Aftrap predikantenopleiding nieuwe stijl

2006-09-01
  • Jaargang 50
  • nummer 17
‘Vanwege de veelheid en het veeleisende karakter van zijn taken, moet een predikant hebben geleerd om gestructureerd te werken en zijn agenda en tijd goed te managen en eigen handelen te evalueren’. Ook dat nog, denk je dan - na zo’n dertig aandachtspunten met wat een predikant allemaal zou moeten en kunnen in verkondiging, liturgie, onderwijs, pastoraat en leiding geven.

Het is te vinden in een lezenswaardig landelijk rapport over de opleiding (LV2005.47.1.2, p5-7, te vinden via Google). Het is niet gek om daarbij te bedenken dat een theologiestudent de basis van al dat moois in een jaar of vijf moet zien te leggen. De afgelopen negen maanden boog het bestuur van de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding (NGP) onder leiding van Bram Wattèl zich over dat opleidingstraject voor predikanten in onze kerken.
Met twee brandpunten: de predikantsopleiding zelf en de werkbegeleiding in de eerste drie jaren van het predikantschap.

Jongeren
Als kerken hopen we daar de komende jaren de vruchten van te plukken. Voorzitter Wattèl hoopt dan ook op een groeiende betrokkenheid vanuit onze kerken bij de predikantenopleiding. Niet in de laatste plaats om jongeren attent te maken op de mogelijkheid van het predikantschap. Want bij alles wat er verder van gezegd kan worden heeft het predikantswerk veel boeiende kanten en fulltime kansen om dicht bij God en mensen bezig te zijn.

Toch nog!
Hoe is het toch gekomen dat de kerken na ruim 35 jaar Nederlands Gereformeerde kerken op een Landelijke Vergadering gekozen hebben voor een (gedeeltelijk) eigen opleiding? Wattèl reageert een beetje aarzelend. ‘Ja, men ging toch wat missen rond de opleiding, al is dat niet eens zo gemakkelijk te duiden. Misschien is van invloed dat we als kerken van CGK en NGK de laatste 15 jaar niet dichter bij elkaar zijn gekomen. Is daardoor de aandacht wat verschoven richting het ‘eigene’? Zodat ook in de opleiding de behoefte groeide aan wat meer eigen accenten - bijvoorbeeld in vragen rond de prediking en de omgang met de Schrift?’

Meer geregeld
Wat volgens Wattèl zonder meer heeft meegespeeld is een bredere tendens in onze kerken om de zaken zorgvuldiger te regelen. ‘Op de LV in Lelystad zag je dat bijvoorbeeld bij de WAP-regeling, waarin de zakelijke kanten tussen gemeente en predikant beter werden vastgelegd - met minder kans op willekeur en ongelijkheid.
Bij de predikantsopleiding herken je dat ook. Het was al jaren een beetje behelpen met tweeërlei Nederlands Gereformeerde inbreng in de opleiding (Nederlands Gereformeerd Seminarie en Theologische Studie Begeleiding). Dat stond teveel naast elkaar als twee eigensoortige grootheden. Elementen uit die twee stromen van NGS en TSB zijn nu terug te vinden in de nieuwe opleiding.’

Grote veranderingen
Ten derde zijn natuurlijk de veranderingen in kerk en predikantswerk van belang. Wattèl heeft gemerkt hoe de laatste decennia de rol van de predikant veranderd is. ‘Je ziet een zekere amicalisering van het ambt. De predikant moet lekker kunnen opschieten met iedereen uit de gemeente. Dat betekent dat er meer van de persoon van de predikant wordt gevraagd. Tegelijk zie je ook een sterker accent op de professionalisering van het predikantswerk.
Aan de beroepsvaardigheden van een predikant worden steeds hogere eisen gesteld. Dan gaat het bijvoorbeeld over vaardigheden in gespreksvoering, onderwijs en leiding geven.’ Wattèl ziet in de bezinning op zulke vragen het werk van de TSB op een nieuwe manier terugkomen: ‘Er komt een integratiecyclus, die verplicht door de studenten moet worden gevolgd. Daar proberen de docenten in te gaan op zulke verschuivingen in de rol en het werk van de predikant.
Maar ook thema’s als charismatische vernieuwing en verandering in de kerkdienst komen expliciet aan de orde.’

Breed en diep
Je zou al pratend met Bram Wattèl niet zeggen dat hij nog maar nauwelijks een jaar betrokken is bij de vormgeving van de nieuwe opleidingspoot. Hij doet het met groot plezier. Dat geldt voor wat er praktisch en organisatorisch in korte tijd geregeld moest worden, zoals het onderwijsprogramma, het zoeken van werkbegeleiders en de afstemming op het hoofdprogramma van de TU Apeldoorn (waarbij Peter van Veen als opleidingscoördinator een belangrijke rol speelt in de uitwerking en begeleiding). Maar Wattèl ervaart het ook als een voorrecht om mee te mogen denken over de achterliggende vragen rond het predikantswerk. ‘Ik vind die inhoudelijke kant heel belangrijk. Dat de bijbelse boodschap in zijn breedte en diepte het predikantswerk draagt, dat is de basis. Zodat je geen preken krijgt, die je bij wijze van spreken bij een willekeurige tekst kunt houden. Dat zou ik een geweldige verarming vinden. Daar kunnen we in onze opleidingspoot gericht aandacht aan geven. Bijvoorbeeld tijdens de preekcolleges en in de bijbelse theologie als het gaat om het eigene van Oude en Nieuwe Testament.’

HBO en kerk
Voor het bestuur van de NGP ziet Wattèl in de komende tijd ook nieuwe gesprekspunten liggen. Dan denkt hij aan de mogelijkheden voor HBO’ers om binnen onze kerken aan de slag te gaan. ‘Dat zou wel eens een toenemende differentiatie van het kerkelijk werk tot gevolg kunnen hebben, met kerkelijk werkers op deelgebieden, zoals pastoraat, jeugdwerk en organisatie. Eventueel ook in combinatie met een deeltijdfunctie in de maatschappij. In sommige gemeenten zie je al iets van die veelkleurigheid. Wat zijn de plussen en de minnen aan zo’n ontwikkeling? Het is goed om dat grondig te doordenken. Temeer omdat er in het komend decennium een tekort aan predikanten dreigt’, zo signaleert Wattèl.

Herverkaveling
Als je de opleiding tegen de achtergrond zet van de ontwikkelingen in kleine oecumene, dan herinnert Bram Wattèl zich de eerste jaren na de scheuring. ‘Het eigene van het Nederlands Gereformeerde werd toen vaak getypeerd met behulp van het woordje ‘niet’: niet biblicistisch en niet confessionalistisch, niet teveel geregeld van bovenaf, etc. Dat is het inderdaad allemaal niet, maar wat is het wel, dacht ik dan wel eens. Ik heb zelf ook gerekend met een spoedige kerkelijke herverkaveling, maar die kwam niet. Zodat de Nederlands Gereformeerde kerken gewoon hun plek kregen naast de Vrijgemaakten en de Christelijke Gereformeerden.
Soms is er al jaren samenwerking op plaatselijk niveau, maar er zijn ook nieuwe ontwikkelingen zoals in Leidsche Rijn (GKV-CGK-NGK) en Amersfoort Vathorst (CGK-NGK-PKN).
Wat is het om predikant te zijn in zulke gemeenten? Wat voor kansen en struikelblokken geeft dat? Zulke vragen moet niet
buiten de opleiding blijven liggen.’

Na de opleiding
Een grote verandering vergeleken met de oude situatie is, dat pas begonnen predikanten gedurende drie jaar verplichte werkbegeleiding ontvangen door een ervaren collega. Dat betekent voor een beginnend predikant geregelde gesprekken over zijn werk en eigen functioneren. Wattèl hoopt dat daardoor minder predikanten vastlopen in hun werk.
De opleiding doet daar zelf trouwens ook al het nodige aan door persoonlijke begeleiding tijdens de studie (iedere student heeft één van de kerndocenten als mentor) en twee praktijkstages. En er leven nog meer ideeën om te voorkomen dat predikanten in een ongezond isolement terecht komen, zoals terugkomdagen voor predikanten.

Opening
Op 16 september is in Utrecht (Jeruzalemkerk) de opening van het eerste academisch jaar van de NGP. Oud-
Studiebegeleider De Jong zal een lezing houden over het thema ‘TSB: weinig vorm, veel inhoud’. Later op de dag komt kerndocent Van der Dussen, die zijn licht laat schijnen over de ‘NGP tussen over- en onderschatting van de theologie’. De titels alleen al zijn een prikkelende markering van de overgang van oud naar nieuw in de predikantenopleiding.

Bram Wattèl, voorzitter van de LV van Doorn (1998) en lid van de landelijke Vertrouwens- en Adviescommissie leidde het afgelopen jaar het bestuur van de Stichting NGP en was nauw betrokken bij de opzet en nadere invulling van de eigen opleiding.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief