Déjà vu
2005-10-07
U kent het: dat rare gevoel dat je iets dat nu gebeurt, al eens eerder hebt meegemaakt. Zo verging het mij bij het lezen van een Kroniek in Nader Bekeken (het blad van zeg maar de verontruste Vrijgemaakten) over de voortgang van de samenwerking met de Christelijke Gereformeerden. ‘Dit ken ik! Twintig, dertig jaar geleden ging het precies net zo in de contacten tussen de NGK en de CGK.’ In het juli/augustusnummer gaat drs. J.W. van der Jagt in op het bericht in het Reformatorisch Dagblad en Nederlands Dagblad dat de Generale Synode van de GKV weliswaar besloot verder te gaan op de weg naar eenheid met de CGK, maar dat ter synode niet alleen gesproken werd van dankbaarheid, maar ook van moedeloosheid.- Jaargang 49
- nummer 19
Van der Jagt:
Ik denk dat het goed is om beide goed in beeld te houden. We mogen dankbaar zijn wanneer de toenadering groeit. Kerkelijke eenheid wordt niet zo snel bereikt als je zou willen, maar in de weg van geduldig gesprek kun je wel verder komen en het doel ten slotte bereiken. Opmerkelijk was wat dat betreft wel wat de krant optekende uit de mond van prof. J.W. Maris en uit die van prof. B. Kamphuis, beiden deputaat voor kerkelijke eenheid.
Maris zei: ‘De stapjes zijn beschamend klein, maar toch is de richting ervan nog te zien.’ Je vraagt je dan af hoe klein stapjes kunnen worden voordat de richting eruit is en er alleen nog een pas op de plaats wordt gemaakt.
Kamphuis was veel royaler en benadrukte dat er echt reden was om dankbaar te zijn. ‘Op veel terreinen zien we wel degelijk een groeiende toenadering. Plaatselijk: negen jaar geleden was er nog bijna niets. En nu: vergaderingen met koploperkerken, met kanselruilkerken, barsten uit hun voegen.’ Je zou haast de indruk krijgen dat er geen reden is voor de moedeloosheid die ter synode naar voren werd gebracht. Toch wonderlijk: waar de één kleine stapjes ziet, is er voor de ander groeiende toenadering op veel terreinen. Is dat geen opmerkelijk verschil? Het zal met ieders achtergrond te maken hebben.
Maris moet rekening houden met een kerkgemeenschap waar ook de kleine stapjes al gauw te groot zijn.
Kamphuis moest een synode overtuigen die er moedeloos van wordt dat ze door haar gesprekspartner wordt teleurgesteld.
Ik moet zeggen dat ik me de moedeloze en teleurgestelde gevoelens die ter synode geuit zijn, goed kan voorstellen.
Ik vraag me af of we ons, alle kleine of grote stappen ten spijt, niet bewegen op doodlopend spoor. Eerst was er het vermeende verschil van inzicht over de toe-eigening van het heil, dat uit de weg geruimd moest worden. Nu is het de vraag of de overeenstemming die gebleken is, wel voldoende doorwerkt in de praktijk van de prediking in de Gereformeerde Kerken. Daarom wil men over preken gaan praten. Ik heb begrepen dat het zal gaan over preken van beide zijden.
Dat lijkt me terecht. Want al is van CGK-zijde de vraag gesteld of het met de toe-eigening in de GK-preken wel goed zit, is het wat dit betreft in de CGK allemaal in orde? Daar wordt ook heel verschillend gepreekt. Een paar jaar geleden werd in Apeldoorn een conferentie gehouden van predikanten van beide kerken. Daar werd in een groepsbespreking door een CGKdeelnemer een mening over preken naar voren gebracht, die naar mijn indruk leidt tot een sjabloonmatige en Geestdodende accentuering van de toe-eigening van het heil. Dat mag ook aandacht hebben. Toch lijkt het me niet echt een goed gespreksthema.
Nee, ik voel geen enkele behoefte om te beweren dat over deze zaken onder ons altijd op goede wijze gepreekt wordt. Als er reden is om daarover te spreken, moet je dat zeker doen.
Maar nu lijkt het dat de eenheid van beide kerken daarvan afhankelijk wordt gemaakt. Daar zit de moeite.
Kerkelijke eenheid hangt niet af van de wijze waarop voorgangers hun werk doen, maar van het gebod van God, zijn Woord en de eenheid in het geloof, zoals die in de belijdenis wordt uitgedrukt. Wanneer je elkaar niet daarin vindt, ontstaat er willekeur en zullen gespreksonderwerpen zich blijven aandienen. Nu gaat het bij de vraag naar de toe-eigening in de praktijk om de prediking. Maar waarom zou je niet met elkaar spreken over de toe-eigening in de praktijk van het geloofsleven van de gemeente?
Dat kon wel eens de volgende horde op de weg naar elkaar worden.
En als we het dan toch eerst met elkaar eens moeten zijn over de manier waarop individuele voorgangers het evangelie verkondigen, is ook () de ethiek die dr. Loonstra m.b.t. homoseksuele relaties uitdraagt, onderwerp van gesprek. Zo zal er zich steeds iets nieuws aandienen, wanneer we niet op een kerkelijke manier naar kerkelijke eenheid gaan. Of je nu kleine stapjes ziet dan wel veel ontwikkelingen, het blijft een frustrerende en ontmoedigende manier van omgaan met elkaar.
M.H.T. Biewenga, Enschede