Beleving
2005-08-26
In de vorige Opbouw citeerde ik prof. Van de Beek, in zijn protest tegen een kerk die te vlot aanleunt tegen de geest van de tijd. Ditmaal een verhaal over hetzelfde onderwerp, maar nu vanuit de praktijk van het predikantschap. In het juli-nummer van Kontekstueel (‘Tijdschrift voor gereformeerd belijden nú’) beschrijft drs. W.F. Schormans zijn ervaringen als beginnend predikant. Hij reageert op een brief van zijn oudere collega dr. L. Westland, die het Sola Scriptura sterk had benadrukt, de verkondiging van het Woord van God, als het hart van het werk van de predikant. Schormans beaamt dat, maar: Ik blijf preken een waagstuk vinden.- Jaargang 49
- nummer 16
Temeer omdat mensen - terechtveel van de preek verwachten. We leven in een belevingscultuur.
Mensen willen geraakt worden, willen emotie en dat geldt ook voor de preek. Nu kun je met je neus in de lucht aan dat verlangen voorbijgaan met een beroep op het Woord Dat Geschiedt, maar hoe je het wendt of keert, beleving is belangrijk. Het evangelie moet ergens raken aan de werkelijkheid van mensen. De kerk heeft trouwens altijd zoiets als bevinding gekend, het beleefde geloof. Ik hoor in de gemeente regelmatig de vraag: ‘Wat kan ik er mee, doet het iets met me?’ En de verleiding is groot die vraag ook als leidraad te nemen bij de preekvoorbereiding: Kunnen ze hier iets mee?
Het risico is dan wel dat je alleen die teksten aan de orde stelt, waarvan je denkt dat mensen ‘er iets mee kunnen’, zodat de meer weerbarstige teksten blijven liggen.
Ik vind het een verleiding om mensen enkel te bevestigen in wat ze al geloven. Want ik weet als dominee best wat goed landt in de gemeente.
Maar wat goed landt is niet per definitie heilzaam. Je voelt als predikant soms ook wel dat er dingen taboe zijn, dingen die mensen liever niet horen, jezelf inclusief, maar die wel gezegd moeten worden. Simpel voorbeeld: hier op de Veluwe kom ik regelmatig mensen tegen die bijzondere Godservaringen hebben gehad die gerelateerd zijn aan de natuur.
Een zon die zomaar doorbreekt op een bepaald moment wordt bijvoorbeeld geduid als Gods hand die iets wil duidelijk maken. De toevalligheden van elke dag worden gezien als tekens van Hem. Op zichzelf heel mooi, maar een kritische bijbelse toetsing hoort daarbij en die ontbreekt wel eens. Als ik zoiets aan de orde stel, weet ik dat dat weerstand oproept. Sommige teksten staan zó haaks op onze belevingswereld dat ik me als predikant soms de explosievenopruimingsdienst voel. Je bent opgeleid om vakkundig de ontsteking eruit te halen, zodat de bom wel blijft liggen - die willen we ook niet kwijt - maar niet langer af kan gaan. Preek bijvoorbeeld eens over: verzamelt u geen schatten op aarde.
Of noem dit leven eens ‘slechts een voorspel voor de eeuwigheid’. In een tijd die gericht is op het hier en nu vraagt dat een bepaalde moed. Ons voedsel schijnt steeds zoeter te worden, omdat de meer gecompliceerde smaken zuur, zout en bitter steeds minder gewaardeerd worden. Preken worden volgens mij ook zoeter omdat het bittere, het zoute en het zure dat ook in de bijbel zit er vaak wordt uitgefilterd. We hebben het dan wel over God en genade, maar die is zo vanzelfsprekend geworden dat alle spankracht verdwijnt. Met andere woorden: je schrijft in je brief dat het Woord centraal dient te staan, maar zit je daar niet met hetzelfde verschijnsel als bij bijzondere diensten: de spanning tussen behoefte aan beleving en laagdrempeligheid enerzijds en de opdracht integer het Woord te bedienen anderzijds?
Daar hoeft geen tegenstelling tussen te zijn, maar hoe houd je het juiste evenwicht?
Onmiskenbaar gaat het hier over een thema dat breed resoneert in onze tijd. In hetzelfde nummer van Kontekstueel komt ook ds. Maasland in de Kroniek erover te spreken. Aan hem het slotwoord:
Onze tijd kenmerkt zich door brede aandacht voor ervaring, al besef ik een open deur in te trappen met deze opmerking. Juist in kringen waarin voorheen alles wat maar leek op bevinding of ervaring gemeden werd, waar zelfs vanaf kansels tegen gewaarschuwd werd, daar lijkt het net of het nu alleen maar moet gaan over de Geest en zijn werken in gaven en vruchten. Maandenlang durende discussies bijvoorbeeld in het Nederlands Dagblad over de betekenis van de Geest en zijn werk in de gemeente. () Kennelijk zijn veel gelovigen vandaag met die vragen bezig: hoe ervaar ik God in mijn leven en hoe geef ik aan die ervaring vorm. Dat heeft ook zijn uitwerking naar het verlangen om in de samenkomst van de gemeente te komen tot lofprijzing en aanbidding.
Gemeenten waar daar ruimte voor geschapen wordt, hebben aantrekkingskracht op vooral jongeren en jongvolwassenen. Kuitert merkt vanuit de context van zijn recente studie (‘religie is verbeelding’) ergens op dat ‘waarheden niets doen met mensen’. Heeft hij daar niet gelijk in?