Op vleugels van visioenen
2005-09-09
‘Fantastisch zoals de rijdende troon met de wezens beschreven is’, zo tekende Jaap Kanis aan bij de roeping van Ezechiël. Een andere trouwe meelezer, Andries Mak, vond dat zo’n gedeelte vraagt om lezing en herlezing ‘niet om daarmee deze verschijning te gaan begrijpen, maar om je bewust te worden van de ontzagwekkende grootheid en majesteit van de Heer.’- Jaargang 49
- nummer 17
Wonderbaarlijk is dit openingshoofdstuk van het boek Ezechiel! Beeldrijk, zoals veel gedeelten in dit bijbelboek en een uitdaging om het te schilderen of te verfilmen. Iedere tijd zal daarbij andere zaken opvallen. De Italiaan Raphaël maakte veel werk van de vierkoppige wezens van het hemels voertuig. Mij frapperen de wielen, het raderwerk, de rook en de vuurflitsen.
Kosmonauten
Want zo technisch is het allemaal in deze visionaire opening van Ezechiël. Het zal niet toevallig zijn dat Erich von Däniken in de jaren van de maanlandingen dacht aan buitenaardse wezens in zijn boek ‘Waren de goden kosmonauten?’ Al werkte Von Däniken vooral met buitenbijbels materiaal. Want de Heer heeft zich maar zelden in zo’n technische ambiance gemanifesteerd. Lezend in een boek als Ezechiël vind ik dat kosmonautische denkraam ook te klein voor de macht en majesteit van God. Ik denk bijvoorbeeld aan het visionaire hoofdstuk waar je leest over de terugkeer van God in de nieuwgebouwde tempel. De heilige ruimte is dan de plaats waar de Almachtige slechts zijn voeten kwijt kan (43:7). En had Salomo bij de inwijding van de eerste tempel al niet gebeden: ‘Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten’ (1 Koningen 8). Laat staan een ruimtecapsule, zou ik geneigd zijn aan te vullen.
Man van staal
Een van de vruchten van de doorgaande lezing is, dat je merkt hoe verschillend de profeten zijn. Dat valt veel minder op, wanneer je je beperkt tot de bekende hoofdstukken van een bijbelboek - zoals bij Ezechiël die over de herder (34), de doodsbeenderen (37) en de tempelbeek (47). Maar lees je van kaf tot kaft dan zit je bij de profeet Ezechiël nog wel eens te denken aan zijn tijdgenoot Jeremia. Al was de geografische afstand tussen die twee groot, want Ezechiël behoorde tot de eerste lichting weggevoerden (597 voor Christus) en keerde alleen visionair terug in het nog niet verwoeste Jeruzalem. Corrie Sonke miste bij Ezechiël de bewogenheid, die Jeremia zo kenmerkte. ‘Ezechiël had niet het emotionele karakter van Jeremia’, schrijft ze. Dat is des te opmerkelijker omdat je aan de andere kant bij de profeet een grote gevoeligheid proeft voor het visionaire. Zou het te maken kunnen hebben met een passage in hoofdstuk 3, waar de Heer zelf Ezechiël tegenover het volk pantsert met een opmerkelijke onbuigzaamheid en hardheid? Zo zelfs dat de profeet op een later moment bij het plotseling sterven van zijn vrouw zijn eigen emoties moet toeschroeien en geen verdriet mag tonen (24:15-24). Dat als een bittere gelijkenis voor het volk.
Vreemd
Het geeft iets weer van de bijna bovenmenselijke taak, die Ezechiël opgelegd kreeg - ook gelet op het geringe gehoor dat de profeet vond. Met alle mogelijke middelen moest de profeet de boodschap van de Heer doorgeven. Vooral de eerste hoofdstukken van het boek zijn vol van de meest vreemde handelingen. De profeet krijgt een boekrol te eten - ‘eet wat ik je voorhoud’ (3:1-3). Hij wordt letterlijk aan huis gebonden (3:25) en krijgt even later de opdracht de belegering van Jeruzalem uit te spelen op een kleitablet (4:4). Daarna moet hij 430 dagen op linker- en rechterzij gaan liggen (4:6), brood op uitwerpselen van dieren bakken en zijn hoofdhaar afscheren, verbranden en uitstrooien. In elke handeling beeldde de profeet iets af van de verworden verhouding tussen God en zijn volk.
Wachter
Prikkelend herkenbaar was voor ons als lezers het beeld van de wachter, die de zondaar moet waarschuwen op straffe van eigen ondergang (hoofdstuk 3 en 33). Tineke Plooij schreef: ‘De verantwoordelijkheid die Ezechiël als wachter krijgt heeft iets benauwends.
In hoeverre geldt dat ook voor ons, waar we bij sommige vrienden en familieleden het gevoel hebben dat er helemaal geen opening is om over het Evangelie te praten. En dat het eerder negatief zou werken als we het toch proberen.’ Bob Wielenga denkt in dezelfde richting als het gaat om kerk-zijn in deze wereld: ‘Dat is toch ook een aspect... het waarschuwen voor oordeel en ondergang. Het hoort erbij, hoe zwaar dat ook valt en hoe weinig dat ons ook ligt vandaag de dag. Woorden van God verkondigen is nu eenmaal geen sine cure. In 3:26 kende Ezechiël een tijd van zwijgen.
Soms is het beter te zwijgen - tijdelijk! - dan parels voor de zwijnen te werpen. Maar zwijgen niet uit lafheid of lauwheid, maar weloverwogen in bepaalde omstandigheden als onderstreping van Gods oordeel.’
Rauw
Tot de meest schokkende gedeelten behoren de hoofdstukken 16 en 23, waar Israël en Juda vergeleken worden met een hoerige geliefde. De rauwe beeldspraak intrigeerde Bob Wielenga: ‘Zo'n plastische beschrijving van de verhouding tussen God en Israël met die beelden direct uit het leven van toen gegrepen, dat zouden wij toch niet in ons hoofd halen? In Victoriaanse tijden werd dit hoofdstuk helemaal niet aan tafel gelezen!’ Wielenga typeert het als ‘pure shocktheraopie’. Niet alleen door de onverhulde beeldtaal, maar ook vanwege de boodschap dat Jeruzalem in afvalligheid Samaria nog overtroefde (23:11) en Sodom heilig was vergeleken met Juda en Israël (16:46,47). En toch lees je ook in het boek Ezechiël op allerlei vaak onverwachte momenten over redding van een rest en heil dat God - door alles heen - met zijn volk (en de volken!) op het oog heeft.
Redding van de goddeloze
Bijna iedereen schreef iets over de individualiserende trek in het boek Ezechiël, dat de zonden van de vaderen niet op de kinderen worden verhaald (Ezechiël 18 en 33). Deze omgang met zonde en straf sluit beter aan bij onze individualistische westerse cultuur dan die andere, waarbij kinderen deelden in de straf vanwege de zonde van de vader (bijvoorbeeld de familie van Achan, Jozua 7). Daarbij wint dit gedeelte ons hart, als je God hoort zeggen: ‘De dood van een mens geeft me geen vreugde’ (18:32, 33:11). Toch zit er ook een kille kant aan deze individualistische omgang met zonde en straf.
Het is zo ‘ieder voor zich’! In hoofdstuk 14 - als het gaat over drie rechtvaardigen uit de oertijd, Noach, Daniël en Job - hoor je dat een mens door zijn rechtvaardigheid alleen zichzelf kan redden en geen macht heeft om zelfs ook maar zijn kinderen te redden (14:18). De pijn die je hier voelt doet niet veel onder voor die bij de geschiedenis van Achan. Wie zal ons redden uit deze impasses rond zonde en straf? Het zal niet toevallig zijn, dat Paulus het dankzij Christus verzoening zelfs kan hebben over de ‘rechtvaardiging van de goddeloze’!
En als ik deze hoofdstukken uit Ezechiël met de lijdensgeschiedenis verbind, hoor ik de roep van de omstanders ‘anderen heeft hij gered, zichzelf kan hij niet redden’. In Jezus ligt dat individuele en collectieve rond zonde en straf diep verstrengeld en dat geeft het evangelie een ongekende gloed.
Vervulling
En dan zijn er nog de profetieën, waarvan menigeen de vervulling over het jaar nul heen wil tillen, zoals die over Gog en Magog (Ezechiël 38,39).
En ook de profetie over de nieuwe tempel, die in hoofdstuk 40-48 breed wordt uitgemeten en door sommigen als de maquette van een derde tempel wordt gezien.
Frits Bijlenga schrijft als het gaat over de terugkeer van Israël en Juda na de ballingschap: ‘De uitleg die je ook wel hoort dat dit nu nog steeds te gebeuren staat met het volk Israël herkende ik tijdens het lezen eigenlijk helemaal niet. Er zijn natuurlijk wel wat toespelingen op de nieuwe David en zijn nieuwe tempel zoals in de laatste hoofdstukken maar de directe vervulling kwam voor mij veel duidelijker naar voren.’ Zo’n nuchtere benadering lijkt me typisch een vrucht van doorgaande lezing van de profetische boeken.
Rooster
Daniel - Jona (kopijdatum 09-09-05)
Micha - Maleachi (kopijdatum 23-09-05)
e-mail: f.gerkema@solcon.nl