Verder gesprek over homoseksualiteit
2005-11-18
Drie artikelen wijdde ds. Van der Dussen aan het boekje van Bert Loonstra over homorelaties in de christelijke gemeente. En dat onder de titel ‘gesprek over homoseksualiteit’.- Jaargang 49
- nummer 22
Ik was en ben blij met de aandacht die Van der Dussen aan het boek en het thema geeft. En hij houdt de zaak bespreekbaar, pleit ook nadrukkelijk daarvoor. Wat dat betreft doet hij Loonstra recht. Ook met een aantal van de kritische noten die Van der Dussen kraakt, raakt hij mij. Het meest misschien nog wel met zijn pleidooi voor ‘blijvende verlegenheid’. Toch meen ik dat hij een paar punten noemt, waarover gesprek gewenst is.
Voor mij sprongen twee dingen in het geheel eruit. En ze hebben met elkaar te maken. De woorden uit Filippenzen 4:8 over het ware, edele, rechtvaardige, die Van der Dussen typeert als ‘maatstaf’. En wat van der Dussen schrijft, ‘dat er in homoseksualiteit als zodanig iets verwrongens zit’ en ‘de ernstige verlegenheid met een relatie waarbinnen de seksualiteit onmogelijk aan haar doel kan beantwoorden’.
Waar, edel, rechtvaardig
De prachtige woorden uit Filippenzen 4 zijn het meer dan waard om genoemd te worden. Dat zeker. Maar waarom hier het woord ‘maatstaf’ gebruiken, tot twee keer toe zelfs?
Heeft het ware, edele, rechtvaardige niet veel meer met ‘intenties’ te maken. Ik proef hier, dat Christus ons op dat spoor wil zetten. En daarbij valt op dat Paulus hier niets concreet maakt. Bovendien vind ik het eigenlijk jammer dat dit mooie woord van Paulus juist hier gebruikt wordt. Want door dat diepe woord juist in het gesprek over homoseksualiteit in te brengen, suggereer je dat in het bijzonder homoseksuele mensen met hun levenspraktijk botsen met dit woord. En met die suggestie heb ik moeite. Waarmee ik niet bij voorbaat zeg dat homorelaties binnen de christelijke gemeente wel gestempeld zijn door het ware en edele. Laat dat maar open blijven. Is het trouwens aan de kerk om daarvan iets te zeggen?
Voor eigen besef overtuigd
Dat is wel een punt dat me bezighoudt, ook op dit gebied. Wat doen wij in de praktijk van de christelijke kerk met Paulus’ woord uit Romeinen 14: ‘Laat ieder voor eigen besef volledig overtuigd zijn’? Dat betekent mijns inziens dat de kerk zeer terughoudend moet zijn met het oordelen over wat ook maar. Zo’n woord betekent voor mij dat ieder persoonlijk verantwoordelijk is. En dat je binnen de christelijke gemeenschap elkaar mag bevragen en aanspreken, dat je je mag en soms zelfs moet verantwoorden voor je leefwijze. Maar dat is iets anders dan als kerk een soort van machtswoord uitspreken.
Het valt op dat Paulus het heeft over concrete punten die toen speelden.
Punten waarover hij gemakkelijk kon vertellen wat de ‘juiste opvatting’ was. En precies dat doet hij niet! En hij schrijft ook niet voor hoe de christelijke kerk over die punten moet denken. En dat terwijl de zaken waarover het gaat niet maar theoretisch waren, maar uiterst praktisch. Het had direct te maken met het functioneren van de gemeente, met de inhoud van het Evangelie en met de vertaling daarvan naar de praktijk. Ze vormden een deel van de identiteit van de gemeente. En dus toch dit blijvende van de apostel: laat ieder voor eigen besef volledig overtuigd zijn. Oftewel: zorg dat je dicht bij de Heer blijft. En in dat spoor ook: ‘kijk uit dat je de ander niet gaat veroordelen of verachten.’ En juist in dit verband: ‘aanvaard elkaar, zoals en omdat ook Christus ons aanvaard heeft.’ Beseffen we wel wat dat betekent?
Aanvaard elkaar, zoals en omdat Christus ons aanvaard heeft. Dat geeft gemeenschap, ruimte en respect.
Verwrongen?
Maar terug naar het directe gespreksonderwerp.
