De Gereformeerde Bond
2006-09-15
De Gereformeerde Bond bestaat honderd jaar. Naast enige feestelijkheid geeft dit jubileum ook aanleiding tot een kritische beschouwing van de eigen richting in heden en verleden. Zo schrijft in het juli-nummer van Kontekstueel ds.- Jaargang 50
- nummer 18
J. Maasland over twee woorden die typerend zijn voor het geloofstype binnen de Bond: bevinding en waarheid.
Ik neem hier een gedeelte over van wat Maasland schrijft over ‘waarheid’:
Waarheid zoals geformuleerd in de gereformeerde belijdenisgeschriften. De gereformeerde waarheid, zeggen we dan graag. Gereformeerd is bijbels en bijbels is gereformeerd, hoorde ik vroeger een bekende voorman in de kring van de GB menig keer zeggen. Op zichzelf is dat een respectabel standpunt.
Het is duidelijk, overzichtelijk en compleet.
In menig beleidsstuk formuleerde het hoofdbestuur van de GB dat in de gereformeerde belijdenis in principe alles is gezegd. Daar zat en zit dus niet veel rek in. De risico’s zijn duidelijk: de stok om te slaan krijgt voorrang op de staf om te gaan. Juist in strijdsituaties van de kerk wordt ‘waarheid’ iets om elkaar de maat te nemen en om elkaar mee om de oren te slaan. Confessioneel geharnaste gereformeerden hebben altijd de nodige hardheid in hun optreden.
Het heeft misschien ook wel te maken met het type mens dat zich er door aangesproken weet. Er is niet alleen maar weinig ruimte voor andersdenkenden.
Er is ook nauwelijks de bereidheid om zich onbevangen te verdiepen in de visie van anderen. Slechts één interpretatie van de waarheid is de juiste en dat is de onze.
Ik meen dat zich hier een valkuil opent waarover de hervormd-gereformeerde beweging min of meer is gestruikeld. In de jubileumbundel bij het honderdjarig bestaan van de GB “Uw Naam geef eer”, schrijft prof. dr. A. van de Beek over het thema “De Gereformeerde Bond en de cultuur”. Hij laat scherp zien hoe volgens hem na de oorlog het verdedigen van de waarheid alle nadruk krijgt. ‘De teneur van de jaren vijftig en zestig is vooral die van verdediging van de waarheid tegen het opdringende veld van de cultuur’. ‘De hoofdstroom van de Bond probeert de wereld buiten de deur te houden door de verdediging van de waarheid. Maar als die verdediging een doel op zichzelf wordt en niet gedomineerd wordt door het positieve van de verbreiding van de waarheid, dan begeeft men zich in een ander veld en uiteindelijk verliest men dan de strijd’. Wie zich alleen maar defensief keert tegen toegenomen secularisering in de cultuur en tegen het opdringen daarvan in de eigen kring, moet wel bedenken dat hij de slag daarmee aan het verliezen is ().
Wat is ons antwoord op de druk van de moderne cultuur? Ik weet uit eigen herinnering hoe door leidinggevenden binnen de GB in alle oprechtheid gezocht is naar een antwoord op de vraag: Hoe geven we leiding aan de gemeenten, hoe stellen we ons op in de kerk, nu er zich zoveel veranderingen aandienen in de cultuur en de maatschappij?
Het kwam veelal toch neer op een herhalen van wat al eeuwen vast lag. De oude vertrouwde antwoorden dus. Er heerste veel wantrouwen naar ieder die ook maar enigszins afweek van wat als de bijbelse koers werd gezien. In eigen kring, maar ook naar anderen buiten die kring. () De vonken spatten er bij tijden van af. Achteraf kun je je er soms nog voor schamen dat het er zo heet aan toe ging. Echt een botsing van meningen en visies op het scherpst van de snede. Dat was natuurlijk niet zonder reden. Er kwamen zulke fundamentele vragen aan de orde, op ons bord gelegd door het opdringen van de moderne cultuur. Ze werden niet toegelaten en ze mochten niet werkelijk doordacht worden. We achten de risico’s van de doordenking van de vragen groter dan de zich aandienende vragen zelf.
We moeten daarbij ook niet vergeten dat in diezelfde periode (de jaren zestig en zeventig) binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland de radicale ommekeer zich aandiende. Een andere visie op het Schriftgezag, een sterk ondermijnde positie van de belijdenis, ingrijpende veranderingen in visie op ambt en liturgie. () Binnen hervormd-gereformeerde kring was men er zo absoluut van overtuigd dat die weg onbegaanbaar was. En wie op de uitkomst let, moet toegeven dat men niet geheel ongelijk heeft gehad.
Alleen, daarmee was de kous niet af. () De preken van de Bond gingen nog uit van de volstrekte vanzelfsprekendheid van Gods bestaan en voorzienigheid, zodat men de vra¬gen daarover kon overslaan en zich wijden aan de vragen van bekering en wedergeboorte. Er wordt (in onze tijd, mhtb) wel anders gepreekt. Maar of men werkelijk de diepte in gaat van een godloze cultuur die zulke aangrijpende vragen oproept om van daar uit het rode koord van de absoluut vrije genade zichtbaar neer te laten in het midden van de gemeente is (de) vraag. () Het geloof in God is zo totaal onvanzelfsprekend en de absurditeit van het menselijk bestaan in een almaar uitdijend heelal zo aangrijpend.
Het moet ons telkens weer worden aangezegd dat er toch een God is die genadig is en dat het eeuwig de moeite loont naar Hem uit te zien en op Hem te wachten.
M.H.T. Biewenga, Enschede