Wat betekende Opbouw voor u?

Wat heeft Opbouw voor u betekend? Waarin heeft het blad u geholpen of opgebouwd, geprikkeld of bemoedigd, wakker geschud of tot rust gebracht? Waar was u blij mee? Waar werd u boos om? In dit allerlaatste Opbouw-nummer reageren twaalf lezers op deze vragen.

De cirkel is rond

Nee, een lezer van het eerste uur ben ik niet. Hoewel het niet veel scheelt. Bij mij thuis werd De Reformatie gelezen, want mijn ouders waren fervente aanhangers van het gedachtegoed waar dat blad toen voor stond. Toen ik een jaar of zestien was en ik vanuit Zeeland naar Amsterdam vertrok, ben ik zelf Opbouw gaan lezen. Sindsdien is daar geen verandering in gekomen. Al die jaren is Opbouw in de bus gevallen én gelezen. Een aanvechting om het abonnement op te zeggen heb ik nooit gehad.
Is Opbouw van invloed geweest op mijn (onze) geestelijke ontwikkeling? Vast wel, hoewel dat moeilijk concreet te maken is. Je wordt immers beïnvloed door zoveel wat je leest en hoort en ziet. Misschien is Opbouw voor mij vooral van belang geweest voor het kennisnemen van en meegroeien met de ontwikkelingen binnen de NGK.
Al een aantal jaren ben ik naast Opbouw ook op De Reformatie geabonneerd. Ik denk niet dat mijn ouders dat nu zouden hebben toegejuicht: het blad is niet meer zoals vroeger. Maar toch, de cirkel is rond. Beide bladen lees ik met genoegen: naast de toegankelijke lichtvoetigheid van Opbouw de soms wat meer inspanning vragende diepgang van De Reformatie (als ik wat mag generaliseren). Het samengaan van beide bladen juich ik dan ook toe. Er zal zeker enige NGK-nestgeur verloren gaan, maar loslaten hoort nu eenmaal onlosmakelijk bij het onderweg-zijn. Ik wens het nieuwe blad van harte een mooie toekomst toe.

Bram Wattèl, Ede

‘Ik stapte over de drempel en één van de eerste dingen die ik zag was, jawel, het blad Opbouw. Wat was ik opgelucht’

Verkering

Op 25 juli 1965 kreeg ik, 22 jaar oud, verkering met mijn vrouw, Hillie Boerman, die in 2012 is overleden. Ik was timmerman, Hillie werkte in een schoenenwinkel. Ik had nieuwe schoenen gekocht, die ik eigenlijk niet echt nodig had. Toen ik niet meer terug durfde te gaan voor nog een paar nieuwe veters, die ik ook helemaal niet nodig had, trok ik de stoute schoenen aan en vroeg haar mee uit. Ik was nerveus. Ik wist niet veel van haar. Wel dat we allebei gereformeerd-vrijgemaakt waren.
Bij ons thuis waren we volgens veel van onze broeders en zusters niet goed vrijgemaakt. We waren te ruimdenkend en lazen zelfs Opbouw. In de discussies over kerk en geloof was de spanning soms om te snijden. In menige familie ging het er fel aan toe. Toen Hillie mij aan het eind van de avond voorstelde om even mee naar binnen te gaan om haar familie te ontmoeten, stond ik daar weifelend tegenover. Wat zou ik aantreffen? Zou ik gewogen en te licht bevonden worden door haar vader en haar broers? Ik stapte over de drempel en één van de eerste dingen die ik zag was, jawel, het blad Opbouw. Wat was ik opgelucht. Ik begreep dat het heel veel eindeloze, zinloze discussies zou schelen. Zo’n veertig jaar later kwamen er voorzichtige pogingen om tot kerkelijke eenheid te komen. Ik lees nog steeds Opbouw en ben positief over het samengaan met De Reformatie. Als ik dat toen allemaal had geweten ...

Roelf Harsevoort, Hardenberg

Weemoed

Ruim tien jaar geleden gleed hij voor het eerst bij ons door de brievenbus. Opbouw. Opinie-blad voor de Nederlands Gereformeerde Kerken. Wij waren net lid geworden van één van deze kerken en we hadden behoefte aan betrokkenheid. En we wilden er ook meer van weten. Was de gemeente waarbij we ons hadden aangesloten één in een reeks? Waren er dingen die je zou kunnen herkennen als ‘typisch NGK’? Waar hoorden we bij, behalve bij de gemeente die ons al snel vertrouwd en dierbaar werd? Hádden de Nederlands Gereformeerde Kerken onderling trouwens wel samenhang – en hoe belangrijk was dat eigenlijk?
Allemaal vragen die ons er onder meer toe brachten een abonnement te nemen op Opbouw. Om langs die weg nog meer thuis te raken in onze nieuwe kerk, te zoeken naar herkenning, verder geïnspireerd en bemoedigd te worden door de geest van geloof, liefde, nuchterheid en ruimte die we er hadden aangetroffen.
Het werd een plezierige kennismaking. Persoonlijk trof me de gewone taal, de ongedwongen en ongekunstelde toon van veel artikelen en verhalen, de gevarieerdheid ervan en het vaak gekozen perspectief: van onderaf, vanuit de praktijk, informatief, meditatief, met ruimte voor welke vragen dan ook die bij je opkomen. Ik merkte hoe goed het me deed om te ervaren: dit gaat écht over mijn/ons leven, mijn vragen, mijn geloof en mijn twijfels, hier en nu, niet alleen als kerklid, maar helemaal: als (wereld)burger, als ouder, als vrouw. Niet moraliserend, maar inspirerend.
Opbouw vertelde ons niet ‘hoe we moesten geloven’ , maar liet ons zien en ontdekken wat leven uit geloof kan zijn. Zo heb ik het ervaren. Geen gesneden koek, wel veel ingrediënten en een enkele keer een recept. Al lezend had ik vaak de gewaarwording dat ik met iemand opliep, terwijl die zijn of haar kijk op (een aspect van) het leven met mij deelde. In alle openheid. Toen mij begin 2012 gevraagd werd om in de redactie te komen, hoefde ik niet lang na te denken. Zowel vakmatig als inhoudelijk sprak het me aan. En in de twee jaar dat ik als redacteur meedacht en het blad mee hielp vullen en vormgeven, heb ik er op een bijzondere manier van genoten: de wording van artikelen en verhalen over geloven, over de Bijbel, over leven in de kerk, in de wereld, in je gemeente, in je gezin, met jezelf. Ik kijk terug op een mooie tijd in de redactie, met de bijzondere chemie die ik daar ervoer: vertrouwen over en weer en de vrijheid om elkaar op alles te bevragen. Ik denk terug aan de vele inspirerende ontmoetingen met de mensen met wie ik in gesprek mocht en aan elke keer weer dat boeiende en soms ook ingewikkelde proces van schrijven en schaven. Het heeft me goed gedaan. Opbouw is straks verleden tijd. Dat stemt mij persoonlijk weemoedig. Ik ben aan het blad gehecht geraakt. Ik ben gaan houden van de toon, de hartelijke sfeer die het ademt. Ik proef er de geest en de ruimte in van de geloofsgemeenschap die me lief (geworden) is, die ons op een cruciaal moment heeft opgevangen en getroost – gewoon door te zijn hoe ze is.

Coosje Haan-de Jong, Amersfoort

Schepping en evolutie

Geprikkeld en getroffen door artikelen in Opbouw over evolutie en schepping ben ik mij gaan verdiepen in dit onderwerp. Als eerste door de bespreking van het boek De dingen hebben hun geheim van professor Arie van den Beukel in 1994. En na vele boeken over dit onderwerp gelezen te hebben, vond ik mijn ‘rust’ in het prachtige kleine boekje (slechts 28 bladzijden) Wonder boven Wonder van Kees Valkenburg (gebundelde artikelen uit Opbouw, uitgegeven na zijn overlijden in 2008). Uiteindelijk is de evolutietheorie gebaseerd op het toeval. Dit boekje laat duidelijk zien dat God de Schepper van hemel en aarde moet zijn. De Bijbel zelf getuigt natuurlijk al eeuwen lang van de vele wonderen door God verricht.

Henk Gritter, Ede

Lijfblad

Zolang ik, geboren in het jaar dat Opbouw van start ging, mij kan heugen, kwamen bij ons naast Het Vaderland (later de NRC) speciaal voor mijn moeder de Strijdkreet van het Leger des Heils en speciaal voor mijn vader Opbouw in huis. Als vanzelf nam ik die laatste gewoonte mee toen ik op kamers ging. Ik ben dus al ruim 35 jaar zelf abonnee (en lid van de persvereniging) en zie nog het ‘tabloidformaat’ en ‘krantenpapier’ van vroeger voor mij, met die leuke stukjes van ene D.W.L. Milo uit Nunspeet en de kritische bijdragen van een mr. dr. uit het oosten.
Ene drs. H. schreef vroeger veel te moeilijk voor mij, maar gek genoeg las ik het wel, want Opbouw lees je gewoon, altijd en helemaal. En juist zijn bijdragen zijn voor mij nogal eens eyeopeners geweest. Zijn schrijfstijl werd ook milder, toch? En nu neemt hij ons nog steeds mee in zijn overpeinzingen. Prachtig! Er zijn tijden geweest dat ik veel minder geïnspireerd werd door het blad, maar dat was geen reden om te stoppen. Door alle jaren heen vind ik Opbouw zoiets als brood: een soort levensbehoefte. Voor papier heet dat dan Lijfblad.

Wouter de Jonge, Oegstgeest

D.W.L.M.

‘Meneer Milo!’ zo reageerde mijn vrouw. Laat dat nu net de schrijver zijn waar ik zelf ook aan dacht. En niet maar meneer Milo in het algemeen, maar zijn artikel over West Side Story.
Mijn middelbare school in Den Haag lag vlakbij de luxe bioscoop Metropole. Daar draaide al bijna twee jaar het musicaldrama West Side Story. Heel saai dus: nooit eens nieuwe foto’s. Want naar zo’n ‘echte’ film gingen ‘we’ nooit.
Maar nu schreef meneer Milo in Opbouw een artikel over deze echte film en dus moesten we daar naartoe. En zo gebeurde het, met een groepje jongeren uit onze vrijgemaakte kerk. Het oude verhaal van Romeo en Julia in moderne dialogen, krachtige beelden en fascinerende muziek. Die muziek was van Leonard Bernstein, een klassieke topdirigent en componist. Ik denk dat het de muziek was die bij meneer Milo een snaar had geraakt. Zelf muzikaal begaafd schreef hij regelmatig over muziek. Ik herinner me hem ook als organist op de jaarlijkse Opbouw-vergadering in de Jeruzalemkerk in Utrecht. Dat artikel moest ik toch even opzoeken. Niet digitaal, want dat kan pas vanaf 1971, dus heb ik de jaargangen 1963 en 1964 uit de doos gehaald. Het bleek niet om één artikel te gaan, maar om een serie van drie, in juni 1964.
Onder de koppen ‘Steigerende jeugd’ , ‘Falende ouderen’ en ‘Falende jeugd’ werden verhaal, beelden en muziek levendig beschreven. En opvallend: niet echt kritisch, maar invoelend. Hij schreef: ‘Eigenlijk is de film een fotoalbum van u en mij, midden in ons egoïstische leventje van elke dag; en van onze jeugd, die op de puinhopen van twee wereldoorlogen, in een eeuw die zwanger is van nieuw geweld, zijn 'toekomst' moet opbouwen; ook van de tegenstelling van twee generaties, waarvan de een in feite het spel verloren heeft en de andere het spel nog aandurft, mits op eigen condities; dan van de steeds toenemende rassendiscriminatie en -suprematie, waarmee grote mensen de co-existentie vergiftigen op aarde; tenslotte ook de droevige tekening van een mensheid die in het boze ligt, en die dit weet; die de weg tot vergeving zoekt, maar niet vindt; omdat de officiële kerk zichzelf zo lang in twisten heeft verteerd, dat zij niet meer een verstaanbaar woord voor deze wereld heeft.’ (Opbouw, 12 juni 1964) Het viel me bij het zoeken op dat in die jaren niet alleen over ‘kerkelijke’ onderwerpen werd geschreven, maar ook over kunst, cultuur, recht en samenleving. Niet alleen door theologen, maar ook door een kunstkenner, een historicus, een jurist en een bankdirecteur (meneer Milo!). Het ging niet alleen over de kerkstrijd van die tijd.
De laatste zin van de artikelenreeks typeert nog eens het ‘fotoalbum’ West Side Story: ‘Een jeugd zonder Evangelie, zonder geloof, zonder hoop.’ Daarmee ging het niet over de kerk, maar raakte het mij en mijn vrienden.

Jan van Dijk, Voorschoten