Mijn andere punt is wat Van der Dussen het ‘verwrongene’ noemt en ‘seksualiteit die niet aan haar doel kan beantwoorden’. Ik citeer: ‘Ik kan er niet aan voorbijgaan, dat hun streven naar het edele en zuivere doorkruist wordt door het feit, dat er in homoseksualiteit als zodanig iets verwrongens zit. Ik doel hier op dat wat Paulus het “tegennatuurlijke” noemt. Heel concreet: wij mensen zijn er niet op gebouwd. De menselijke seksualiteit komt hier niet tot haar recht. Christelijk gesproken: zó heeft God het niet bedoeld. Zo gezien kun je niet zeggen dat homoseksualiteit als zodanig het leven mooi maakt, en stemt het aanleggen van de maatstaf van Filippenzen 4:8 verdrietig. We stuiten hier op een barst in de schepping, en een barst is niet lieflijk, niet mooi.’ Ik wil wel toegeven dat ik het lastig vind om bij homoseksualiteit de vraag te beantwoorden of het bij de schepping hoort of gevolg is van wat we zijn gaan noemen de zondeval.
Het is trouwens maar de vraag of de dingen zo eenduidig zijn te stellen.
Dat geldt temeer na lezing van de artikelen van ds. Barth in Opbouw en zijn uitleg van Genesis 1. Maar het andere punt vind ik te stellig. Het tegennatuurlijke wordt verklaard door: ‘wij mensen zijn er niet op gebouwd’. En daarmee is de zaak in feite voor Van der Dussen beslist, al geeft hij uit pastorale overwegingen wel weer wat ruimte. De zin daarna, over het niet tot haar recht komen van de menselijke seksualiteit hier, klinkt mij ook veel te massief. Je zegt nogal wat hiermee. Wie bepaalt wanneer de menselijke seksualiteit tot haar recht komt? Wat is dat eigenlijk?
En is homoseksualiteit bijvoorbaat gedoemd niet tot het recht van menselijke seksualiteit te komen? En ook hier, zoals vaker in de discussie hierover, ligt vrij veel nadruk op het seksuele.
Maar een relatie is toch veel meer dan dat? Niet voor niets heeft het boek van Loonstra als ondertitel: ‘homorelaties in de christelijke gemeente’.
Het is niet goed dat de mens alleen is Ieder kent het woord van de HERE God uit Genesis 2: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is.’ Vaak wordt hierin de instelling van het huwelijk gezien. Ten onrechte mijns inziens.
Wie is dat hier, ‘de mens’? Er staat niet zoals vaak gedacht en gezegd: ‘de man’. Tot hier spreekt Genesis niet over mannen of vrouwen, niet over Adam of Eva. De mens wordt geschapen, vertelt Genesis 1 En dat gebeurt naar Gods beeld. En in de mensheid krijg je een onderverdeling: mannelijk en vrouwelijk. Je hebt twee ‘soorten’ mensen, mannelijke mensen èn vrouwelijke mensen. En je bent als mens beeld van God, als blank of als gekleurd mens, als groot of klein mens, als theoloog of tuinman, mannelijk of vrouwelijk. Je bent mens, mens van God. En nu hebben mensen, zegt de HERE God, mensen nodig.
Dieren zijn geen gelijkwaardige partners tegenover de mens. Mensen hebben relaties nodig. Dat is de wijsheid uit deze tekst. Het is niet goed dat de mens alleen is. Dé mens, zonder onderscheid. Je wordt pas echt mens, je functioneert pas goed in relaties.
Het is in de christelijke kerk de gave en de opgave om om te zien naar elkaar, om relaties te leggen, om tot hulp, tot tegenover, tot naaste van de ander te zijn.
En ik weet het, uiteraard. God spreekt hier over de man-vrouw relatie, met het oog op de mens en zijn vrouw, zo zegt Genesis, dat hier het woord ‘man’ nog niet gebruikt. Maar je hoeft het toch niet daartoe te beperken.
Laat het zo zijn dat de manvrouw verhouding de hoofdlijn is in de geschiedenis, in Gods bedoeling met mensen, daarmee is niet gezegd dat homofilie vanaf den beginne uit de boze is, veroordeeld wordt.
Mensen hebben mensen nodig, dat geldt voor ieder mens. Daarom is het zo goed dat mensen die geen vaste levenspartner (meer) hebben, goede vriendschappen proberen op te bouwen en te onderhouden. Het woord van God uit het begin is een algemeen woord. Toch kun je het toespitsen op het huwelijk, al moet je het mijns inziens daartoe bepaald niet beperken. Mijn vraag: mag je dit wezenlijke woord - algemeen geldig mijns inziens - in die toegespitste zin van een één-op-één-relatie aan homofiele mensen ontzeggen? Nogmaals, ik wil zo’n relatie niet idealiseren.
Maar een belangrijke vraag is: mag of moet je tegen hen zeggen: ‘het is in algemene zin inderdaad niet goed dat je alleen bent, maar in de toegespitste zin is het wel goed?’