David

Op het terrein van de jeugdinrichting waar ik werk is een school. Kinderen zijn leerplichtig, al hebben velen zich daar al jaren niets van aangetrokken. Het is één van de redenen waarom ze in een gesloten inrichting zijn geplaatst.
David (15) zit niettemin meer op zijn kamer dan op school. 'Hij heeft de werkbank met een zaag bewerkt', zucht de leraar handenarbeid. 'Je weet werkelijk niet wat je moet doen om dat joch in de klas te houden.'
'Vind je het gek', zegt zijn collega. 'Die jongen heeft geen perspectief.'
Geen perspectief, een kind zonder toekomst…

Ik ga een uurtje later naar de leefgroep en vraag of ik David mag spreken. Prima. Ze weten ook niet meer wat ze met hem moeten. En David vindt het ook goed. Hij hangt op zijn bed in een ongezellige, slordige kamer. We gaan naar het stiltecentrum. We hebben nooit eerder gepraat en David kijkt voorzichtig rond. Ik babbel ondertussen wat.
Opeens zegt hij: 'Ik kom uit Brazilië. Daar zijn ze toch ook christelijk? Ik weet er niks van.'
'Ja, veel Brazilianen zijn christen', zegt ik. 'Je hebt zelfs een bijbelse naam.'
Hij kijkt verrast op. 'Echt?'
Ik vertel hem het verhaal van David en Goliath.

'Hoe kom jij in Nederland?' vraag ik.
Hij haalt zijn schouders op. 'Mijn moeder heeft me naar een kindertehuis gebracht, die wou me niet hebben. En mijn pleegouders hebben me uit het kindertehuis gehaald, maar die willen me nu ook niet meer hebben. Zo zit ik hier.'
'Waarom wil niemand je hebben?' vraag ik.
Hij haalt weer zijn schouders op.
'Ben je een vervelend joch?'
Weer die schouders.
'Wíl je een vervelen joch zijn?'
'Nee', zegt hij fel. 'Natuurlijk niet. Maar als niemand je wil... Dan moet je hard worden en voor jezelf opkomen. Anders lopen ze over je heen.'
'Werkt het?' vraag ik.
Hij haalt zijn schouders weer op. En dan zegt hij: 'Ik wil graag weten wie mijn moeder is.'
'Weten je pleegouders dat?' vraag ik.
'Ik wil geen contact meer met ze. Ze zeggen dat ik het allemaal gedaan heb, dat ik onhandelbaar ben.'
'Wat wil je weten van je moeder in Brazilië?'
'Ik hoef niks te weten, ik wil haar zien. Maar niet nu ik in een inrichting zit. Ze moet trots op me zijn.'

Na dat eerste gesprek spreek ik David wekelijks. Ik vertel hem over Jezus en over God, voor wie ook hij, volgens mij, waardevol is. We printen een foto uit van de Braziliaanse voetballer Kaka, die een shirt draagt met daarop 'I belong to Jesus'. Hij prikt het op zijn prikbord en lacht me uit, omdat ik wel Kaka weet te vinden, maar de namen van de spelers van het Nederlands elftal niet ken. Hij gaat bidden tot de God waar zijn moeder misschien ook wel tot bidt. 'Als ik niet kan slapen', vertelt hij, 'dan denk ik aan hoe u voor mij bidt. Daar word ik slaperig van.' En hij komt me vertellen dat zijn leraar zegt: 'Je doet het goed, joh, je hebt het de hele week goed gedaan.' En hoe lekker dat voelt.
Als hij hoort dat hij naar een andere groep moet, komt hij naar me toe. Hij ziet er erg tegenop. Vragen of het anders kan heeft geen zin, dat weet hij nu al.
'Kom', zeg ik, 'we schrijven een brief met je argumenten.'
Ik ga achter de computer zitten en hij vertelt. Ik kort in, maar gebruik zijn woorden. We printen de brief en hij geeft hem, met zijn handtekening, aan de mensen die erover gaan. Zijn verzoek wordt gehonoreerd, al weet ik dat dat vooral is om een reden die niets met zijn brief te maken heeft. Maar David heeft het gevoel dat hij gehoord wordt. Hij is niet machteloos. Hij bidt tot zijn Vader in de hemel.
'Heb je het idee dat God je hoort?' vraag ik.
'Ja toch?' zegt hij. 'God hoort je toch altijd?'