Waarom komt alles op ons neer?

2005-12-23
  • Jaargang 49
  • nummer 24
Stefan Paas, CG evangelisatie-consulent, is een man die de gave heeft om dingen op zo’n manier inzichtelijk te maken dat je onwillekeurig denkt: Hé ja, dat had ik zelf ook kunnen bedenken. Met dit verschil dat ik het niet, en hij het wel bedacht heeft... In De Wekker van 21 oktober schrijft hij over een verschijnsel dat hij al vaak is tegengekomen, juist als het gaat over evangelisatie: de klacht dat er maar zo weinig mensen meedoen. Paas:

De mensen die dat soort dingen zeggen, zijn zelf vaak ijverige mensen. Ze voelen zich verantwoordelijk en hebben liefde voor de gemeente. Maar veel van hun vreugde wordt weggenomen door het feit dat zij overal voor opdraaien. Ik heb gemerkt dat veel van deze mensen zich moe voelen en vaak gefrustreerd. Soms zijn ze boos: waarom hebben niet meer mensen wat verantwoordelijkheidsgevoel? Het is ook een zorg van veel kerkenraden. De realiteit is dat dit een heel ingewikkeld probleem is.

Na eerst iets gezegd te hebben over organisatorische aspecten die de betrokkenheid van gemeenteleden bevorderen, vervolgt hij:

Ik denk dat achter de frustratie en boosheid van veel trouwe werkers in de kerk ook een ander probleem kan zitten. Dat probleem gaat dieper dan een gebrekkige organisatie. () Laat ik bij het begin beginnen: waarom hebt u ‘ja’ gezegd, toen u gevraagd werd om iets te doen in de kerk? Waarom kon u geen ‘nee’ zeggen?
De 18e-eeuwse theoloog Jonathan Edwards zegt dat er twee manieren zijn om iets goeds te doen: de gewone manier en de christelijke manier.
De grote meerderheid van de mensen, zegt Edwards, doet goed op de eerste, ‘gewone’ manier. Zij zeggen ja uit angst (‘gehoorzaam de wet, anders word je gepakt’, ‘doe je best of God zal je straffen’, ‘ik durf geen nee te zeggen tegen...’ enz.) of uit trots (‘het kan nu eenmaal niet zonder mij’, ‘ik ben niet zoals die luie en onverantwoordelijke types’ enz.).
Op deze manier doen we dus goed, omdat we er ons op de een of andere manier beter bij voelen. Zo wordt in de kerk en de maatschappij veel zonde beteugeld en dat is op zich mooi. Maar de wortel van de zondeonze ongelooflijke ik-gerichtheid wordt niet bestreden: we voeden hem juist! Als we op deze manier goed doen, doen we het uiteindelijk voor onszelf: om onze eigenwaarde op te vijzelen of onze angst en onzekerheid tot rust te brengen.
In de kerk kan dit betekenen dat we uiteindelijk goed doen om ons zekerder te voelen over Gods aanvaarding en liefde en om ons knagend besef van schuld en tekort schieten tot zwijgen te brengen. Zulke gehoorzaamheid brengt echter geen blijdschap; het is een mechanische en vreugdeloze gehoorzaamheid. () Kerken die gestempeld worden door ‘gewone’ gehoorzaamheid hebben onze natuurlijke luiheid en egoïsme weliswaar enigszins geremd, maar niet werkelijk bestreden met Gods genade. Dat betekent dat het er van buiten allemaal heel deugdzaam en fatsoenlijk kan uitzien, maar op de meest ongelegen momenten kan het angstige en trotse hart zich laten gelden.
Dat is de reden dat zoveel kerken worden geplaagd door roddel en ruzie. En dat is de reden dat mensen die op het oog bijzonder deugdzaam zijn, zo diep in zonde kunnen vallen.
Wat is dan de christelijke manier om goed te doen? Edwards zegt: dat is wanneer je niet goed doet en ijverig bent omdat je er beter van wordt, maar omdat je overweldigd bent door de liefde, de grootheid en schoonheid van God. () Christelijke liefde en ijver groeien in iemand die heeft gezien hoe Christus in een wereld van luie en ontrouwe mensen Zijn belofte tot het einde toe heeft gehouden.
Wanneer we dat tot ons door laten dringen is er geen ruimte voor trots.
Wat heb ik om trots op te zijn? Hij moest voor mij sterven! Maar er is ook geen ruimte voor angst. Waarom zou ik bang zijn voor mensen?
Waarom zou ik Gods oordeel vrezen?
Hij heeft alles gedragen wat mij kan oordelen. Dat wilde Hij doen voor mij, een vijand en een wegloper!
Zo iemand kijkt niet voortdurend om zich heen of anderen wel evenveel doen als hij of zij. Zo iemand is niet verontwaardigd als anderen complimenten krijgen die hij of zij zelf dacht te verdienen. Zo iemand is oprecht bewogen met broeders of zusters die dreigen af te glijden, in plaats van hen te veroordelen als lui of onbetrokken.
Zo iemand is niet stiekem jaloers op een ander die veel gemakkelijker ‘nee’ kan zeggen. () Ik geloof dat hier een belangrijke geestelijke sleutel te vinden is: het werk in de gemeente wordt er niet anders of minder van, maar wijzelf wel. En daardoor zal uiteindelijk ook het werk anders ‘voelen’: het wordt dankbaar werk. Ten slotte: waarschijnlijk zulten mensen die op die manier aan het werk zijn ook uitnodigender en motiverender zijn tegenover mensen die zich nu nog minder inspannen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief