Belijdenis doen

2014-05-31
  • Jaargang 58
  • nummer 11
Het bijschrift bij een foto in De Saambinder van 17 april (het blad van de Gereformeerde Gemeenten) was het eerste wat mijn aandacht trok. Onder de foto van een groep jonge mensen stond: Belijdenis doen vraagt om een besliste keuze. Enerzijds een besliste afwijzing van een werelds leven, anderzijds een besliste toewijding aan een leven overeenkomstig Gods Woord.
Even dacht ik nog: zo zal het toch niet echt in dit artikel staan? Maar het staat er inderdaad letterlijk in: openbare geloofsbelijdenis is geen keuze voor God, maar voor een bepaalde levensstijl.
De schrijver, ds. A.T. Huijser, vervolgt:

Het moet de belijdeniscatechisant in dat opzicht volle ernst zijn. Toen wij gedoopt werden, hadden wij daar niet de minste invloed op. Dat was Gods leiding in ons leven. Gód bepaalde voor ons een afgezonderd leven op het erf van Zijn verbond. () Maar als jongvolwassene wordt er een persoonlijke keus van ons gevraagd.
Óf we bevestigen de afzondering die de Heere bij onze doop voor ons bepaald heeft, en spreken het voornemen uit om door Gods genade in dit spoor verder te gaan, óf we maken deze afzondering ongedaan door het terrein van de afzondering te verlaten.
De heiligheid van een jawoord voor Gods aangezicht vraagt dus om bewustheid en beslistheid. Dat verhoudt zich niet met halfslachtigheid. () Moeten zij die belijdenis doen kenmerken van waarachtige bekering dragen?
Is dat de norm? De Heere vraagt het hart, en niet minder. Niemand van ons heeft het recht om onbekeerd te zijn. Dat zal ook voortdurend in ons onderwijs moeten doorklinken. Maar dan is toch wel het minste wat een kerkenraad mag vragen: een houding waaruit een ernstig voornemen blijkt om te leven overeenkomstig Gods Woord. Een levensstijl die de kenmerken van de afzondering draagt, waarin men zich distantieert van een wereldse vrijetijdsbesteding, een wereldse kledingstijl en van wereldse opsmuk. Daarnaast mogen we ook een besliste en weldoordachte keuze vragen voor de leer van onze kerk, ‘welke gij geleerd en gehoord hebt’, volgens de eerste vraag van Voetius.
Wat is het hartverwarmend als je in gesprekken met jongeren iets mag proeven van deze besliste keuze vanuit een hartelijke betrokkenheid op de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking zoals die onze gemeenten vanouds getypeerd heeft. Zulke jongeren zijn er gelukkig nog onder ons! Jongeren die zich niet zomaar iets in handen willen laten stoppen als het om de eeuwige dingen gaat, maar zo heel goed aanvoelen dat er een wonder nodig is in hun leven.
Laten we in dat opzicht niet onderschatten wat er op hen afkomt! In onze open samenleving ligt alles binnen hun bereik. Dat geldt de wereldse verleidingen, maar ook de zuigkracht van een oppervlakkige godsdienst waarin hun een geloofsbeleving wordt opgedrongen waarbij de noodzaak van de wedergeboorte wordt verzwegen en een eenzijdig appel wordt gedaan op de geloofseis.
Helaas verslaat deze godsdienst haar duizenden, vooral als de boodschap ook nog eens met een schijn van Schriftgetrouwheid wordt voorgehouden.

Openbare geloofs(!)belijdenis dus, met als inhoud niet een hartelijk ‘ja’ tot God, maar slechts tot de leer van de kerk en vooral tot een bepaalde, nauwkeurig omschreven levensstijl.
Uiteindelijk dus meer een soort openbare gedragsbelijdenis.
Komt het geloof zelf dan helemaal niet aan de orde? Jawel, maar dan wel in een heel speciale toonsoort. Leest u mee:

Gelukkig mag je ook weleens iets bespeuren onder belijdeniscatechisanten van het tere Godswerk. Wat is dat verblijdend! Wat raakt het je als je een jongere ontmoet die God kwijt is en bedroefd is over de zonde. Een jongere die zo ongekunsteld spreekt vanuit een levend Godsgemis. Die niet rijk is, maar arm. Die niet vroom, goed bedoelend en godsdienstig is, maar schuldig voor God en mensen. Wat wordt het warm vanbinnen als je een jongere hoort spreken over een innig zielsverlangen naar een nog zo onbekende Middelaar naar Wie toch het hart uitgaat onder de prediking van Gods Woord.
Ik hoop van harte dat er zo velen met Pasen of Pinksteren voor God en de gemeente mogen staan. In de gestalte van Ruth: Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Of in de gestalte van Mozes: om nu liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben.
Als dat zo mag zijn, dan mag er moed worden geschept, al is het nog zo donker in de wereld en in de kerk. Maar dan is het toch waar: Zijn trouw rust zelfs op het late nageslacht!

Mooie slotwoorden, zeker. Maar wel woorden die voor mensen die elke week opnieuw door de mangel van een dergelijke prediking worden gehaald zo goed als onbereikbaar zijn.
Erger nog: voor wie God zelf vrijwel onbereikbaar is geworden.

Drs. Menko Biewenga is predikant van de NGK Enschede.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief