In ziekte en gezondheid

Bij de deur stond ze te wachten. Kom binnen, gebaarde ze, hij is erg ziek!
Ik liep mee en ze wees mij waar hij lag, midden in de kamer, op de grond. Hij ademde zwaar. Zijn ogen staarden levensloos in de verte. Ik zag meteen dat het ernstig was. Hij deed zelfs geen poging meer om op te staan. De jonge vrouw deed zenuwachtig haar verhaal. Hoe hij ziek was geworden, wat de arts had gezegd en hoe de situatie vanmorgen opeens was verslechterd. Met trillende handen streelde ze zijn vacht. ‘Ik heb Mark al een app gestuurd’, gebaarde ze. ‘Maar hij kan pas om 15.00 uur vrij krijgen.’ De patiënt voor wie ik eigenlijk kwam, was dus alweer aan het werk. Zo kan dat dus ook gaan in het pastoraat.
Hij kwam even later bezweet binnenstappen. Meteen begon de vrouw uitvoerig haar verhaal te doen. ‘Ik zal de dierenarts wel even bellen’, zei hij. En hij voegde de daad bij het woord. Ik zat er wat ongemakkelijk bij. Moest ik weggaan? Na zo’n lange reistijd? Ze leken mij in elk geval een beetje vergeten.
‘Ja, met Mark, het gaat over onze hond... Dat weet ik niet, even mijn vrouw vragen...’ Kort overleg. ‘Ja, ze zegt van wel... O, dat weet ik niet, ik zal even vragen... Nee, ze is doof, ze kan zelf niet bellen...’ Mark tolkte voortdurend geduldig tussen zijn vrouw en de dierenartsassistente. ‘We moeten meteen komen!’ was zijn conclusie.
Dat bracht een probleem met zich mee. Het dier moest vervoerd worden en het was duidelijk dat dit niet op de fiets kon. Lopend, ruim een halfuur met een 25 kilo zware hond in je armen, was ook geen optie. ‘Ik zal wel even bellen’, zei Mark. En zo begon de zoektocht naar een auto met chauffeur. Een soort gelijkenis van de verontschuldigingen volgde, elke scène geduldig getolkt voor zijn vrouw. Na het derde telefoontje beende Mark naar het balkon en stak een sigaret op. Hij had er zichtbaar moeite mee.
Na een paar minuten had hij zich hersteld en weer pakte hij de telefoon. Maar de frustratie nam toe. Er volgde een woordwisseling met zijn vrouw. Uiteindelijk hief hij de handen op en zei: ‘Ik kan er ook niks aan doen!’ En hij vluchtte weer naar het balkon, terwijl zijn vrouw boos achter zijn rug een gebaar maakte dat boekdelen sprak.

Het was even stil. Aarzelend keek de vrouw naar mij: of ik misschien... Ik had op de vraag gewacht, getwijfeld of ik het zou aanbieden. Maar ik ben er niet om hun problemen op te lossen. En het leek mij goed dat zij zelf de vraag aan mij zou stellen. Zelfredzaamheid stimuleren, of zoiets. Ik had tijd en even later zat ik in de auto met naast mij een zieke hond en een gefrustreerde baas. De vrouw was thuisgebleven. ‘Het valt niet mee, hè?’ zei ik. Even keek hij mij aan en barstte toen los. ‘Ik heb een hekel aan dat bellen, weet je. Altijd die instanties, de artsen, wat een gedoe.’ We bleven lang zitten, daar op de parkeerplaats, en spraken over hoe het is om getrouwd zijn met een dove partner. Over de zware verantwoordelijkheid die hij voelt, de misverstanden en zijn brugfunctie met de horende wereld. ‘Ik had niet gedacht dat het zo zou zijn’, zuchtte hij.

Het werd toch een soort ziekenbezoek, voor het de-verge-ten-partner-syndroom, vaak voorkomend bij mensen in de kring rondom mensen met een beperking, zieke mensen en oudere mensen. Het kunnen partners zijn, maar ook ouders, broers of zussen. En zeker ook kinderen. Deze mensen verdienen ook een luisterend oor op zijn tijd, een beetje steun om het liefdewerk vol te houden.

Overigens is de hond weer helemaal beter!

Dit verhaal is met medeweten en toestemming van de betrokkenen gemaakt. De namen en situatie zijn onherkenbaar gemaakt.