Meer dan sperziebonen voor de voedselbank

Zoek het zelf maar uit. Zo is de ‘participatiesamenleving’ die de regering voor ogen heeft wel getypeerd. Anderen zien het positiever in. Feit is dat vele betrokkenen nog aftasten waar het heen gaat. Hayo Wijma, Co Beukema en Derk Jan Poel zetten zich om de tafel om de rol van het diaconaat in het licht van deze ontwikkelingen te bespreken.

‘Een kerk die de barmhartigheid uit het oog verliest, speelt met haar eigen leven.’ Hayo Wijma maakt dit statement halverwege het rondetafelgesprek over diaconaat in de context van de participatiesamenleving.
Wijma, docent Diaconaat en Diaconalegemeenteopbouw aan de hogeschool Viaa in Zwolle en werkzaam voor het Praktijkcentrum, leest met zijn studenten minimaal één keer het verhaal over de barmhartige Samaritaan. Hij vraagt zijn studenten dan om welke vraag het volgens hen in dit verhaal gaat. Vaak klinkt als antwoord: ‘Wie van deze drie is volgens u de naaste geworden van het slachtoffer van de rovers?’ Volgens Wijma is dat echter niet de essentie van het verhaal, maar gaat het om de vraag hoe je deel kunt krijgen aan het eeuwige leven. ‘Dit bijbelse verhaal stelt ons voor dezelfde vraag en dat betekent dat wij opgeroepen worden soortgelijke dingen te doen als die Samaritaan deed: omzien naar buitenlanders bijvoorbeeld. Dat is niet altijd een aanlokkelijke oproep, maar het wordt wel van ons gevraagd.’
De andere twee gesprekspartners aan tafel stemmen met Wijma in. De één is Co Beukema, lid van de Centrale Diaconale Commissie van de NGK. De ander is Derk Jan Poel, verbonden aan het Diaconaal Steunpunt voor de GKv en NGK. Poel: ‘Diaconaat is een essentieel deel van de gemeenschap. Als je beseft wat de genade van Jezus is, dan kan het niet anders dan dat je er wat mee gaat doen. Voor mij is diaconaat dan ook een zaak van leven of dood.’

AFGEPAKT
Er is op het vlak van sociale wetgeving een transitie gaande in Nederland. Meest in het oog springt de nieuwe regelgeving rondom de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning), waardoor per 1 januari 2015 de gemeenten verantwoordelijk worden voor alles wat anders is dan langdurige zorg. Het is een grote verandering en gemeenten zoeken naar antwoorden op de vraag hoe ze dat moeten invullen.
Co Beukema: ‘Tot de jaren ‘60 werd er heel veel gedaan vanuit de kerken. Veel mensen waren toen ook nog lid van een kerk. Kerken zetten bijvoorbeeld gezinshulp en ouderenzorg op en nog vroeger werden ook zorg- en weeshuizen opgericht. Maar op een gegeven moment zijn veel van deze taken overgenomen door de overheid. Nu is er sprake van een beweging in tegenovergestelde richting en worden burgers weer (mede)verantwoordelijk gemaakt. Het is begrijpelijk dat gemeenten daardoor weer naar kerken kijken, maar beleidsmakers bij burgerlijke gemeenten realiseren zich niet altijd dat er ook in de kerken heel wat is veranderd. Er zijn niet meer zo veel mensen lid van een kerk als bijvoorbeeld in de jaren '60, en ook de vergrijzing is een feit.’ De andere twee gesprekspartners beamen dat verhaal. Wijma: ‘Wethouders en gemeenteraadsleden hoor ik weleens zeggen dat ze iets teruggeven aan de burgers – alsof ze iets hebben afgepakt. Maar de infrastructuur die er ooit was, is er niet meer.’ Poel: ‘Precies, dus men moet ook niet te veel van de kerken verwachten.’
Wijma illustreert dat door te wijzen op een andere ontwikkeling. ‘Veel zorginstellingen die hun wortels hebben in het diaconaat, zijn vervreemd van hun kerkelijke infrastructuur. Zij zijn nu weer op zoek naar kerken die eigenaarschap willen dragen. Maar die kerken hebben de handen vol aan zichzelf en denken: waarom zouden we dat doen?’
Hij voegt eraan toe dat kerken wel iets kunnen doen, maar lang niet alle vrijwilligers die nodig zijn kunnen leveren. Hij leest voor uit een nieuwsbericht: ‘600.000 ouderen moeten het straks zonder of met minder door de overheid betaalde huishoudelijke hulp doen. Dat betekent dat ze de bezuinigde 1.200 euro per persoon óf zelf moeten betalen, óf familie of vrienden moeten inschakelen. Volgens de berekeningen van ING zijn er 700.000 vrijwilligers nodig die zes uur per week extra aan de slag gaan om het gat op te vullen.’

LABEL
Beukema verdiepte zich de laatste maanden in het vrijwilligerswerk dat gedaan wordt in de gemeente waar ze woont. ‘Ik heb me erover verbaasd dat er zo veel gebeurt. En er gebeurt veel buiten kerkelijke binding om.’ Deze ontdekking heeft haar aan het denken gezet of er een verschil is tussen wat een kerkelijk persoon doet en een niet-kerkelijk persoon. In praktische zin is dat verschil er volgens haar niet, maar de personen hebben wel verschillende drijfveren. ‘Dit stelt ons echter voor de vraag of je als kerk perse eigen activiteiten moet starten. Ik pleit ervoor om deels aan te sluiten bij initiatieven die al door andere organisaties zijn gestart. En volgens mij gebeurt dat ook al door individuen in kerken.’

‘Beleidsmakers bij burgerlijke gemeenten realiseren zich niet altijd dat er ook in de kerken heel wat is veranderd’

Beukema ziet het als een ideaal dat er nauwer contact komt tussen kerk en burgerlijke gemeente. ‘Het zou fantastisch zijn wanneer je als kerk bij de burgerlijke gemeente kunt aangeven dat er mensen zijn die iets willen doen voor medeburgers in hun stad of dorp. Dit aanbod kan dan aan een sociaal wijkteam voorgelegd worden, dat zicht heeft op mensen die behoefte hebben aan hulp.’
Wijma onderstreept het nut van een diaken of predikant die betrokken wordt bij een sociaal wijkteam. Poel haakt hierbij aan en refereert aan de roep om een diaken als coördinator. ‘Uit onderzoek blijkt een duidelijke wens dat een diaken minder moet gaan uitvoeren en meer de coördinatie moet oppakken. De diaken weet dan bijvoorbeeld waar de nood is en hoe daar iets aan gedaan kan worden. Niet alleen binnen zijn eigen gemeente, maar ook in zijn woonomgeving.’
Op deze manier kunnen mensen die graag willen helpen als het goed georganiseerd is, op een makkelijke manier diaconaal bezig gaan. Men kan instappen in bestaande initiatieven en structuren. Kerkelijk of niet-kerkelijk. Diaconaat krijgt dan een individuele invulling en hoeft niet per se het label van de kerk te dragen, of door de kerk georganiseerd te zijn.
Dat dit vaak wel zo gebeurt of in de beleving zo moet gebeuren, heeft misschien te maken met de vraag wie er diaconaal is of moet zijn: de kerk of de individuele gelovige? Beukema: ‘We hebben het er een keer op een gemeentevergadering over gehad. Wat is diaconaal werk? Nou, er zijn mensen die denken dat dit alleen het werk van diakenen is. Maar wat ik voor mijn buurvrouw doe en voor de mensen verderop in mijn straat, dat is net zo goed diaconaal werk. Door het niet goed te benoemen, hebben een heleboel mensen het idee dat ze niets doen.’
Wijma: ‘Elke gelovige heeft een diaconale taak. Hoe je dat kunt invullen? Ik denk dat het in onze samenleving niet moeilijker hoeft te zijn dan tijd en aandacht aan mensen geven. Iemand zien, snappen dat er iets aan de hand is en dat ik hier het verschil kan maken en iets kan doen.’ Beukema: ‘Precies. Wij kunnen als individuen iets doen. Binnen en buiten de kerk. Het is belangrijk om telkens weer duidelijk te maken dat diaconaat niet alleen iets is van binnen de kerk, maar juist ook van het aanwezig zijn in de wijk, in je omgeving.’
Poels merkt wel op dat er zowel gesproken moet worden over de diaconale

‘Door het niet goed te benoemen, hebben een heleboel mensen het idee dat ze niets doen’

taak van de individuele gelovige als de diaconale taak van de gemeente. Het één sluit het ander niet uit, beide kunnen elkaar versterken.

ILLUSIE
Het diaconaal bezig zijn als gelovige is voor lang niet elke gelovige een tweede natuur. Het lijkt soms een hobby te zijn van diakenen en enkele ‘Dorcassen’ in de gemeente. Hoe zet je mensen toch in beweging? Hoe zorg je ervoor dat diaconaat het karakter van een gemeente gaat stempelen?
Aan de ene kant heeft het te maken met het feit dat mensen niet weten wat ze kunnen doen en waar de nood is. Daar heeft niet iedereen een antenne voor en het is daarom de uitdaging voor diakenen om dat door bijvoorbeeld een behoefteanalyse en aanbodanalyse in kaart te brengen. Zij kunnen gemeenteleden inspireren om aan de slag te gaan en hebben dan ook concreet materiaal in handen.

‘We vinden het al heel stoer als we een pot sperziebonen meenemen voor de voedselbank’

Maar dat is volgens de gesprekspartners niet het hele verhaal. De andere kant van het probleem – dat het geen tweede natuur is van veel mensen – is met de praktijk in de kerken. Wijma: ‘Ik heb interviews gedaan voor een onderzoek en kreeg van diakenen te horen dat er weinig tot niet over diaconaat wordt gepreekt. Als dat zo is, dan is het een illusie om te denken dat diaconaat wel van de grond komt.’
‘Terwijl het met ontferming naar de wereld kijken juist wel een mooie plek kan hebben in de zondagse eredienst’. zegt Beukema. ‘Denk bijvoorbeeld aan het inleiden van het gebed en het gebed zelf. Op die manier kun je “de wereld van het journaal” verbinden met “de wereld in de kerk”.’
Wijma: ‘Mijn naïeve hoop of droom is dat ik in de kerkdienst wordt toegerust voor hoe ik in mijn dagelijkse leven moet handelen. Hoe ik bijvoorbeeld moet omgaan met een dakloze straatkrantverkoper, en dan ook daarnaar kan handelen.’
Poel trekt de liturgie breder dan alleen de zondagse eredienst en hij pleit ervoor om diaconaat expliciet onderdeel te laten zijn in de toerusting van jongeren. ‘Diaconaat is iets wat je moet leren. Het moet je voorgedaan worden en je moet ervaren dat het iets te maken heeft met geloof. Daarbij heeft het ook te maken met het aspect tijd. Maar als er geen tijd wordt vrijgemaakt in de toerusting vanuit de kerk, waarom zou je er dan zelf later wel tijd voor vrijmaken?’
Wijma: ‘Je hebt als jongere voorbeelden nodig om te zien dat diaconaat ertoe doet. Maar ook om te zien hoe het moet.’
Beukema: ‘Als catechisant kregen we van onze predikant twee adressen van ouderen, met de opdracht om die eens in een tussenuur te bezoeken. Het was misschien schools, maar het is een hulpmiddel om diaconaat iets te laten worden van jezelf. Je moet het je eigen maken.’
Poel: ‘Ik voeg daaraan toe dat je ook geleerd moet worden om uit je comfortzone te komen om te gaan ontdekken waar nood is en waar je kunt helpen. Om dat te zien, moet je soms op de knieën, en niet alleen vanuit jezelf denken.’

Diaconaat lijkt soms een hobby te zijn van diakenen en enkele ‘Dorcassen’ in de gemeente

ZAKGELD
De gesprekspartners onderstrepen allemaal het belang van diaconale voorbeelden en ze vertellen zelf graag, zij het bescheiden, over hoe zij invulling geven aan hun diaconale taak. Beukema heeft een paar jaar geleden een oude vrouw met een rollator in haar straat aangesproken en van het één kwam het ander. ‘In november kwamen we een keer te spreken over Sinterklaas. De vrouw draaide zich om, bromde dat Sinterklaas niet meer aan haar dacht en liep weg. Op dat moment besloot ik haar op Sinterklaas een chocoladeletter te geven en haar uit te nodigen voor een kop thee. Toen ze voor de eerste keer bij mij thuis kwam, vroeg ze of we “vriendjes zouden worden”. Sindsdien zie ik haar wekelijks en ben ik haar mantelzorger.’ Poel heeft zich met zijn vrouw opgegeven bij Jeugdzorg om pleegouder te worden. ‘Daarnaast ondersteunen wij gericht een paar hulpverleners in het buitenland, die we goed kennen, financieel en door gebed.’ Ook probeert Poel zijn zoontje te leren naar anderen om te zien door hem zakgeld te geven, waarvan een deel nadrukkelijk bestemd is voor een goed doel.
Wijma heeft een aantal jaren met een groep catechisanten opgetrokken, die ‘de bezemklas’ vormden. ‘Ze voelden zich als het ware het afvoerputje van de gemeente. Ik zag hen eens in de twee weken en ik denk niet dat je het catechisatie kunt noemen, maar ik was er voor hen en we bespraken thema's die speelden in hun leven. Ik liep met ze op.’
Iets soortgelijks deden Wijma en zijn vrouw met een aantal neven en nichten van hem, die in zijn woonplaats Zwolle wonen. ‘Eens in de maand aten die neven en nichten bij ons en spraken we met elkaar over wat ons bezighield. We waren er voor elkaar.’

