Tweeërlei zicht op de schepping

2014-07-12
  • Jaargang 58
  • nummer 14
En God zag dat het goed was. Zo kennen we het scheppingsverhaal. Het was goed, zeer goed. Maar de schepping kent nog een andere kant, schrijft Henk de Jong. Een kant die ons des te meer doet verlangen naar het moment dat het licht wordt en voor altijd licht blijft.

De Workumse schilder Jopie Huisman hoorde ik eens over de schepping zeggen: ‘Het is een Overwinnaar die dit gemaakt heeft.’ Datzelfde gevoel overkomt mij als ik Genesis 1 lees. Die majesteit die afstraalt van alles wat daar geschreven staat! ‘Er zij licht; en er was licht.’ En dat gemak waarmee de Almachtige schept! ‘Hij spreekt en het is er; Hij gebiedt en het staat er’ (Psalm 33:9). Het hele hoofdstuk is een lied van victorie en triomf: ‘O HERE, onze Heer, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde! Gij die uw majesteit toont aan de hemel’ (Psalm 8). Wat wordt een mens bij dat eerste hoofdstuk van de Bijbel klein!
Toch zijn er ook plaatsen in de Schrift die een ander licht op de schepping werpen. Passages die verkondigen dat alles in de weg van een geweldige strijd ontstaan is, in een gevecht met machtige vijanden. In Genesis 1 merk je daar weinig van. Alleen de uitdrukking ‘woest en ledig’ en het woord ‘duisternis’ in het begin herinneren eraan. Maar er waren inderdaad machten der duisternis die tegenover God de Schepper stonden en waaraan Hij om zo te zeggen de handen vol had.
Ik laat het u horen uit één van de psalmen: ‘Gij zijt het die de zee hebt gekliefd door uw kracht, de koppen der draken in het water verbrijzeld.
Gij zijt het die de koppen van de Leviatan hebt vermorzeld…’ Dat is Psalm 74, maar er zijn meer van zulke teksten. Even denk je dat het over de doortocht door de Schelfzee gaat en die gedachte is niet onzinnig, maar even verder lees je: ‘Uwer is de dag, uwer is ook de nacht; Gij zijt het die hemellicht en zon hebt gesteld.’ En dat gaat duidelijk over de schepping.
Over de schepping als strijd.
Psalm 74 is gemaakt toen Jeruzalem bij de verwoesting door de Babyloniërs een puinhoop geworden was. Die nood wordt aan God geklaagd, met een herinnering aan zijn vroegere optredens: ‘U bent het toch, Here God, die in het allereerste begin strijd gevoerd hebt met de tegenmachten van de schepping, zoals later met de farao van
Egypte? Wil dan zo ook in onze dagen strijden voor ons behoud!’

Engelenval
We horen ook namen in verband met die krachten der duisternis: Leviatan, en in een andere psalm Rahab. In de voorstelling van toen waren dat monsters die zich ophielden in de wateren van de oervloed, waar het in het tweede vers van de Bijbel al over gaat.
Met deze monsters had God bij de schepping het gevecht te leveren, een harde strijd waarin zelfs ‘de zuilen des hemels wankelden’ (Job 26:11).

De almachtige God moet het in een voortdurende strijd opnemen tegen zijn bijnaalmachtige tegenstander de duivel

Hoe moeten we ons die strijd van den beginne voorstellen? We lezen: ‘In den beginne schiep God de hemel en de aarde’ (Genesis 1:1). ‘De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag over de vloed en de Geest van God zweefde over de wateren’ (Genesis 1:2). Tussen dat eerste en dat tweede vers moet er iets zijn gebeurd waardoor er op aarde meteen de klad in kwam en de oermonsters in het oerwater het tegen de Schepper opnamen.
‘Stromen verhieven, o HERE, stromen verhieven hun stem, stromen verhieven hun bruisen’ (Psalm 93).
Toen en ook later nog. Dat was oorlog en het is oorlog gebleven.
Maar die oermonsters, wie zijn dat nu precies? Achter in het Nieuwe Testament, in de tweede brief van Petrus (2 Petrus 2:4) en in de brief van Judas (vers 6), lezen we over de engelen die gezondigd en hun oorsprong verlaten hebben en de Here Jezus heeft het over de duivel, die niet in de waarheid is staande gebleven (Johannes 8:44). De kerk heeft hieruit vanouds opgemaakt dat tussen de verzen 1 en 2 van Genesis 1 de engelenval heeft plaatsgevonden. En in de nasleep hiervan is ook de mens in zonde gevallen, ‘door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid’ (Heidelbergse Catechismus, antwoord 9).
De duivel en zijn engelen, zo noemt dus het Nieuwe Testament deze oermonsters, die uit de hemel verbannen zijn en die zich verschanst hebben in de oervloed om van daaruit de verdere schepping van de aarde onmogelijk te maken. Daarom zijn de wateren hun oerelement. Het uitschakelen van de tegenkrachten is in dit begin echter voorlopig geweest; die duivelse monsters zijn voor de goede schepping een voortdurende bedreiging gebleven.
Toen God de schepping van de wereld, ondanks de engelenval, toch doorzette en de aarde in de zesdaagse oorlog van Genesis 1:3-31 op het duistere oerwater terugveroverde, kon gezegd worden dat de schepping ‘goed’, ja, ‘zeer goed’ gelukt was. Maar tegelijk had ze iets omstredens: het licht moest op de duisternis veroverd worden en de dag op de nacht. De schepping was zo van meet aan een bedreigde schepping. Dat valt ook uit die strijdberichten van elders in de Schrift, zoals die 74e psalm, op te maken.

Triomfmotief
Wat zou nu de reden kunnen zijn dat de Bijbel die twee benaderingen van de schepping onder woorden brengt?
Die van triomf en die van strijd? Ik denk dat wij ze allebei nodig hebben om onze eigen situatie te verstaan.
Dat de almachtige God het in een voortdurende strijd moet opnemen tegen zijn bijna-almachtige tegenstander de duivel maakt ons duidelijk dat ook ons eigen bestaan in het teken van die strijd staat.
Dat strijdmotief hebben we dus nodig, maar tegelijk laat het triomfantelijke hoofdstuk van Genesis 1 ons zien dat aan de gelukkige uitkomst van die strijd volstrekt niets onzekers is. Psalm 104, die dezelfde zonnige kijk op de schepping als Genesis 1 heeft, vertelt zelfs dat God de Leviatan geschapen heeft ‘om ermee te spelen’ (Psalm 104:26). Daar heb je dat gemak weer waarmee God geschapen heeft. En die strijd heeft aangekund.
Het triomfmotief zet ons in blijde verwondering: ‘Mij spreekt de blom een tale. Mij is het kruid beleefd; mij roemt het al te male dat God geschapen heeft’ (Guido Gezelle). Het is de kennelijke bedoeling van Genesis 1 dat wij met God meegenieten van wat Hij scheppend tot stand heeft gebracht en brengt. En het strijdmotief doet ons de kant van God kiezen in zijn oorlog tegen de boze. Niet door aan die strijd deel te nemen – dat zou een belachelijke zelfoverschatting zijn – maar door een heilig leven en door het gebed: ‘Uw naam worde geheiligd; Uw koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.’ Zo en niet anders worden wij partijgangers van God.

Zonnig
Eindigt de strijd dan nooit? Jawel!
In Jesaja 27:1 lees je (en dan gaat het over het einde van de geschiedenis): ‘Te dien dage zal de HERE met zijn fel, groot en sterk zwaard bezoeking brengen over de Leviatan, de snelle slang, over de Leviatan, de kronkelende slang, en Hij zal het monster in de zee doden.’ En het Nieuwe Testament vertelt ons dat de duivel geworpen zal worden in de poel die brandt van vuur en zwavel (Openbaring 20:10). Eeuwigdurend zou de strijd zijn als God en de duivel gelijkwaardig tegenover elkaar stonden (zoals het dualisme wil), maar hoe machtig satan ook is, tussen de almachtige God en de bijna-almachtige duivel gaapt een oneindige kloof. De duivel is en blijft schepsel.
Dit alles betekent dat wij niet zomaar van alles wat gebeurt kunnen zeggen dat het Gods werk is. Daarvoor is de inmenging van de boze in het gebeuren te groot. Bij de veelgehoorde vraag: ‘Hoe kan God dit alles toelaten, als Hij toch de Almachtige is?’ is het goed de tegenvraag te stellen: ‘Houden wij wel voldoende rekening met de rol die de satan in het hele wereldgebeuren speelt?’ ‘Overste van deze wereld’, zo heeft Jezus zelf de duivel genoemd, en dat moeten we serieus nemen.
Ook Christus’ lijden, sterven en opstanding moeten we plaatsen in het kader van de grote oorlog die door heel de geschiedenis heen gaande is. Het boek Openbaring is daar in hoofdstuk 12 zeer duidelijk over: ‘En er kwam oorlog in de hemel (…) En de grote draak werd op de aarde geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en satan die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem. En ik hoorde een luide stem in de hemel zeggen: Nu is verschenen het heil en de kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn Gezalfde…’

Heel de schepping en onderhouding van de wereld zijn op het verlossingswerk van Christus en zijn Geest aangelegd

Christus’ overwinning is in die strijd beslissend geweest. In de triomf van Genesis 1 wordt al op die overwinning van Christus vooruit gegrepen. En Gods rust op de zevende dag wijst, via Johannes 5:17 (‘Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook’) vooruit naar de sabbatsrust die overblijft voor het volk van God (Hebreeën 4:9).
Pas van Christus uit wordt dus die triomfantelijke berichtgeving over de schepping begrijpelijk en kan over zijn onderhoudende kracht zo zonnig en dankbaar gesproken worden. Je ziet daaraan dat heel de schepping en onderhouding van de wereld op het verlossingswerk van Christus en zijn Geest zijn aangelegd. Het is dan ook uit de kracht van het geloof in Hem dat Paulus kan schrijven: ‘De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden’ (Romeinen 16:20).
Vergeet de strijd tussen God en satan niet als u over het wereldgebeuren nadenkt!

Ds. Henk de Jong is emeritus predikant van de NGK Zeist.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief