Charismatisch (4)
2006-07-28
In het tweede artikel in De Reformatie over het werk van de Heilige Geest (zie de Persschouw in de vorige Opbouw) onderscheidt drs. A.L.Th. de Bruijne drie verschillende stromen in de huidige interesse in gereformeerde kerken voor het charismatische: er zijn mensen die verlangen naar ‘geestelijke vernieuwing’; anderen zijn in de ban geraakt van dwaalgedachten; en weer anderen menen dat de gereformeerde traditie op bepaalde punten verrijkt zou moeten worden met ‘charismatische’ elementen.- Jaargang 50
- nummer 15
Op elk van die drie gaat De Bruijne dieper in:
Veel kerkleden verlangen naar ‘geestelijke vernieuwing’. Dat verlangen omvat veel aspecten van het christen zijn. De één verlangt ernaar dat God meer centraal staat in zijn leven en in zijn leven concreter merkbaar wordt.
De ander zoekt vollere overgave aan Christus en zijn genade. Een derde ziet graag meer toewijding aan God en de naaste, bijvoorbeeld in gebed en christelijke levensstijl. Een vierde hoopt op kerkdiensten waar iets van uitgaat, op een gemeente die echt als één lichaam functioneert en missionair bewogen in de wereld staat. () Dit verlangen naar geestelijke vernieuwing verdient naar mijn oordeel een positief onthaal binnen de kerken.
Om twee redenen.
De eerste is dat dit verlangen bij de kerk hoort. Want als gereformeerde christenen belijden wij dat wij alles in Christus mochten ontvangen. Zijn volheid is voor ons. Maar tegelijk erkennen wij dat wij deze volheid niet automatisch ook in ons eigen leven zien doorwerken. Integendeel, vergeleken met wat Christus ons geeft, constateren wij in ons eigen leven maar een ‘klein begin’. Wie dat echt belijdt, beseft dat hij zijn leven lang opnieuw Christus moet leren ontvangen en zich moet leren toe-eigenen wat hij in Christus mag hebben. Onze eigen belijdenis kent de spanning tussen een rijke Christus voor een arme zondaar. Wie het meent als hij zijn eigen armoede verwoordt, moet wel een levenslang verlangen kennen naar geestelijke vernieuwing.
Wie dat verlangen niet kent en zelfs wantrouwt, doet geen recht aan de bijbel en is op dat punt niet goed gereformeerd.
De tweede reden komt nog wat concreter op ons af. Al sinds de jaren ‘80 wordt geconstateerd dat de gereformeerde (met name de ‘vrijgemaakte’) traditie het gevaar loopt van een zekere schraalheid. De ‘theorie’ was op orde, maar hoe was de geloofspraktijk? De sterke nadruk op verstand en op structuur, op normativiteit en op wil, op afspraak en op orde kon als keerzijde gemakkelijk een gemis veroorzaken op het vlak van ‘innerlijke beleving’. Dit extra tekort binnen onze traditie kan ook aan het verlangen naar geestelijke vernieuwing dat zich telkens weer voordoet, een extra urgentie geven.
Voor de tweede stroom heeft De Bruijne minder waardering; hij wijst met name de gedachte af dat je twee soorten christenen zou hebben, de ‘doorsnee-christen’, en de ‘echte’ christen, gedoopt met de Heilige Geest.
Over de derde stroom is hij dan weer positiever:
Er is nog een derde stroom aanwezig in de huidige charismatische interesse binnen de gereformeerde traditie. Je vindt die, naar mijn inschatting, regelmatig bij dominees, theologen en andere gemeenteleden die meer dan gemiddeld bezig zijn met bijbelse bezinning. Zij hebben de intuïtie dat de gereformeerde traditie op bepaalde punten open plekken vertoont en vanuit de bijbel verrijkt zou kunnen worden.
Daarbij doelen zij onder meer op enkele verschijnselen die ‘charismatisch’ heten. Zij zien ruimte voor een meer geprofileerde plaats van de profetie in de kerk. Zij denken dat er vormen van lofprijzing bestaan, die wij vergeten zijn, zoals de zogenaamde tongentaal.
Zij vinden dat het werk van de Geest in allerlei omstandigheden nadrukkelijker aandacht kan krijgen. () De aanleiding voor de bezinning op deze punten ligt vaak in de opkomst van charismatische bewegingen. () Maar al ligt de aanleiding daar, de basis voor bijstellingen in visie ligt meestal in die bezinning op de bijbel zelf. () Op exegetische en bijbels theologische gronden kan ook een gereformeerde verdedigen dat profetie nog steeds voorkomt. Iets vergelijkbaars is aan de orde rond tongentaal en ziekenzalving.
Bovendien realiseren wij ons vandaag meer dan vroeger dat er ook vóór de tijd van de Reformatoren een eeuwenlange kerkgeschiedenis geweest is. De Reformatie rekende af met allerlei uitwassen in de Roomse traditie van destijds. Maar soms werd bij die afrekening wel eens wat teveel weggestreept.
Misschien ook op dit punt? In ieder geval kunnen we er niet omheen dat niet alleen in de tijd van de apostelen maar ook in de eerste eeuwen van de kerkgeschiedenis verschillende van deze ‘charismatische’ verschijnselen in de kerk nog voorkwamen. Dat levert minstens een probleem op voor de gereformeerde visie dat zij beperkt waren tot de tijd van de apostelen. () De gereformeerde traditie is een levende traditie. Juist omdat zij zich oriënteert op het levende Woord van God, mag zij zichzelf nooit verabsoluteren en durft zij eventuele leemten bij zichzelf te overwegen en zich te laten verbeteren door alles wat bijbels is.
M.H.T. Biewenga, Enschede