Ik hoop dat mijn boodschap gehoord mag worden

Emeritus predikant Gerard de Lange houdt van zijn kerk, de NGK. Tegelijk heeft hij grote zorgen. Onlangs uitte hij die in het boek Bijbelse toekomstverwachting. Een gesprek over zijn geloofsweg, zijn prediking en zijn moeiten.

Bij Gerard thuis in Bennekom praat ik een middag intens met hem door. Hij zit daarbij aan de zuurstof vanwege zijn longkwaal. Door die aandoening moest hij in 2012 met vervroegd emeritaat gaan in de NGK Ede.
Ondanks zijn fysieke broosheid blijft hij geestelijk actief. Zo schrijft hij nog regelmatig preken en heeft hij recent een boek over de eindtijd geschreven, Bijbelse toekomstverwachting. Hierin doet hij opzienbarende uitspraken over kerken die het ambt hebben opengesteld voor vrouwen en die homoseksuele relaties goedkeuren. Hij ziet daarin een weg geplaveid worden voor de komst van de mens der wetteloosheid. Dat roept de vraag op naar zijn weg in de NGK, die op vele plaatsen de vrouw in het ambt kent en ook serieus in gesprek is over de ruimte die er mag zijn voor gemeenteleden die in een homoseksuele relatie samenleven.

Loyaliteit
In de Opbouw van 30 juli 1971 staat een bewogen ingezonden brief van de toen 22-jarige student Gerard de Lange. In gebedsvorm verwoordt hij daarin zijn moeite met de kerk. Een kerk die een kind dat de Heer graag beter wil leren kennen in de diensten aangespreekt in een onbegrijpelijke taal. Die hem op de catechisatie opzadelt met vragen die de zijne niet zijn en met antwoorden die hij niet begrijpt. Een kerk die zich druk maakt om anderen en die veroordeelt, maar aan haar eigen jeugd niet kan vertellen wie Jezus echt is. ‘De God van de kerk die je bevooroordeelde, je dom maakte, je mis-maakte, is dood. Die God is dood. Die God leefde nooit’, schreef hij. ‘Is God de God van de kerk of een ander? Was Zijn Zoon – Christus – ook zo bevooroordeeld? Zag Hij ook alles zo zwart-wit? Trapte Hij ook iedereen de grond in om er zelf zo overheen te kunnen blijven kijken en alles goed te blijven zien en boven al die domme, verkeerde andere mensen te blijven staan – net als de kerk? Nee! Hij accepteerde ze. Hij hield van ze. Hij houdt van de mensen.’

Gerard groeide op in een groot gezin dat elke zondag trouw twee keer ter kerke ging. Het bovenstaande citaat is geen blijk van afstand, maar van intense betrokkenheid bij de kerk. Met alle vragen en verzet was er ook liefdevolle loyaliteit. ‘Intern was ik kritisch en naar buiten toe verdedigde ik de kerk’, vertelt hij.
Het ingezonden in Opbouw spreekt wel van de worsteling die hij zelf heeft gekend om in de massiviteit van de kennis vanuit de prediking en de catechese te ontdekken waar het nou echt om gaat. Dat kwam bij het opgroeien binnen in het bevrijdende besef van Gods genade en de vergeving van zijn zonden.
Toen deze intense beleving qua diepgang vervaagde en zo een crisis veroorzaakte, kwam bij het besef van genade ook het besef van overgave. In de woorden van Gerard: ‘Jezelf ter beschikking stellen aan God en Hem door jou heen laten werken door zijn Geest.’ Vergeving en inzet van alle krachten zijn de brandpunten in zijn geloof.
Zijn trouw aan de kerk bleek toen hij midden in de kerkscheuring belijdenis deed van zijn geloof. De impact van de scheuring was groot – ‘opeens een halflege kerk was afschuwelijk’ – maar voor Gerard was dat geen reden om af te haken, maar juist om zijn geloof te belijden: ‘God houdt van zijn kerk!’

Onderdak
De lange weg naar het predikantschap liep voor Gerard via de mulo en de kweekschool naar de universiteit. Hij wilde graag dominee worden om het Evangelie door te geven en uit te leggen. ‘Ik wilde vooral dienaar zijn.’ De Bijbel openen midden in de praktijk van het leven van deze wereld was zijn streven. Hij is daarin altijd de leraar gebleven en spande zich in om kinderen en gasten erbij te betrekken. Hij deed dat door steevast elke preek te verduidelijken met een voorwerp op de preekstoel. Zijn preek mocht niet als in zijn eigen jeugd over de hoofden heen gaan. ‘Al is het niet alleen een kwestie van preken, maar ook van luisteren’, zegt hij. ‘Een jongeman kwam eens naar me toe met de vraag: “Hé, bent u anders gaan preken?” Dat was eigenlijk niet zo. Kennelijk was het kwartje gevallen en was het hart van dit jonge gemeentelid opengegaan voor waar het echt om gaat.’
Nadat Apeldoorn hem de toegang had geweigerd, maakte Gerard samen met een paar andere afgestudeerden van de pedagogische academie te Sneek de overstap naar de studie theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Het wetenschappelijke klimaat daar ervoer hij als positief. Naast een overschatting van de wetenschap maakte hij ook diverse docenten mee die God en zijn Woord van harte liefhadden.
Bovendien dreef de wetenschappelijke theologie hem naar de bijbelse en kerkelijke theologie. ‘Best kans dat aan een kerkelijke opleiding het tegenovergestelde was gebeurd’, meent hij. Van groot belang was in deze periode de Theologische Studie Begeleiding.
Daar kreeg zijn liefde voor het Woord voeding en vorming door het inspirerende voorbeeld van de begeleiders, H. de Jong en H. Smit.

‘Zonder trouw kunnen we niet groeien in echte kennis en de relevantie daarvan ontdekken!’

Tijdens zijn studietijd woonden Gerard en zijn vrouw Pia in Middelstum, waar Pia als wijkverpleegkundige werkte. Zij vonden in de Tehuisgemeente in Groningen een warm onderdak na alle kerkelijke sores en strijd. De prediking van ds. Kranenburg, die Gerard typeert als authentiek, exegetisch geloofwaardig en toegankelijk door helder woordgebruik, inspireerde en vormde hem in zijn eigen voorbereiding op het ambt. De Tehuisgemeente liep onder de voortvarende leiding van Kranenburg ver op het landelijk verband vooruit met de openstelling van het ambt voor zusters. ‘Dat overviel me en daar had ik mijn mening ook nog niet over gevormd’, zegt Gerard.
Die mening vormde hij later, in zijn eerste gemeente, de NGK Oegstgeest.
Bij voorkeur preekte hij daar door een bijbelboek heen, om niet zijn eigen voorkeuren te laten spreken, maar zich te laten leiden door Gods Woord zelf. ‘Zo ben ik bij het bepreken van de eerste brief aan de gemeente te Korinthe en wat de apostel Paulus daarin schrijft over de verhouding tussen man en vrouw in het licht van de verhouding tussen Christus en de gemeente, tot de overtuiging gekomen dat de man-vrouwrelatie zoals de Schrift die ons tekent niet te verenigen is met een leidinggevende positie die met het kerkelijk ambt gegeven is.’

Kennis
De Heidelbergse Catechismus speelt een belangrijke rol in Gerards prediking. In leerdiensten maakte hij er veel gebruik van. ‘Nog altijd een buitengewoon knap en goed boek’, vindt hij.
Ik confronteer hem met zijn ingezonden uit 1971, waarin hij de catechisatie aan de hand van juist dit leerboek hekelde als onverstaanbaar en niet relevant voor jonge mensen. Gerard erkent dat, maar laat er een aantal overwegingen op volgen.
Allereerst is voor zijn persoonlijke studie en zoektocht naar een bijbelse theologie de catechismus heel waardevol gebleken. Die werd een houvast in zijn Groningse tijd. De twee brandpunten in zijn persoonlijk geloof, Gods genade en de menselijke overgave en inzet, vindt hij in de catechismus knap en evenwichtig verwoord.
‘En ik heb altijd geprobeerd het ene te doen en het andere niet na te laten. Dat wil zeggen: het onderwijs vanuit de catechismus doorgeven, maar tegelijk ook altijd ervoor waken om niet over de hoofden heen te preken, maar juist helder te maken waar het om gaat.’
Een belangrijke reden waarom de catechismus door velen, onder wie collegae, niet meer gewaardeerd wordt, is volgens Gerard een tekort aan trouw en een focus op de beleving van het hier en nu. ‘Vroeger ging je met de gemeente de hele catechismus door. De kennis die men meekreeg, was lang niet altijd voor iedereen even relevant. Maar er werd wel kennis opgebouwd. Als dan het kwartje viel, kreeg veel kennis een waardevolle plek. Nu is de ervaring van relevantie zo bepalend dat het ontbreken daarvan een volkomen legitieme reden is om niet meer naar de kerk te gaan. Maar zonder trouw kunnen we niet groeien in echte kennis en de relevantie daarvan ontdekken!’

Assimilatie
Op mijn vraag waarmee Gerard blij is binnen de NGK, antwoordt hij spontaan: ‘Dat we verlost zijn van het telefoonnummergeloof.’ In de vrijgemaakte kerk van zijn jeugd bepaalden de codes – specifieke opvattingen en praktijken – of je erbij hoorde of niet. In de NGK wilde men eerlijk luisteren naar de Bijbel om in vertrouwen de weg te gaan die de Here wijst. ‘Een schriftgeleerdheid met liefde voor God en zijn Woord, zonder opsmuk en formele regels, met ook de belijdenis op de tweede plaats.’ Al bijbellezend kwam Gerard zo tot de overtuiging dat het openen van de ambten voor vrouwen tegen Gods onderwijs ingaat. Datzelfde geldt ook voor zijn standpunt ten aanzien van homoseksuele relaties.
De manier waarop de NGK omgaat met deze twee onderwerpen, geeft hem reden tot grote zorg. Hij schuwt daarbij grote woorden niet. In zijn boek over de eindtijd plaatst hij de kerkelijke ruimte voor zowel de vrouw in het ambt als homoseksuele relaties in het perspectief van de mens der wetteloosheid: de mens die zich afkeert van eerlijk luisteren naar God en de overgave aan Hem.
Op mijn vraag hoe het kan dat een kerk die gekenmerkt wordt door een zorgvuldig luisteren naar God in zijn Woord zo de plank misslaat, erkent hij dat dit hem binnen de NGK lelijk is tegengevallen. De oorzaak is in zijn ogen een kerk die zich, inmiddels in de marge, inspant om toch vooral geloofwaardig en acceptabel te blijven in de wereld van vandaag. Angst voor afwijzing ziet Gerard als het motief. De overweging van mijn kant dat voorstanders van de vrouw in het ambt juist vanuit een eerlijk en nederig luisteren naar de Bijbel tot hun conclusie zijn gekomen en dat zij die ruimte bepleiten voor homoseksuele relaties dit primair doen vanuit het centrale liefdegebod, acht Gerard niet overtuigend. Hij trekt een parallel met de Joden die onder druk van koning Antiochus IV Epiphanes (tweede eeuw voor Christus) hun assimilatie aan de Griekse cultuur onder het verloochenen van bijbelse voorschriften met de vroomste voorwendselen goedpraatten. ‘Wij falen wanneer we uit angst of om in het gevlei te komen bij de wereld homoseksualiteit geen zonde durven te noemen.’
Homofilie is in zijn beleving een kruis, zoals zoveel gelovigen een zwaar kruis hebben te dragen. Bijvoorbeeld een ernstige, chronische ziekte. ‘Hoe draag je dat in het geloof? Daar gaat het om.’
Op mijn vraag of deze twee kwesties zo het hart van het Evangelie raken dat hier de zwaarst denkbare beschuldiging gemaakt moet worden en of hij hiermee zich niet zelf schuldig maakt aan telefoonnummergeloof met in dit geval twee codes, bevestigt Gerard dat dit inderdaad voor hem de kern van het geloof raakt, met een verwijzing naar Romeinen 1:16-32. ‘Het niet meer respecteren van de man-vrouw-relaties is een uiting van een cultuur die God verwerpt.’
Of hij, zoals een professor J. Douma, nu overweegt de NGK te verlaten? Zijn antwoord is overtuigd: ‘Ik blijf mooi lid. Waar zou ik heen moeten? Ik ben blij met het vele goede dat er ook is en ik hoop dat mijn boodschap in deze kerk die mij lief is gehoord mag worden.’
‘Ik weet dat het zwart-wit is. Ik weet dat het zwarter gezegd is dan het is, maar ik weet ook dat de werkelijkheid er niet ver naast valt. Alstublieft, publiceer het, open de mensen de ogen, open uw eigen ogen. 'k Weet dat het licht fel en scherp is, maar het is licht!’ (ingezonden brief, Opbouw 1971).

Ton Vos is predikant van de NGK Ede en redacteur van Opbouw.