Heb elkaar lief of houd op gemeente te zijn

Wat staat in onze kerkelijke programma’s en visies bovenaan? Geloof? Groei? Navolging? Eigentijds kerk-zijn? Zuivere prediking van het Evangelie? Bediening van de sacramenten en beoefening van de tucht? Voortreffelijk! Maar zonder daadwerkelijke liefde voor elkaar is het één grote leugen. Als het concreet omzien naar elkaar de eerste plaats verliest en wordt voorzien van een ‘eigenlijk zouden we, maar...’ is dat voor de gemeente van Christus de doodsteek.

‘HOE KAN DE GODDELIJKE LIEFDE BLIJVEN IN EEN MENS DIE GELD GENOEG HEEFT, EN TOCH ZIJN HART SLUIT VOOR DE NOOD VAN ZIJN BROEDER?’
(1 JOHANNES 3:17, WILLIBRODVERTALING)

Geen bijbelschrijver verwoordt het belang van onderlinge liefde radicaler dan de apostel Johannes in zijn eerste brief. Hij zet de gemeente met liefde het mes op de keel: heb elkaar daadwerkelijk lief of houd op gemeente van Christus te zijn. Johannes laat geen millimeter ruimte: of deze liefde is er en vormt het hart van alles, of er is haat. Of u bent licht, of u bent duisternis. Of u leeft, of u bent dood. Of u bent uit God, of u bent uit de duivel. Kennelijk was deze zwart-witbenadering nodig. De geadresseerde gemeente was in verwarring geraakt doordat een prominente groep gelovigen de gemeente had verlaten. Deze gelovigen waren op de één of andere manier een hogere geestelijke dimensie binnengegaan ten koste van het daadwerkelijk omzien naar elkaar. Dat hing ook samen met hun visie op het Evangelie. Hun focus op het geestelijke deed hen de vleeswording van de Zoon loochenen.
Deze gelovigen zullen indruk hebben gemaakt met hun kennis en hun ervaringen. Bepaald geen onbijbelse zaken. Vandaar ook de verwarring en onzekerheid in de gemeente. Maar Johannes schept duidelijkheid en steekt de achterblijvers een hart onder de riem. Zij die vertrokken, bleven door hun niet-liefhebben niet slechts in gebreke, ze lieten daarmee zien nooit werkelijk tot de gemeente behoord te hebben (1 Johannes 2:19). Geen kinderen van God waren ze, maar kinderen van de duivel.
Dat gaat huiveringwekkend diep. Kennelijk is het niet liefhebben van elkaar een dwaling die de laatste ernst raakt.

NOODLOT
Deze ongewoon scherpe waarschuwing van de apostel is ons met reden overgeleverd. Blijkbaar gaat het hier om een dwaling en een verleiding waar de kerk in alle tijden op bedacht moet zijn. De verleiding namelijk om de liefde voor elkaar ondergeschikt te maken aan ‘hogere’ doelen als ware kennis, geestelijke gaven, heiligheid, invloed, groei of wat er meer te noemen is aan waardevolle bijbelse zaken. Om maar even dicht bij ons eigen gereformeerde huis te blijven: hoe dikwijls heeft onder ons de ijver voor de zuivere leer als kenmerk van de ware kerk de liefde voor elkaar niet jammerlijk om zeep geholpen? Met dat in gedachten durf je de brief van Johannes nauwelijks meer te lezen. En toch moeten we erdoorheen. Dat doet pijn en maakt ons uitermate bescheiden. Maar het goede nieuws is dat welke schuld we ook meedragen als kerken, we de brief toch kunnen lezen. Want Johannes poneert zijn zwartwitbenadering niet als een noodlot, maar als een evangelisch appèl om de liefde volstrekte prioriteit te geven. Om bij die liefde te blijven of om je daartoe per direct te bekeren langs de weg van het belijden van schuld en het bidden om vergeving (1 Johannes 1:9).

GESEL
De urgentie van de liefde staat niet onder het voorteken van een bevel, maar van Gods nieuwe werkelijkheid, die de onze is binnengebroken. Het eeuwige leven van de Vader is verschenen in zijn Zoon als mens van vlees en bloed en heeft gemeenschap gesticht met ons en tussen ons als kinderen van de Vader (1 Johannes 1:3, NBG '51).

Johannes zet de gemeente met liefde het mes op de keel

Ons woord ‘gemeenschap’ drukt onvoldoende uit wat hier in het Griekse woord ‘koinoonia’ besloten ligt. Het Engelse woord ‘fellowship’, zoals in Tolkiens ‘fellowship of the ring’, komt voor mij dichter in de buurt, omdat koinoonia een actieve deelname en betrokkenheid in zich sluit. Deze nieuwe ‘koinoonia’ is het eeuwige leven dat ons oude bestaan is binnengekomen, met als kernwoord: liefde.
Zo schrijft Johannes in hoofdstuk 3 vers 11 dat het niet het gebod van het begin was om elkaar lief te hebben, maar de verkondiging! Het Evangelie heeft Gods nieuwe werkelijkheid van gemeenschap en liefde gebracht met de oproep daarin te participeren. Wie dat doet, deelt in Gods leven, ja, is op unieke wijze met Hem verbonden: uit Hem geboren. Wie zo deel heeft gekregen aan deze nieuwe eschatologische werkelijkheid, heeft daadwerkelijk lief. Johannes laat ons geen tussengebied. De liefde is voor dit nieuwe leven het criterium: wij weten dat we van de dood zijn overgegaan naar het leven, omdat we elkaar liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood (3:14). Het evangelische in de boodschap van Johannes blijkt verder hierin, dat hij ondanks zijn radicaliteit geenszins de gesel van het perfectionisme laat knallen. De koinoonia moet echt zijn, maar zonder de eis of voorwaarde van volmaaktheid. Voor wie deel heeft aan deze gemeenschap is er vergeving van de niet te ontkennen zonden (1:8 en verder) en is er ruimte voor een proces van groei naar de volmaaktheid toe (3:3). Een volmaaktheid die pas komt bij de definitieve verschijning van onze Heer (3:2). Met Calvijn mogen we zeggen dat we Jezus’ voetstappen slechts van verre kunnen volgen. Als we ze maar wel echt en zonder huichelarij volgen!

Hoe dikwijls heeft onder ons de ijver voor de zuivere leer als kenmerk van de ware kerk de liefde voor elkaar niet jammerlijk om zeep geholpen?

Tegelijk mag deze participatie in Jezus’ liefde nu al de zekerheid geven dat we zijn verschijning, zelfs met het oordeel daarin, zonder vrees en met vrijmoedigheid tegemoet mogen zien (2:28; 4:18). Niet dankzij onze graad van volmaaktheid, maar dankzij de liefde van de Vader, die alles weet en meer is dan ons hart, dat ons zo vaak nog aanklaagt (3:19).

RADICALITEIT
Johannes laat geen onduidelijkheid bestaan over de invulling van deze liefde. Hij bindt die geheel aan Jezus Christus. Doordat Hij zijn leven heeft ingezet, hebben wij de liefde leren kennen (1 Johannes 3:16). Het gaat in dit kennen om meer dan een lesje in liefde, maar om een kennen in de volle bijbelse en existentiële zin van het woord. Johannes bedoelt dan ook meer dan dat Jezus een voorbeeld is geweest. Dat ook, zeker. Maar allereerst is wat Jezus heeft gedaan, zijn leven inzetten, de doorbraak van die nieuwe werkelijkheid geworden, van het leven midden in onze dood, van het licht in onze duisternis, van de liefde in onze haat en van het verbreken van de werken van de duivel (3:8). Voor en na Jezus hebben mensen hun leven ingezet voor een ander, maar nooit zoals Jezus en evenmin met deze impact: we zijn daardoor overgegaan van de dood naar het leven en naar de koinoonia met de Vader en met elkaar. Alleen zo begrijpen we de radicaliteit van Johannes. Hij spreekt niet over moreel goed of fout gedrag dat wordt beloond of bestraft. Hij spreekt over Gods reddend ingrijpen door de invasie van zijn liefde in deze wereld door zijn Zoon en door de verkondiging van dit Evangelie. Beslissend is of je daaraan deel hebt. Geloven is in de verkondiging van Johannes meer dan een relatie, het is daadwerkelijke participatie.
De koinoonia zal dan ook blijken in depraktijk. Waar die wordt gepraktiseerd, is liefde en leven en is de gemeente van Christus. Waar die wordt verwaarloosd, komt de dood en houdt de gemeente als gemeente van Christus op te bestaan. Hoe orthodox die gemeente ook verder in leer en leven mag zijn!

IMPULS
De praktijk van deze liefde richt zich ook volledig op Jezus als ons voorbeeld. Zoals Hij zijn leven heeft ingezet, zo behoren ook wij dat te doen voor elkaar. Die inzet ziet niet alleen op het ultieme offer dat gevraagd kan worden, maar ook op een leven waarin het zichzelf willen geven de basisinstelling is. Liefde die niet vraagt: ‘Wat kan ik missen?’ (om toch nog mijn eigen leven te kunnen leiden), maar die vraagt: ‘Wat heeft de ander nodig?’
Door ons zo te bepalen bij het voorbeeld van Jezus, neemt Johannes iedere inperking van deze liefde weg. Dat is trouwens ook eigen aan echte liefde. Die wil niet anders dan geven, zo veel als maar nodig is. Die liefde heeft Jezus naar ons toegebracht en die wil Hij ook in ons laten groeien.
Groeiend naar het voorbeeld van Jezus kan dus zelfs het ultieme offer gevraagd worden. Al zal dat in het dagelijks leven een hoge zeldzaamheid blijven. Daarom brengt de apostel het heel dicht naar ons toe, door ons te confronteren met een alledaagse situatie: wat doen we als we de nood van onze broeder of zuster op ons zien afkomen? Wenden we onze blik af, zoals de priester en de Leviet in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan, en sluiten we daarmee ons innerlijk voor de ander af? Of gehoorzamen we de impuls van onze innerlijke ontferming?
Als wij ons innerlijk afsluiten voor de ander die met zijn nood een beroep op ons doet, dan sluiten we ons af voor de Bron van die innerlijke ontferming en raken we vervreemd van God, van onszelf en van onze diepste roeping als mens. Wie zijn binnenste toesluit, verraadt daarmee buiten de nieuwe werkelijkheid van de koinoonia en de liefde van God te staan. ‘Hoe blijft dan de liefde van God in je?’ is dan ook de indringende en verontrustende conclusie van Johannes.

OVERSTROMEN
Van kerkvader Hieronymus van Stridon (347-420) is de anekdote afkomstig dat toen de hoogbejaarde Johannes niet meer kon preken en door zijn leerlingen naar de kerk gedragen moest worden, hij alleen nog maar zei: ‘Kinderen, heb elkaar lief.’
In het licht van zijn boodschap mogen we de diakenen zien als genadegaven van de Heer, om zijn kerk de eeuwen door te bewaren bij het hart van het Evangelie. Waarbij naar 2 Petrus 1:5-7 (‘Schraagt om deze reden met betoon van alle ijver (...) door de broederliefde de liefde jegens allen’, NBG '51) de liefde voor elkaar zonder enige twijfel bedoeld is om over te stromen naar deze wereld, die de Vader zo heeft liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

Ds. Ton Vos is predikant van de NGK Ede en redacteur van Opbouw.