Achter de schermen

Bijna 58 jaar lang wordt Opbouw uitgegeven, maar wat er al die tijd achter de schermen gebeurt, onttrekt zich grotendeels aan de waarneming van de lezer. In dit allerlaatste nummer lichten we een tipje van de sluier op.

Persvereniging
Opbouw wordt vanaf 1957 uitgegeven door de Gereformeerde Persvereniging Opbouw. De oprichters hebben slechte ervaringen met andersoortige uitgevers en willen een persvereniging van kerkleden de geestelijke en zakelijke eigenaar van het blad laten zijn. De persvereniging groeit flink: van 150 leden bij de start tot bijna 600 in 1968. Het oplopen van de kerkelijke spanningen lijkt bij te dragen aan de groei, met pieken in de crisisjaren 1964 en 1967. Eind jaren zestig begint het ledental te dalen. Tussen 1975 en 2005 fluctueert het tussen de 300 en 400, om daarna te zakken tot rond de 200.

Statuten
Sinds de oprichting zijn de statuten van Opbouw eenmaal gewijzigd. Eerst kunnen alleen vrijgemaakten lid van de persvereniging worden, in 1981 wordt de vereniging opengesteld voor ieder die instemt met de grondslag. Die wordt tegelijkertijd gewijzigd van ‘het Woord van God, zoals dat beleden wordt in de Drie Formulieren van Enigheid’ in ‘de Heilige Schrift, in de zin van de Drie Formulieren van Enigheid beleden als het Woord van God’.

Abonneeontwikkeling
Een jaar na de start in 1957 telt Opbouw ruim 1.600 abonnees. Dat aantal stijgt via 3.300 in 1965 tot ruim 4.200 in 1970. De relatie tussen de abonneegroei en de oplopende kerkelijke spanningen is evident. Als rond 1970 het stof van de kerkstrijd gaat liggen en Opbouw vooral het blad van en voor de buiten het verband geraakte kerken wordt, daalt het abonneeaantal: via 3.300 in 1975 tot 2.600 in 1985. Daarna gaat het weer omhoog naar 2.800 abonnees in 1990, om vervolgens te dalen tot 2.500 in 2000. In 2012 zakt het abonneeaantal door de grens van 2.000. Begin 2014 zijn er 1.870 abonnees.

Abonneewerving
Abonneewerving is door de j/aren heen een bestuurlijk speerpunt. De eerste drie nummers van de eerste jaargang worden in een oplage van 7.000 exemplaren verspreid: in Nederland, maar ook in Australië, Canada, Indonesië en Zuid-Afrika.
In 1960 meldt het bestuur aan de leden dat 10 procent van de proefabonnees abonnee wordt. Ook later blijft het uitzetten van proefabonnementen een succesvol marketinginstrument.

Lezersonderzoek
Het bestuur doet regelmatig onderzoek naar de abonnees van Opbouw. In 1959 rapporteert het dat het blad in minder dan 10 procent van de vrijgemaakte gezinnen komt. In 1982, wanneer Opbouw hoofdzakelijk in de kleinere NGK-kring verschijnt, is die dekking niet veel hoger, variërend van 5 procent in grote tot 15 procent in kleine gemeenten.
In 1995 wordt onderzocht waarom abonnees bedanken. De uitkomst: 40 procent vanwege ouderdomsgebreken of overlijden, 20 procent vanwege bezuinigingsnoodzaak, 20 procent vanwege inhoudelijke redenen en 20 procent vanwege tijdgebrek.
In 2007 wordt het profiel van de abonnee onderzocht. Die is ruim boven de 55 jaar en hoogopgeleid, stemt veelal ChristenUnie, leest Visie en ND en is tevreden over de inhoud en vormgeving van het blad.

Geldzorgen
In het begin is werken voor Opbouw volledig pro Deo, maar door de stijging van het abonneeaantal kan na een paar jaar worden overgegaan op een bescheiden honorering van 2 gulden per kolom tekst. Vlak voor de zomer van 1962 vraagt één van de medewerkers om uitbetaling van zijn honorarium over 1961, ‘aangezien de vakanties voor de deur staan en huisvaders aan hun gezinnen moeten denken’.
Vooral in de eerste helft van de jaren zeventig is de financiële situatie bij Opbouw kritiek. Door een hard teruglopend abonneeaantal en kostenstijgingen van 40 procent in twee jaar zit het blad jaren achtereen in de min. Bovendien wil het bestuur ‘vanwege de teruglopende welvaart’ de abonnementsprijs niet al te drastisch verhogen. Daardoor wordt fors ingeteerd op de reserve. Begin 1973 doet bestuursvoorzitter Bouterse een appèl op de redactie om de kwaliteit van het blad te verbeteren (minder ‘ellenlange artikelen’), omdat ‘we anders eind van het jaar het blad moeten liquideren’. Een jaar later is de situatie echter niet veel beter en waarschuwt redacteur ds. G. Janssen voor ‘een dreigende catastrofe tegen het eind van het jaar, omdat de reserves dan uitgeput zijn’. Een dringend beroep op de leden om extra giften te geven doet het tij keren en betekent de redding van Opbouw.

Frequentie en formaat
In 1976 wordt gekozen voor een kleiner paginaformaat en lichter papier om de verzendkosten te verlagen. ‘Als dat onvoldoende is, moeten er een paar nummers vervallen’, besluit het bestuur, dat geen herhaling wil van de net overleefde financiële crisis.
In 1989 wordt overgestapt op een tweewekelijkse verschijning in magazineformaat. Ds. W. Smouter en andere abonnees protesteren (‘het leidt tot een sterk verminderde binding aan het blad’ en ruikt naar een ‘sterfhuisconstructie’), maar hun verzet haalt niets uit.

Vormgeving
Herhaaldelijk is het bestuur met de redactie in overleg over een meer professionele vormgeving. In 1987 vindt men het uiterlijk ‘te vodderig’ en wordt een restyling doorgevoerd. De lezers klagen daarop echter over de kleine letter, waarna wordt teruggegaan naar de oude letter. Overleg over de sfeer en stijl van het blad heeft als conclusie: ‘Jongelui zijn visueel ingesteld. Overwogen moet worden of een tekenaar ons behulpzaam kan zijn.’

Hot items
Vanaf het begin gaat het in de gesprekken tussen bestuur, redactie, medewerkers en leden vrijwel altijd over de koers en de inhoud van het blad. Vooral in de jaren zestig en begin jaren zeventig zijn dat heftige discussies. ‘We moeten niet de illusie hebben dat we een gesloten front zijn’, aldus voorzitter Bouterse in 1967.
De discussies spitsen zich toe op twee thema’s. Allereerst de inhoud en uitstraling van het blad, die lezers, en zeker jongeren, afstoot. Er is veel onvrede over het feit dat Opbouw grotendeels gevuld wordt met polemische artikelen over de kerkstrijd. Ook wordt er geklaagd over lange, historische beschouwingen, eindeloze artikelenseries en het ontbreken van een redactioneel beleid dat stuurt en selecteert. Eerdere afspraken over meer niet-theologen in de redactie worden traag uitgevoerd en van de overeengekomen 50/50-verhouding van theologische en niet-theologische artikelen komt niets terecht. Actuele en aansprekende artikelen over de vragen van jongeren ontbreken.
Het zit bestuurslid en medewerker Milo zo dwars dat hij begin 1965 een vlammende brief aan bestuur en redactie schrijft: ‘We verliezen onze jeugd, wanneer we in hoofdzaak theologie en meditaties bedrijven en een verkapt kerkblad zijn. Onze kinderen zijn op de hoogte van de moderne pornografie en van atoombomsoorten, maar hebben geen behoefte aan kerkvorstendommetjes in een blad dat wordt volgeschreven door professoren en predikanten.’
Een tweede hot item vanaf 1967 is de houding tegenover de synodaal-gereformeerde kerken. Moeten de moderne theologische ontwikkelingen daar vierkant worden afgewezen en is hereniging daarmee een ‘no-goarea’? Of is er ruimte voor een open houding, ‘omdat hun vragen ook onder ons leven’? Moet Opbouw bij dit soort thema’s een ‘wachter op Sions muren’ zijn of een ‘discussieplatform voor mondige lezers’? In de redactie zitten Veenhof, Visee, Jager en Amelink op de eerste lijn, terwijl J.G. van Oord en Smelik net als de bestuursleden Albracht en Stamhuis op de tweede lijn zitten. Na veel en lang vergaderen blijkt de kloof onoverbrugbaar. In 1970 verlaten Van Oord en Smelik bij gebrek aan ruimte voor hun visie de redactie. Via een verklaring in Opbouw worden de lezers over de achtergronden geïnformeerd.
In latere jaren blijven dezelfde vragen terugkomen. Moeten we leidinggeven door een kant te kiezen of vooral gespreks- en discussieplatform zijn? In 1974 komt het bijna opnieuw tot een conflict wanneer ds. G. Janssen uit de redactie dreigt te stappen bij plaatsing van een artikel van ds. H. de Jong over homofilie. Maar die ziet ter bewaring van de vrede en vanwege Janssens slechte gezondheid op dat moment van plaatsing af. In 1988 formuleert bestuursvoorzitter Van Oord het zo: ‘Opbouw wil binnen de NGK geen eenrichtingsverkeer bevorderen, maar een forumpositie innemen binnen de grenzen van de grondslag van het blad.’

Ledenvergaderingen
In de jaren zestig wordt de Persvereniging Opbouw met ledenvergaderingen en conferenties een platform voor strategisch beraad over de situatie in de kerken. En ook na de kerkelijke breuk worden de jaarlijkse ledenvergaderingen voortgezet. Daarbij worden via stevige sprekers uit eigen kring actief onderwerpen op de kerkelijke agenda gezet, zoals de toekomst van Israël (1971), de charismatische beweging (1978), de identiteit en toekomst van de NGK (1988) en meermaals de omgang met en het verstaan van de Schrift (1968, 1981 en 1991). Die laatste keer aarzelt het bestuur: is het wel wijs om zo’n gevoelig onderwerp te agenderen op een moment dat er in de kerken veel verschil van mening is over de vrouw in het ambt? De voorzitter waarschuwt voor ‘een ontwikkeling die ertoe zou kunnen leiden dat Opbouw wordt aangewezen als de splijtzwam in het kerkelijk samenleven’, meldt het verslag. Maar de bijeenkomst komt er toch. De gekozen lijn – Opbouw geeft leiding door gespreks- en discussieplatform te zijn – wordt doorgezet.

Opbouw-dag
Wanneer het aantal bezoekers van de jaarvergadering terugloopt, wordt eind jaren negentig geswitcht naar een tweejaarlijkse Opbouw-dag, met een gevarieerd dagprogramma met workshops. Als opmaat maakt de redactie themanummers, zoals in 2003 over ‘Jezus uit beeld?’ en in 2009 over kerkverlating.
In de ontmoetingen met de leden komt steevast de inhoud van het blad ter sprake, doorgaans in positieve zin. In 2003 uiten de leden wel zorgen dat de net gestarte rubriek Oplocatie met nieuws uit de plaatselijke kerken ten koste zal gaan van de diepgang van het blad. Maar algauw wordt Oplocatie één van de meest gewaardeerde onderdelen van Opbouw.

Fusie
Eind oktober 2006, 40 jaar na de Open Brief, wordt voor het eerst een themanummer met De Reformatie gemaakt en vanaf 2010 brengen beide bladen jaarlijkse specials uit. De samenwerking wordt steeds intensiever en eind 2013 adviseert een gezamenlijke redactionele werkgroep een fusie. Het bestuur stemt daarmee in en ook de leden van de persvereniging gaan akkoord. OnderWeg staat op stapel. De cirkel is rond. De bladenbreuk van 1957 is geheeld.