Levenslang

Pastoraat aan jonge mensen die een ouder hebben verloren is bijna niet te doen. Menno Veldsema doet niettemin een poging om te beschrijven welke factoren van belang zijn. Want mensen die op jonge leeftijd een ouder verliezen hebben jarenlang extra zorg en ruimte in het pastoraat nodig.

Hoe ga je om met rouwverwerking bij kinderen en jongeren, kinderen die soms nog hun hele ontwikkeling moeten doormaken? Het is heel belangrijk om ze goed te begeleiden in hun rouwproces. Want wat er gebeurd is in dit jonge leven, is nooit meer recht te zetten. Vele processen in de gezonde ontwikkeling naar volwassenheid worden afgebroken. Het begrip dat een kind of jongere van de ‘dood’ heeft, speelt hierbij een grote rol. ‘Dood’ is voor een tweejarige iets heel anders dan voor een veertienjarige. Daar komt nog bij dat de manier hoe je ouder is overleden een groot verschil maakt: plotseling, na een lang ziekbed of door een zelfgekozen dood. Ik werk eerst deze twee elementen uit, om daarna tot een advies te komen voor het pastoraat.

Atlantis
Gerrit Breeuwsma beschrijft in De constructie van de levensloop wat kinderen weten of begrijpen van de dood: ‘Jonge kinderen in de leeftijd van drie tot vijf jaar hebben geen juist begrip van de dood, zodat we ons moeten afvragen hoe individuen zich dit begrip in de loop van de ontwikkeling eigen maken. Dit noem je uitgestelde rouw. Als je een kind bent, besef je niet wat dood is. En helemaal niet dat de dood definitief is. Dat je vader of moeder nooit meer terug komt! Zij zien de dood meer als slapen. (...)
Kinderen van vijf tot negen jaar zien de dood als een geest, een slechte man, enzovoort. Na het negende jaar zijn kinderen in staat om de dood te begrijpen als een universele en irreversibele (niet omkeerbare) gebeurtenis. Het menselijke leven wordt beëindigd door de dood en dit impliceert dat het lichaam niet langer functioneert.’
C.S. Lewis, van wie de moeder stierf toen hij negen jaar oud was, schreef in Verrast door vreugde: ‘Met de dood van mijn moeder verdween al het gevestigde geluk, alles wat rustig en betrouwbaar was uit mijn leven. Ik zou nog veel plezier hebben, veel genot en veel vreugde, maar niet meer de oude zekerheid. Nu waren er alleen nog maar zee en eilanden; het grote continent was gezonken, als Atlantis.’

Voor kinderen is elk opvolgend jaar weer een heel nieuwe periode in hun ontwikkeling. In die ontwikkeling krijgt het begrip ‘dood’ steeds weer een andere betekenis. Dat heeft gevolgen voor het rouwproces.
Een kind dat op jonge leeftijd één van zijn ouders moet verliezen, heeft nog geen beeld van deze ouder. Dit wordt ‘de grote leegte’ genoemd. Het kind weet niet hoe hij/zij was, praatte, rook. Er zijn geen herinneringen, geen beelden. Geen positieve, maar ook geen negatieve. Dat betekent dat ze vaak wel merken dat ze iets missen, maar niet weten wat ze missen. Dat maakt het nog ingewikkelder. Ze groeien op in een gezin dat voor hen heel gewoon is. Ze zien wel dat het bij leeftijdgenootjes thuis anders is. Dat geeft ook vaak het gevoel dat ze anders zijn. Maar ze weten niet hoe ze hiermee moeten omgaan. De situatie van hun gezin is voor hen immers de realiteit.

Zorg dat verdriet niet gaat stollen

Kinderen vanaf een jaar of zes hebben wel een beeld van hun ouder. Maar in die leeftijd zien ze hun ouder nog als iemand die alles kan. Ze houden dat beeld vast wanneer ze opgroeien. De dood ontneemt hun daarmee de kans om een volwassene in de loop van de tijd te zien groeien en veranderen. In het Nederlands Dagblad van 13 september 2003 stond een artikel van Riet Fiddelaers met de titel: ‘Jongeren rouwen achter maskers, dood, maar doen alsof er niets gebeurd is’. De strekking van het artikel is dat jongeren na een verlies zo normaal mogelijk willen doorleven. Fiddelaers komt tot de conclusie: ‘Aan de buitenkant zie je de jolige pubers, de binnenkant is verscheurd door verwarring en verdriet. Deze jongeren zijn bezig om zelfstandig te worden, los te komen van hun ouders. Dit proces is heel belangrijk voor het echt zelfstandig worden. Jongeren voelen zich na het overlijden van een ouder vaak zó super verantwoordelijk voor de overgebleven ouder, dat ze alles doen om het die ouder naar de zin te maken. En zoals alle ouders van pubers weten, is het voor hen juist belangrijk om zich af te zetten tegen hun ouders. Ze moeten een eigen ik gaan vormen.’

Aparte aandacht vergt de mythevorming van kinderen over de overleden ouder en over zichzelf. We leren onze ouders onder meer als ‘echte’ mensen kennen doordat we zowel hun zwakke als sterke punten zien. Deze vermenselijking van onze ouders is een geleidelijk proces. Als we zelf sterker en meer volwassen worden, slagen we er steeds beter in ons te ontdoen van de idealiseringen uit onze jeugd en om onze ouders te zien als meerdimensionale mannen en vrouwen.
Een kind van wie de ouder is overleden, is niet alleen geneigd tot mythevorming met betrekking tot de gestorven ouder, maar kan ook over zichzelf een verzameling onjuiste ideeën opbouwen. Bij de meeste kinderen komt de gefantaseerde band met de verloren ouder voort uit hun eigen gevoel van gemis en verlangen naar iets wat er had kunnen zijn. Rouwen kun je alleen maar als je van iemand hebt gehouden. Dat is vaak ook de reden dat jongeren met een verlieservaring zich moeilijk kunnen binden aan andere mensen. Dit is niet leeftijdsgebonden. Je bent altijd bang dat je ook die ander moet missen (zie Een verlies voor altijd van M. Harris).

Doodsoorzaken
Als tweede is het belangrijk dat we onderscheid aanbrengen in de doodsoorzaak en het proces dat de jongeren voor en na het overlijden hebben moeten meemaken.

1. Plotselinge dood versus de wereld is een veilige en beschermde plaats
De snelle of plotselinge dood is vaak het gevolg van een gewelddadige gebeurtenis: de bliksem slaat in, er gebeurt een ongeluk, de trekker wordt overgehaald, men krijgt een hartinfarct. Het ene moment vormde men nog een gezellig gezin, het volgende moment ...
Voor kinderen is zo’n gebeurtenis dramatisch: ze kunnen zich niet meer veilig voelen in een wereld die zo snel en ingrijpend verandert. De plotselinge dood vernietigt hun elementaire geloof dat de wereld een veilige, voorspelbare plaats is.
Ook hierin speelt de leeftijd van het kind een rol. Als je nog zo jong bent dat je niet snapt wat de dood inhoudt, is het nog moeilijker om te snappen waarom één van je ouders er ineens niet meer is. Als er zonder enige waarschuwing vreselijke dingen kunnen gebeuren, voelt een kind zich kwetsbaar en onzeker.

2. Langzame dood versus mijn ouders zijn sterk en machtig
Voor kinderen zijn vaders en moeders onoverwinnelijke reuzen, koningen en koninginnen die met volmaakte kennis regeren over het rijk van het gezin. Een zoon kan zeggen: ‘Mijn vader kan alles maken.’ Dat geeft hem rust, ook al is de werkelijkheid anders. Als een kind ziet dat zijn ouders langzaam aftakelen, stort zijn wereld in. C.S. Lewis: ‘Voor ons jongens begon het echte verdriet al voordat mijn moeder stierf. We raakten haar langzaam kwijt, omdat ze geleidelijk uit ons leven verdween en terechtkwam in een wereld van verpleegsters, delirium en morfine. Ons hele bestaan veranderde in iets vreemds en bedreigends, terwijl het huis gevuld werd met vreemde luchtjes, nachtelijke geluiden en sinistere, gefluisterde gesprekken.’

3. Zelfdoding versus natuurlijk houden mijn ouders van mij
Zelfdoding slaat voor een kind alle grond onder de voeten weg. Het is een ‘zelfgekozen’ dood en dat voelt als ‘mijn vader/moeder heeft mij in de steek gelaten’. De overtuiging van een kind dat zijn ouders van hem houden en dat hij die liefde verdient, wordt stukgeslagen. Want wanneer een ouder zelfmoord pleegt, wordt een kind geconfronteerd met het feit dat de ouder met opzet is gestorven, dat hij of zij de dood zelf heeft gewild en het kind bewust, onnadenkend en egoïstisch, alleen heeft achtergelaten. Het kind wordt zijn hele leven achtervolgd door het refrein: ‘Als mijn vader of moeder van mij hield, hoe kon hij of zij me dan in de steek laten?’ Hierdoor kunnen kinderen gaan twijfelen aan hun eigen waardigheid en inherente goedheid. Misschien waren ze wel niet goed genoeg en was dat de reden dat hun vader of moeder hen in de steek liet.

Aanbevelingen
Hoe kun je nu in het pastoraat ontspannen omgaan met de bovengeschetste situaties? Het lijkt haast onmogelijk.
Het heeft uiteindelijk allemaal te maken met de zondeval. Dat bedoel ik niet als dooddoener, maar daar kreeg de dood vat op ons leven en op één of andere manier raakt ons dat heel erg. De dood is een macht die hard ingrijpt in onze werkelijkheid. Het ontwricht ons hele leven. Niet alleen dat van jongeren, maar ook van ouderen. Hoe kun je goede zorg bieden in zo’n complexe situatie, toegespitst op de jongeren van de gemeente? Een paar aanbevelingen.

1. Blijf praten
Je moet zorgen dat het verdriet vloeibaar blijft, dat het verdriet niet gaat stollen. Het lijkt misschien wel hard om over de dood te blijven praten, maar op deze manier geef je een jongere de ruimte om over zijn verdriet te praten.
Ik heb hiervoor al beschreven dat pubers rouwen achter een masker. Ze laten hun verdriet niet zien. Maar het verdriet is wel degelijk aanwezig. In alle gesprekken die ik met jongeren heb gehad, geven ze aan dat ze het juist fijn vinden om met mij over hun verlies te praten. En ze vinden het onbegrijpelijk dat ouderen niet met hen praten over hun verlies. Juist daarom is het voor hen van extra belang dat er een ander iemand is die ze wel de gelegenheid geeft om te praten. Die gesprekken kunnen er ook aan bijdragen dat er binnen het gezin weer met elkaar gesproken gaat worden.

2. Verwijs door
Omdat elke leeftijd een andere aanpak nodig heeft, moet je ook doorverwijzen naar professionele hulpverleners die precies weten in welke ontwikkelingsfase de jongeren zich bevinden. Professionele hulp blijft essentieel. Het is belangrijk dat ambtsdragers juist het zoeken naar professionele hulp stimuleren. Daarbij kun je ook denken aan een gespreksgroep met bijvoorbeeld leeftijdsgenoten/lotgenoten. Het kan ook beginnen met het aanbieden van literatuur over dit onderwerp of het verwijzen naar een website waar ze informatie kunnen vinden over hun rouwverwerking. Als jongeren zien en lezen dat wat ze hebben heel herkenbaar en normaal is, wordt de stap om hulp te vragen kleiner. Als een jongere echt niet wil, is het wel belangrijk om te blijven wijzen op de mogelijkheden van hulp.

3. Steun de achtergebleven ouder
De grootste taak voor ambtsdragers ligt volgens mij bij de achtergebleven ouder, die je kunt troosten en steunen, ook met betrekking tot hun kinderen. Blijf met deze ouder praten, niet alleen het eerste jaar, maar eigenlijk totdat de kinderen alle fasen van hun ontwikkeling hebben doorgemaakt en oud genoeg zijn om hun eigen keuzes te maken in rouwverwerking. Zorg dat je als ambtsdrager weet waar je de gepaste hulp voor de desbetreffende leeftijdsfase kunt vinden (zie bijvoorbeeld www.in-de-wolken.nl), maar benoem ook de verschillende problemen waar hun kinderen tegenaan lopen. Bijvoorbeeld dat het belangrijk is dat een kind zich bindt aan andere mensen, ook al is zijn ouder plotseling overleden. Of dat niet het kind de oorzaak is van de zelfdoding, maar dat de ouder zich juist overbodig voelde en het gevoel had dat het kind beter af was zonder hem/haar. Of dat andere, gezonde mensen niet zo kwetsbaar worden als de ouder van het kind, die gesloopt is door een ernstige ziekte.

Voor kinderen zijn vaders en moeders onoverwinnelijke reuzen, koningen en koninginnen die met volmaakte kennis regeren over het rijk van het gezin

4. Haal gezinnen uit hun isolement
Je moet gezinnen die hiermee te maken hebben uit hun isolement halen. Vaak ontstaat er een gesloten systeem, omdat de gezinsleden het idee hebben dat niemand van de buitenwereld kan voelen of begrijpen hoe zwaar ze het hebben in hun verdriet. En ook binnen het gezin is het moeilijk om met elkaar over emoties te praten. Hier zie je vaak dat het verdriet stolt.
Belangrijk hierbij is dat je als ambtsdrager, als vrienden, als broer en zuster uit de miniwijk in dit gezin blijft komen. Dat hoeven niet alleen bezoeken te zijn waarin gepraat wordt. Samen iets doen is ook heel belangrijk. Neem de kinderen – of af een toe een kind – eens mee als je ergens naartoe gaat en nodig ze regelmatig uit om bij je te eten.
Ook de vrienden van voor het overlijden blijven belangrijk, hoe vaak ze ook het idee hebben dat dit gezin niet op hen zit te wachten. Zij zijn degenen die de overleden ouder ook hebben gekend en daar dus over kunnen praten.

5. Leef mee bij hoogtepunten
Het blijft belangrijk om er voor deze kinderen te zijn. Ooit zullen ze bijvoorbeeld een diploma halen en juist dan zullen ze denken aan hun overleden ouder. Wat zou die trots zijn geweest... Of denk aan verkering, belijdenis of trouwen. Er is en blijft altijd een lege plek en die doet zo ongelofelijk veel pijn. Juist op die momenten willen jongeren vaak met hun ambtsdragers erover praten waarom God dit heeft toegestaan.

Deskundige
Pastoraat aan een rouwende jongere duurt jaren. Ik ben me ervan bewust dat dit voor ambtsdragers bijna niet te doen is. Het belangrijkste advies dat ik aan een gemeente kan geven, is dan ook om een broeder of zuster aan te stellen als deskundige, adviesgever en contactpersoon op dit gebied. Deze persoon moet zich verdiept hebben in de literatuur hierover, moet weten welke soorten hulpverlening er zijn en moet kunnen doorverwijzen naar websites of lotgenotenbijeenkomsten. Als een ambtsdrager of wijkgenoot in de gemeente dan te maken krijgt met kinderen of jongeren die een ouder verliezen, kunnen zij naar de genoemde deskundige gaan voor informatie, advies en ondersteuning. Want aandacht voor deze kinderen en jongeren is echt van groot belang voor hun verdere ontwikkeling.

Menno Veldsema is godsdienstleraar en werkt op het Greijdanus Zwolle. In zijn studie en werk heeft hij zich beziggehouden met rouwverwerking bij jongeren. Als ervaringsdeskundige heeft aandacht voor het verdriet dat dit meebrengt zijn bijzondere interesse. Dit artikel verscheen eerder in Dienst.