Geen werkelijkheid zonder verbeeldend spreken

Een oplaaiend gesprek. Zo typeert drs. Henk de Jong de commotie die in 2010 rond mijn proefschrift ontstond en uitmondde in discussies tussen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en enkele zusterkerken uit het buitenland. En dat allemaal naar aanleiding van een voorzichtige gedachte van mijn kant over het zonnewonder in Jozua 10.
In de wereld van het oude Israël zijn ‘zon’ en ‘maan’ niet alleen hemellichamen, maar ook afgoden. En in Habakuk 3 staat een tekst waar beiden ook ‘stilstaan’. Is hier, zo vroeg ik me af, wel sprake van een astronomisch wonder? Of hebben we te maken met een wonderlijke verschijning van God in de strijd tegen de Amorieten, waarin zelfs de hemelse machten meedoen?
‘Weg bij het onheilig vuur en terug naar de tekst’, zo lees ik De Jongs plagende typering. Terecht, want het wonderlijke ingrijpen van God ontkennen was allerminst mijn doel. Als we hierin verder willen komen, zullen we het over de Bijbel zelf moeten hebben. Geheel in zijn stijl zoekt De Jong de oplossing niet in de detail-exegese, maar in het geheel van wat de Bijbel te zeggen heeft over Gods verhouding tot die onderdelen in zijn schepping die wij als ‘dingen’ ervaren. God is daar zo actief op betrokken, is het niet bijbelser om te spreken over natuurbevelen in plaats van natuurwetten?

Nu had ik De Jong graag gehoord over zon en maan als goden en over de parallelpassage in Habakuk 3. Maar het kan niet worden ontkend dat zijn aanvliegroute terecht de vinger legt bij opvallende bijbelse formuleringen. Telkens weer worden zon en maan, hemel en aarde, wind en regen aangesproken. Hoe zijn de aangehaalde bijbelteksten in eerste instantie gelezen?
Nu valt op dat alle door De Jong aangehaalde teksten afkomstig zijn uit profetie (Hosea, Amos, Jesaja, Jeremia) en poëzie (Psalmen). Er kan dus sprake zijn van bloemrijke beeldspraak. Het lijkt mij in elk geval onjuist te denken dat de Bijbel wil dat we Gods aanspraak in dezen steeds heel letterlijk opvatten.
Dat neemt niet weg dat De Jong terecht de vinger legt bij het gemak waarmee wij ergens toch onderscheid maken tussen natuurlijke en bovennatuurlijke verschijnselen, terwijl dat onderscheid niet echt bijbels is en te weinig in rekening brengt dat God in heel de schepping voortdurend actief present is. Dat is voor ons – gehersenspoeld als we zijn door het methodische atheïsme – wellicht vaak onvoorstelbaar. Maar dat maakt het niet minder realiteit.
Soms, als ik ’s morgens op Twitter het altijd schitterende ‘beeld van de dag’ van de natuurkundige Cees Dekker zie langskomen, denk ik dat mensen die de werkelijkheid van heel dichtbij bestuderen en zich erover verwonderen, die eenheid toch weer zien en ervaren. ‘Kijk eens hoe actief God hier is!’ Ik leer daarvan.
Onze astronomische voorstellingen kunnen aanleiding zijn om bijbelteksten als Jozua 10 en Habakuk 3 opnieuw te bestuderen. Maar wat echt telt, is de tekst zelf en de realiteit van de eenheid van Gods schepping die daarin wordt uitgedrukt.
Ik heb de neiging zelfs nog een stap verder te denken. Dat doorbreken van ons onderscheid tussen gewone en goddelijke oorzaken is in de Bijbel namelijk niet alleen tastbaar in profetie en poëzie, maar ook in verhalende historische stof. Bijbelschrijvers maken vaak gebruik van verhalen en voorstellingen die in eerste instantie in strijd lijken met ons ‘letterlijke verstaan’, maar die bij goede lezing reële én geestelijke dimensies van het bestaan blootleggen die op een andere manier niet aan de orde komen. Kijk nou eens verder!
Recent werd op een conferentie over oude geschiedschrijving die ik bezocht geconstateerd dat moderne historici wel kunnen proberen in Mesopotamische en Griekse geschiedschrijving het ‘verhaal’ en de ‘mythe’ te onderscheiden, maar dat dit niet lukt. Dan gaat het verhaal kapot en is de boodschap verdwenen.
Dat lijkt me een belangrijke waarneming. Wij kunnen wel proberen het beeldend of voor ons beperkte verstand onvoorstelbaar spreken over de werkelijkheid – in de Bijbel, maar ook daarbuiten – uit te filteren, maar dan raken we de realiteit zelf en ook het geding om de waarheid over die realiteit kwijt. Ik dank daarom de bijbelgeleerde drs. Henk de Jong. Hij heeft me weer iets gegeven om wat langer over na te denken.

Koert van Bekkum is universitair docent Oude Testament aan de Theologische Universiteit Kampen.