Ethiek van de verlegenheid
2005-10-07
Lange tijd is het appèl op homoseksuele broeders en zusters gedaan: ‘Blijf alleen!’ Velen van hen zijn voor dat appèl gevoelig geweest en hebben er om bijbelse redenen voor gekozen om metterdaad alleen te blijven. Je kunt je afvragen, hoe het bij hen zal vallen dat dr. Bert Loonstra in zijn boek over homoseksualiteit ruimte bepleit voor het aangaan van een homoseksuele relatie.- Jaargang 49
- nummer 19
Loonstra zelf heeft er zich rekenschap van gegeven, dat dat pleidooi op deze bewust celibatair levende broeders en zusters verwarrend kan overkomen. Hij schrijft: ‘Zij hebben hun keuze altijd gemotiveerd vanuit hun verstaan van de Bijbel en waren ervan overtuigd dat God dit van hen vraagt. Aan hun overtuiging wordt door deze herbezinning op Gods wil hevig geschud. Hebben zij soms hun eenzame strijd voor niets gevoerd? Wat is de zin geweest van hun gevecht tegen zichzelf?’ (p. 81, 82) Loonstra meent dan ook dat deze broeders en zusters in die verwarring pastorale zorg nodig hebben. In een apart hoofdstuk Pastorale begeleiding maakt hij een aantal opmerkingen ter verheldering van hun situatie ‘in het licht van Gods Woord’ (p. 82) Hij zegt daarin fijnzinnige en psychologisch waardevolle dingen. Toch zegt hij voor mij hier net te weinig. Want dat appèl komt niet over zijn lippen. Dat vind ik jammer.
Hier doet zich gelden, dat Loonstra naar mijn gevoel te weinig ruimte open laat voor verlegenheid met homorelaties.
Ik zou royaler gehonoreerd willen zien, dat er iets wringt wanneer zo’n relatie wordt aangegaan.
Homoseksuele broeders en zusters die kiezen voor het ‘alleen blijven’, hebben daar werkelijk een goede reden voor.
Geen misverstand: Loonstra spreekt nadrukkelijk zijn respect uit voor hen.
Hij ziet in hun keuze ‘een indrukwekkende uiting van toewijding aan de Heiland’, ‘een signaal van de andere mentaliteit die bij het christen-zijn past.’ (p. 82, 83) Maar even nadrukkelijk houdt hij rekening met de legitimiteit van die andere keuze. Het lijkt er dan ook op, dat wat hem betreft de keuze voor de celibataire staat niet principieel de voorkeur verdient. Ik stel echter vast, dat die keuze minder principiële verlegenheid met zich meebrengt. Daarom zou ik zeggen dat zij serieuze overweging verdient van alle christen-homo’s en -lesbiennes.
Klem zitten
Maar dan. Er is ook die andere verlegenheid.
Er zijn broeders en zusters die aan dat appèl wel gehoor zouden willen geven, maar geen kans zien om dan nog te léven. Er zijn er voor wie dat ‘blijf alleen’ een gebod vol wreedheid is, dat radeloos maakt. Over ‘er wringt iets’ gesproken! In hun leven wringt hun ‘tegennatuurlijke’ natuur. Daar moeten zij mee leren omgaan. En als dat nou absoluut niet lukt op de weg van het celibaat? Als het ‘je mag het wel zijn maar je mag het niet doen’ hen in een verschrikkelijke identiteitscrisis stort? Als ze daardoor wanhopig worden van zichzelf, en van hun Schepper?
Hoe moeten zij dan verder? Mij dunkt: hier staat de ene verlegenheid tegenover de andere. Ik geloof, dat we hier als christelijke gemeente niet echt uitkomen.
Aan de ene kant is er de ernstige verlegenheid met een relatie waarbinnen de seksualiteit onmogelijk aan haar doel kan beantwoorden. Aan de andere kant is er de vrees om een mens te dwingen tot een leven dat naar de dood doet verlangen. Intussen zullen broeders en zusters die zo klem zitten ons met recht voorhouden: ‘We moeten toch iets.’ Dat is waar. Naar mijn gevoel moet je om die reden als kerk terughoudend zijn in het oordelen over de keuze van sommigen voor een vaste homoseksuele relatie.
Een bezwaard hart
Iemand zal zeggen: ‘Dat klinkt niet royaal.’ Dat klopt. Iemand anders zal zeggen: ‘Dat klinkt niet ferm.’ Dat klopt ook. Eigenlijk vind ik ook dat het zo moet, in dit geval en in vele andere gevallen. Ik denk namelijk dat het in het christelijk leven vaak onontkoombaar is om keuzes te maken, die je noch van harte kunt toejuichen, noch krachtig kunt veroordelen. Bekend is het voorbeeld van echtscheiding. Wie daarvoor kiest, kan in ernstige verlegenheid komen met de woorden van Christus in Matteüs 19:4-9. Maar wat, als het alternatief is: leven in haat en nijd, in een sfeer van totale vervreemding van elkaar, zo, dat een van de partners of ook beiden er langzaam maar zeker aan kapot gaan? Terecht leren we als kerk om de hand op de mond te leggen, wanneer men in zulke situaties de weg van het uit elkaar gaan kiest. Een heel ander voorbeeld. Er is schrijnend onrecht in de wereld. De welvaart van het rijke Westen is gebaseerd op een economisch systeem dat mensen in de Derde Wereld te weinig kansen biedt, of erger. Veel christenen zijn daar ernstig verlegen mee. Maar wat moeten ze? Al hun bezit verkopen en weggeven?
Het is niet echt een oplossing. En dus geven ze gestalte aan een naar verhouding sobere levensstijl. Het gevoel blijft echter knagen: ‘God heeft die immense verschillen zo niet bedoeld.’ Ik noem dit: een ethiek van de verlegenheid.
Je gaat een weg waar je als kerk onmogelijk enthousiast over kunt zijn omdat er iets wringt, omdat het niet gaat zoals God het bedoeld heeft. Je hebt er een bezwaard hart bij. Maar je moet toch wat?
Barensweeën
Menigeen vindt dit een te bekommerde benadering. Ik geef ook direct toe, dat je als mens geen leven hebt wanneer je continu een bezwaard hart hebt bij de keuzes die je maakt. Nee, als je na veel gebed en beraad in een situatie waarin je je hopeloos klem voelt zitten eindelijk een knoop doorhakt, dan moet je er ook voor gaan, in het vertrouwen dat God je op die weg nabij zal zijn. En toch. Het lijkt me niet verkeerd als we in zulk soort situaties steeds kritisch blijven ten opzichte van onszelf, en ons ervan bewust maken dat we achter blijven bij Gods bedoelingen. Dat hoort, zo zou ik denken, bij het leven in een schepping die ‘nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt.’ (Romeinen 8:22) Christelijk leven is het tegendeel van gearriveerd zijn. Het is bij voortduring geconfronteerd worden met gebrokenheid.
Het wil de gestalte aannemen van een groeiend verlangen naar een wereld die wél is zoals God het bedoeld heeft. De keerzijde van dat verlangen is: verlegenheid met het leven zoals het nu is. Die verlegenheid zou niet te dragen zijn, als we niet in geloof in Christus de rust zouden kennen van Gods onvoorwaardelijke aanvaarding van ons gebroken bestaan. Maar waar die verlegenheid wegebt, verwordt de rust in Christus tot valse gerustheid.
Niet in kannen en kruiken
Zo pleit ik wanneer het gaat om de keuze van mensen voor een homoseksuele relatie voor blijvende verlegenheid, en wantrouw ik gevoelens van zelfverzekerdheid en vanzelfsprekendheid.
Daarbij kijk ik niet alleen de kant op van de mensen die die keuze maken. Het lijkt me, dat ook zij die moeite hebben met die keuze, daarvoor op hun hoede dienen te zijn. In dat kader past ook mijn opmerking in de eerste aflevering van deze bespreking, dat het gesprek nooit af is. Dat wil zeggen: onze gedachten en beoordelingen hebben geen eeuwigheidswaarde.
Gods heilig Woord heeft dat wel. Maar de meningen die wij in de biddende omgang met dat Woord vormen, hebben iets principieel voorlopigs. Altijd weer moeten we er rekening mee houden dat er nieuwe feiten aan het licht komen, waardoor we onze mening moeten herzien. We hebben de christelijke moraal niet in kannen en kruiken.
Dat vraagt om voorzichtigheid, zeker als het gaat om uitspraken over dingen die zo het diepste en binnenste van Gods bedoeling met een mensenleven raken als het aangaan van een homoseksuele relatie. Misschien moeten we leren aanvaarden, dat de wereldkerk op dit punt momenteel vooral verwarring kent. Wie weet, geeft God later de verheldering waardoor we bevestigd worden in, of teruggeroepen van, de keuzes die we nu maken.
1 Naar aanleiding van: Dr. Bert Loonstra, 2005, ‘Hij heeft een vriend’. Homorelaties in de christelijke gemeente. Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer.