als het gaat om de grote zomer. Het gaat er minder over dan ik van tevoren verwachtte, minder ook dan in de gezangen van de oudere stromingen uit de pinksterbeweging (Maranathabeweging, Johannes de Heer). Al wil ik daar allerminst mee suggereren dat de verwachting van een nieuwe hemel en aarde een minder grote rol speelt in het evangelisch-charismatische segment van de kerk. Zou het misschien te maken hebben met het feit dat bij de liederen van lofprijzing en aanbidding, toch de hoofdmoot van Opwekking, het accent meer valt op ‘de Heer die is’ dan op ‘de Heer die komt’?
Ongetwijfeld wordt die insteek gevoed door het verlangen naar de ervaarbare aanwezigheid van God in het leven hier en nu. Een ander evangelisch verlangen, dat daarmee samenhangt, is de wens om het Evangelie van Jezus te delen met niet-gelovigen en ook deze missionaire trek proef je in veel van de aanbiddingsliederen. Beide elementen maken dat de nadruk valt op ‘de Heer is hier en nu’, meer dan op zijn komst.
Dat zie je bijvoorbeeld gebeuren in Opwekking 539, ‘Kom, nu is de tijd’. In het lied vind je een citaat uit Filippenzen 2: ‘Eens zal elke tong U belijden als Heer, buigt zich elke knie voor U neer.’ Dat is door Paulus sterk toekomstig gedacht, maar het krijgt in dit lied een tegenwoordige trek: ‘Toch heeft U het beste aan hem beloofd die nu in U gelooft.’ Mooi op zichzelf, want wat is er beter dan de lof aan God vandaag al in te zetten, als een voorschot op dat wat komt!
Tegelijk is het de vraag of er op die manier niet een zodanig accent valt op de aanbidding van God in het hier en nu dat het toekomstige van de komst van de Heer op de achtergrond raakt. Neem bijvoorbeeld ook ‘De Heer is hier in glorie en luister’ (Opwekking 458), ‘We staan hier op heil’ge grond, want de Heer is hier’ (Opwekking 360) en ‘U vult dit huis nu met uw tegenwoordigheid’ (Opwekking 676).
De verwachtingen richting de gemeente zijn daarbij hooggespannen: ‘Wij zullen heel de aarde vullen met lof… En Jezus komt weer terug… maar wij ervaren nu reeds zijn koningschap’ (Opwekking 293). Wordt de Heer op deze manier niet zo binnengehaald in het hier en nu dat Hij de gelegenheid niet meer krijgt om te komen zoals Hij wil? De komst van de Heer is me in veel opwekkingsliederen te weinig toekomstig.

Gebukt
De andere kant van de medaille zou weleens kunnen zijn dat er te weinig ruimte in het hier en nu is voor pijn en verdriet. Ik vond het niet toevallig dat de noties van Jezus’ vernedering en lijden uit Filippenzen 2 eigenlijk niet worden meegenomen als er uit dit gedeelte wordt geciteerd in liederen.
Zo was dat al in Opwekking 539, maar ook elders blijft het bij het tekstgedeelte over de verhoging van de Heer (Opwekking 6, 199, 293, 311, 347, 416, 475, 511, 522, 669).

De komst van de Heer is me in veel opwekkingsliederen te weinig toekomstig

Tegelijk viel me op dat de liederen met een sterker accent op de toekomst meer ruimte bieden voor verdriet en pijn. Zoals het lied ‘Er is een dag’ (Opwekking 585), waarin gezongen wordt: ‘Nooit meer tranen, nooit meer pijn’. Dat lied wordt natuurlijk zo vaak gezongen omdat mensen hier en nu gebukt gaan onder het leed.
Mooi vind ik ook de tekst van Opwekking 716, geschreven vanuit Jesaja 35, over de vraag wanneer ons huilen wordt tot een blij gezang.
Die kant is er dus ook en ik heb de indruk dat er in de hogere nummers van Opwekking meer ruimte is voor het toekomstige van de komst van de Heer.
Boeiend, die beide bundels. Het nieuwe Liedboek, dat de grote zomer breed in beeld brengt, en daarnaast de Opwekkingsbundel, die prikkelt tot de vraag hoe zomers het soms hier en nu al kan worden.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.





Opwekking en Liedboek

Twee werelden, dat zijn het. Het Liedboek is een bundel van de gevestigde protestantse kerken in Nederland en België, terwijl de Opwekkingsbundel een vrucht is van de nog nauwelijks een eeuw oude loot aan de christenheid: de evangelische beweging.
Er zijn verschillen genoeg. Als eerste denk ik aan de opbouw. De Opwekkingsbundel is in een kleine 40 jaar gegroeid van 0 tot 770 liederen, met een jaarlijkse aanwas van zo’n 10 tot 15 recent geschreven liederen. Opvallend vind ik dat je in de eerste 300 liederen veel korte, op muziek gezette bijbelfragmenten tegenkomt, zoals ‘Wie op de Heer vertrouwen’ (Opwekking 184 – Psalm 125). De psalmen ontbreken dus niet in Opwekking, al zijn het thematisch wel vooral de lofprijzingsfragmenten die gebruikt zijn.
Vanaf Opwekking 250 zijn het vooral de Angelsaksische schrijvers van aanbiddingsliederen die het beeld bepalen. Aanvankelijk zijn dat Kendrick en Doerksen, later ook Tomlin en Townend, met als vertalers Mireille Schaart, Peter van Essen, Marcel Zimmer en Elly & Rikkert Zuiderveld, die ook met eigen liederen komen. Later komen ook de liederen van Sela en Psalmen voor Nu in beeld. Inhoudelijk speelt de lofprijzing en aanbidding van God een grote rol, iets wat je in de samenkomsten terughoort.
Het Liedboek ziet er heel anders uit. Na de psalmen en een aantal andere liederen uit het Oude en Nieuwe Testament (zoals de lofzang van Maria), spelen de cirkels van ‘dag’, ‘jaar’ en ‘(samen)leven’ een grote rol. Bij ‘dag’ vind je niet alleen morgen-, middag- en avondliederen, maar ook dat wat op de eerste dag in de samenkomsten van de gemeente aan de orde is, met liederen rond Woord, doop en avondmaal.
Bij de laatste cirkel, ‘(samen)leven’, vind je de liederen over de levensgang van een mens, met huwelijk en levenseinde, maar ook gebed en geloof, gevolgd door liederen over schepping, gerechtigheid, vrede en kerk.
Het Liedboek is dus thematisch van opzet en dat is bij de Opwekkingsbundel niet het geval.
Een ander groot verschil tussen de Opwekkingsbundel en het Liedboek is het tijdperk dat bestreken wordt met de liederen. Zijn de Opwekkingsliederen vrijwel allemaal van na 1960, het Liedboek heeft tal van liederen en liedvormen uit voorbije eeuwen. Dat merk je aan de melodieën, die soms meer dan 500 jaar oud zijn. Maar ook inhoudelijk werkt dat door – ook als liederen opnieuw hertaald zijn. De thema’s die spelen en de benadering van de vragen rond leven en dood, zonde en vergeving, nu en later verschillen. Vaak merk je ook aan het taalveld (‘Gij’) dat het liederen met een stuk traditie zijn. De vraag is vervolgens hoe deze verschillen doorwerken in het uitzien naar ‘de grote zomer’. Daarover gaat het in dit artikel.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief