Maria Vrijmoeth

Ze groeide op in een door en door gereformeerd milieu, maakte de Vrijmaking van 1944 en de scheuring van 1967 mee en vond te midden van al die turbulentie haar eigen weg in het geloof. Maria Vrijmoeth vertelt haar verhaal.

In januari 1935 word ik geboren in een gereformeerd gezin met zes kinderen. Ik groei op binnen de gereformeerde zuil. Wij hebben gereformeerde ooms, tantes, neefjes, nichtjes, vriendjes en vriendinnetjes en we gaan naar de gereformeerde lagere school. Dat de kinderen van de hervormde school ook christenen zijn, dringt pas tot mij door wanneer ik als meisje van 8 jaar bij de hervormde overburen een vriendinnetje ga halen. Ik word uitgenodigd om even binnen te komen en te wachten tot zij de maaltijd hebben afgesloten. Tot mijn verbazing merk ik dat ook dit gezin gewend is aan tafel de Bijbel te lezen en te danken voor het eten. Het is de eerste keer dat ik over de muren van onze eigen gereformeerde kerk heen kijk en ontdek dat daarbuiten ook lieve, vrome christenen zijn.
Op de gereformeerde school is weinig aan te merken. We moeten elke maandagmorgen een psalmversje opzeggen en we krijgen elke morgen een bijbelverhaal te horen. De leerkrachten geven echt christelijk onderwijs en we zien hen 's zondags terug in de kerk. Evenals op school zingen we in de kerk de psalmen op hele noten en is de Statenvertaling de enige vertaling. De kerkdiensten ervaar ik niet als prettig. Er zit geen enkele variatie in de liturgie. De preken zijn lang en dringen niet tot mij door. En er wordt geen enkele aandacht aan de kinderen geschonken.

Brief van Jezus
De Vrijmaking gaat niet aan de gereformeerd kerk in ons dorp voorbij. Mijn ouders, beiden geboren en getogen onder de rook van de VU in Amsterdam, zijn overtuigd van de onjuistheid van de theorie rondom de ‘veronderstelde wedergeboorte’ van dopelingen. Bovendien zijn ze het erover eens dat artikel 31 van de Dordtse kerkenordening de plaatselijke kerk het recht geeft om zelf te beslissen of een synodebesluit aanvaard wordt of niet.
Uiteindelijk is het echter maar een kleine groep van 33 personen, waaronder ons gezin van 8 personen, dat zich vrijmaakt en 's zondags in een achterafzaaltje van een verenigings-gebouw samenkomt. Voor mij als meisje van 10 jaar zijn de kerkdiensten die daar gehouden worden geen geloofsopwekkende gebeurtenissen.
In de jaren vlak na de oorlog word ik geconfronteerd met het feit dat niet allen die bewust vrijgemaakt zijn geworden hetzelfde denken over bepaalde zaken. Regelmatig logeert van zaterdag tot maandag een theologiestudent met preekconsent, een predikant of één van de hoogleraren van de vrijgemaakte theologische hogeschool uit Kampen bij ons, om 's zondags voor te gaan in de twee diensten. Op één van die zaterdag-avonden spreekt mijn vader met een professor over de ware kerk. Op een gegeven moment geeft de zeergeleerde heer een soort college over de kerk, die door alle eeuwen door Christus is bewaard. Hij zegt dat als Jezus weer brieven naar bepaalde gemeenten zou rondsturen, Hij zijn brief in ons dorp zou adresseren aan mijn vader, die de scriba van de vrijgemaakte kerk is. De brief van Jezus zou bezorgd worden aan óns adres, niet bij de synodaal-gereformeerde scriba of bij de hervormde. Want wij zijn de enige ware kerk en zij zijn lid van een valse kerk.
Mijn moeder heeft de hele tijd stil zitten luisteren, maar zegt dan met grote stelligheid: ‘Professor, wat u hier vertelt, kan ik goed volgen en ik kan er geen speld tussen krijgen, maar toch is er iets mis in uw redenering. Het is niet juist wat u zegt!’ Voor mij is vanaf dat moment de grote vraag: wat is er fout in de theorie over de ware kerk? De bladen die ons huis binnenkomen onderschrijven juist die theorie.

Afdwalende schapen
In 1947 verhuizen we naar Amsterdam. Daar worden we lid van de vrijgemaakte kerk van Amsterdam-Zuid. Voor ons als kinderen is het een grote verandering. Kerkdiensten met wel 200 mensen, catechisatie in een grote groep, een jeugdclub met gezelligheid en een eigen dominee. Op de nieuwe school valt de aanpassing niet mee. Geen van de klasgenoten is vrijgemaakt en de godsdienstleraar is vrijzinnig en legt er steeds de nadruk op dat de wonderen die in de Bijbel staan niet echt gebeurd zijn. De vraag of God wel bestaat en of alles wat in de Bijbel staat misschien door mensen verzonnen is, houdt mij meer bezig dan het probleem van de ware kerk.
Er zijn echter volwassenen die zich daar wel druk over maken. Zij vinden dat, nu de kerk zich vrijgemaakt heeft van valse dogma’s, dat zich moet manifesteren in een ‘doorgaande reformatie’ op het gebied van politiek, school en maatschappij. In 1948 wordt hierover een landelijk congres in Amersfoort gehouden.
Daar blijkt dat er twee hoofdstromingen zijn binnen de vrijgemaakte kerken. De ene stroming pleit voor een eigen politieke partij, eigen vrijgemaakte scholen en vrijgemaakte maatschappelijke organisaties. De andere stroming wil blijven samenwerken op allerlei gebied met schriftgetrouwe christenen uit andere kerken.
De pleiters voor de doorgaande reformatie vinden steun bij het Gereformeerd Gezinsblad en De Reformatie. De voorstanders van samenwerking met andere christenen vinden hun mening voor een deel terug in plaatselijke kerkbladen.
Mijn twee oudste broers studeren al enkele jaren in Amsterdam wanneer wij er komen wonen. Zij hebben daar hun eigen kerkelijke ontwikkeling meegemaakt en voelen zich thuis bij de meningen die zij horen bij de mensen die tijdens de zogenoemde Bos-actie teruggaan naar de synodaal-gereformeerde kerk. Mijn ouders zijn daar heel verdrietig over. Zij vinden dat mijn broers verkeerd handelen, want zij hebben niet begrepen dat ‘Gods genade alleen door de bedding van de vrijgemaakte kerken stroomt’. Ze zijn heel consequent in hun afwijzing van de keuze van mijn broers, want als zij achtereenvolgens in 1952 en 1954 hun huwelijk in de synodaal-gereformeerde kerk laten inzegenen, zijn mijn ouders daarbij nadrukkelijk afwezig.

Tot mijn verbazing merk ik dat ook dit gezin gewend is aan tafel de Bijbel te lezen en te danken voor het eten

Dat alles veroorzaakt veel onbegrip en verdriet aan beide kanten. Ook heel verdrietig voor hen is dat hun vierde zoon, mede onder invloed van de vrijzinnige godsdienstleraar, zich van God en zijn kerk afkeert. Zolang deze broer nog thuis woont, gaat hij nog wel mee naar de kerk, omdat mijn ouders het zo graag willen, maar als hij eenmaal zelfstandig is en een baan heeft ergens in het land, houdt hij de kerk voor gezien. Mijn vraag in die tijd is: Waarom komt de dominee niet met hem praten? Of een ouderling? Waarom krijgen mijn oudste broers geen bezoek van een ambtsdrager? Een ware kerk moet toch afdwalende schapen opzoeken? Zijn persoonlijke aandacht en het tonen van liefde niet belangrijker dan het discussiëren over ware en valse kerk?

Gerommel
Op 22 maart 1957 verschijnt naast De Reformatie een ander opinieblad binnen de vrijgemaakte kerk: Opbouw.Dat is een hele verademing. Eindelijk een blad waarin meningen en gevoelens worden verwoord, waarvoor in De Reformatie en het Gezinsblad geen plaats is.
De onderlinge gesprekken over de idealen van de voorstanders van de doorgaande reformatie komen op gang. Opbouw biedt de lezers argumenten en gegevens om over na te denken en om met anderen over te praten. De hoogleraren De Jager en Veenhof en ook de andere leden van de redactie van het nieuwe blad schrijven artikelen die lijnrecht ingaan tegen wat in De Reformatie te lezen is. Mijn man en ik, pasgetrouwd, lezen het blad elke week bijna van a tot z. De bijdragen in Opbouw en de onderlinge gesprekken daarover helpen ons en ook veel anderen om tot een eigen mening te komen. De opbouwende en beschouwende artikelen van Opbouw blijken in de jaren daarna heel nodig te zijn, want het rommelt binnen de vrijgemaakte kerk en het begint hoe langer hoe harder te rommelen. Uitingen daarvan zijn onder meer de eerdergenoemde Bos-actie, waarbij bijna 3.000 broeders en zusters teruggaan naar de synodale kerk.
In 1964 verschijnt Het Getuigenis, ondertekend door 650 verontruste kerkleden uit het hele land. En in 1965 klinkt steeds luider protest tegen de afzetting van ds. Van der Ziel, die gesprekken heeft gevoerd met de synodaal-gereformeerden in Groningen.

Maria Vrijmoeth-de Jong is godsdienstpedagoog en psychologe en heeft veel betekend voor het kinder- en jeugdwerk binnen en buiten de kerken. Ze heeft plaatselijk en landelijk meegebouwd aan het opzetten van kinderevangelisatie, bijvoorbeeld in een project als de Vakantie Bijbelschool. Ook gaf ze veel voorlichting en advies rond jongeren in de kerk en rond geloofsopvoeding. Ze schreef er in samenwerking met anderen, onder wie haar dochter Cary Lenstra, ook boeken over (Opgroeien en Openbloeien en Geloven in Opvoeden). Verder is ze vele jaren actief geweest in de organisatie van de landelijke ontmoetingsdagen van de NGK. Ze is nu lid van de NGK Houten.

In oktober 1966 verandert het gerommel in een zware donderslag door de verschijning van de Open Brief, waarin 25 ondertekenaars zich solidair verklaren met het protest tegen de schorsing van ds. Van der Ziel. Landelijk gezien breekt er zwaar onweer uit boven de vrijgemaakte kerkgemeenschap. Te midden van dit kerkelijke onweer speelt Opbouw een belangrijke rol door een open, eerlijk en opbouwend beleid.

Mijn broers hadden niet begrepen dat ‘Gods genade alleen door de bedding van de vrijgemaakte kerken stroomt’

In de daaropvolgende jaren worden door de vrijgemaakte synode ongeveer 100 gemeentes met plusminus 3.000 leden buiten het verband gezet. Het onweer verstomt en de vrijgemaakte kerken komen tot rust na het verlies van ongeveer een kwart van hun leden. De buitenverbanders zoeken elkaar op en besluiten een nieuw kerkverband te vormen. Zij kiezen uiteindelijk voor de naam Nederlands Gereformeerde Kerken en aanvaarden samen een opgesteld Akkoord van Kerkelijk Samenleven. Opbouw blijft binnen die kerken functioneren als algemeen gewaardeerd kerkelijk opinieblad. Al vrij snel zijn er locaties gevonden waar de diensten gehouden worden, zodat de meeste buitenverbanders op zondag weer gewoon naar de kerk kunnen gaan.
Na een aantal jaren komt er beweging binnen de Nederlands-gereformeerde gemeenten en worden er heel geleidelijk verschillende veranderingen ingevoerd. Zo lezen we in Opbouw van gemeentes waar het kindermoment een plaats krijgt in de eredienst en waar het nut van de kindernevendienst wordt ingezien, evenals van de jeugddienst, met of zonder combo. Interkerkelijke acties, zoals Youth for Christ-evenementen, de Alpha-cursus, EO-dagen en New Wine-conferenties, trekken steeds meer deelnemers uit de NGK-gemeenten.

Samenbindend
In de loop van de 40 jaar dat de NGK als kerkgemeenschap bestaat, zijn er enkele factoren die sterk hebben bijgedragen aan het welzijn en voortbestaan ervan. Ik denk aan de opstelling en het naleven van het Akkoord van Kerkelijk Samenleven, omdat daarin de vrijheid van de plaatselijke kerk wordt gehonoreerd. Zo is het besluit van de Landelijke Vergadering ten aanzien van de vrouw in het ambt in vrede ontvangen en gaf het Akkoord een aantal kerken het recht dit besluit niet in praktijk te brengen. Ik denk ook aan de voortdurende zorg voor een goede opleiding van toekomstige predikanten, met een eigen karakter. En aan het bijbelse en open beleid van Opbouw in al die jaren. Voor- en tegenstanders van verschillende zaken kregen steeds een plaats in het blad om hun standpunten uiteen te zetten. Het open beleid kwam ook uit in de plaatsing van de voortdurende nieuwsstroom vanuit de plaatselijke kerken. Deze nieuwsstroom had een belangrijk samenbindende effect op onze vrij kleine kerkgemeenschap in Nederland.

Alle broeders en zusters die in de loop der jaren in de redactie van dit blad hebben gezeten, wil ik van harte bedanken. Ik las het meestal met plezier en ik heb er veel aan gehad.

Maria Vrijmoeth-de Jong is lid van de NGK Houten.