Mijn naïeve hoop of droom is dat ik in de kerkdienst wordt toegerust voor hoe ik in mijn dagelijkse leven moet handelen

SPERZIEBONEN
Volgens Wijma zijn er nog meer redenen aan te wijzen waarom diaconaat niet altijd op de voorgrond staat in ‘zijn’ kerken. ‘Ik denk dat we allemaal, zoals we hier zitten, lid zijn van een kerk met veel hoger opgeleide mensen. Daar is het makkelijker om te oreren en te vergaderen dan om te doen. Ik herinner me dat iemand van een diaconale organisatie een keer een avond invulde bij die zogenoemde bezemklas. De dag erna sprak ik één van de jongeren. Ze zei: “Als een ouder iemand door de stad geduwd wil worden, waarom belt dan niet iemand mij om dat te zeggen? Daar hoef je niet een hele avond over te preken, dat moet je gewoon doen.” Een typerende reactie als je het mij vraagt.’
Poel: ‘Volgens mij moeten diakenen op z'n minst een voorbeeld zijn en geven, los van hoe je dat vormgeeft. Deze rol hebben ze ook, maar vaak wordt gedacht dat ze alleen maar vergaderen. Het wordt tijd dat diakenen beter gaan communiceren wat ze daadwerkelijk doen.’ Beukema: ‘Het is niet alleen maar armenhulp. We hoeven geen rugnummers te geven, maar het soort werk van diakenen mag inderdaad genoemd worden.’
Dat het niet alleen armenhulp is waar diakenen zich hard voor moeten maken, wordt tijdens het gesprek steeds duidelijker. Poel: ‘Diaconaat gaat over het helpen waar geen helper is en het opkomen voor mensen die niet voor zichzelf kunnen opkomen. Het is dus een stuk barmhartigheid tonen, maar het heeft ook alles te maken met gerechtigheid. Vanuit kerken moet je ook onrecht durven aanwijzen en een standpunt durven innemen. Dat is soms ingewikkeld, maar het hoort helemaal bij het zijn van een volgeling van Jezus.’
Wijma: ‘Diaconaat heeft heel vaak de kleur van werken van barmhartigheid. Wij vinden het al heel stoer als we een pot sperziebonen meenemen voor de voedselbank. Maar intussen blijven structuren onrechtvaardig. Ik weet dat je die mondiale structuren niet kunt aanpakken. Maar volgens mij leven we in een samenleving waar het steeds ingewikkelder wordt en dan heb je mensen nodig die het verstand hebben om tegen onrechtvaardige structuren in het geweer te komen. Die mensen moeten vanuit de kerk iets meekrijgen om dat te doen. Niets doen is geen optie.’
Later in het gesprek stipt Wijma een tweede oorzaak aan van het probleem dat de diaconie geen heel grote rol speelt in de kerken. ‘Het heeft ook te maken met een bepaald soort theologie. Het gaat vaak vooral over Jezus die mijn zonden vergeeft, de rechtvaardiging. Maar als je de woorden van Jezus erop naslaat, dan heeft hij het wel over vergeving van zonden, maar nog veel meer over het Koninkrijk. Volgens mij is het denken vanuit het Koninkrijk van essentieel belang in de vormgeving van het diaconaat. Het gaat erom dat we als gemeenschap elkaar helpen om te snappen waar we door de ontferming van Christus aan ontkomen zijn. En dat we elkaar helpen om te begrijpen hoe we door Gods genade in beweging worden gezet, om dat zelf in praktijk te gaan brengen. Volgens mij is dat de reden dat we samen kerk-zijn: genade ontvangen en daardoor in beweging komen. Om dat te doen hebben we voorbeelden nodig, maar moeten we vooral ook zelf in het spoor gaan van voorbeeld Jezus.’

Maarten Boersema is parttime predikant van de GKv Blije-Holwerd. Daarnaast is hij fotograaf en tekstschrijver.