Teleurstelling over noodgedwongen herroeping - Toch geen vrouw in het ambt in Nieuwegein

NIEUWEGEIN - De CGK/NGK-samenwerkingsgemeente van Nieuwegein zal geen vrouwen als ouderling of diaken aanstellen. Dat is de uitkomst van intensief beraad binnen kerkenraad en gemeente na adviezen vanuit beide kerkverbanden. In 2005 sprak de kerkenraad van Nieuwegein uit, dat het niet tegen Gods wil ingaat om vrouwen te benoemen tot ouderling en diaken. Daarom besloot men deze ambten voor zusters in de gemeente open te stellen en dit besluit begin 2008 te effectueren.

Maar vanwege ‘de elkaar tegensprekende besluiten van beide kerkverbanden’ vroeg Nieuwegein tegelijk binnen beide kerken om advies over ‘een kerkelijk begaanbare weg voor deze effectuering’. Strekking van de adviezen die begin dit jaar op de kerkenraadstafel belandden (afkomstig van de christelijke gereformeerde classis en dito landelijke deputaten en van de nederlands gereformeerde regio en dito landelijke commissie) is dat zo’n begaanbare weg er niet is, vanwege het nadrukkelijke nee van de christelijke gereformeerde synode tegen de vrouw in het ambt. En dus voelde de kerkenraad zich gedwongen om zijn besluit om in 2008 de ambten daadwerkelijk voor vrouwen te openen, te herroepen.
Volgens de Nieuwegeinse predikant Rijn de Jonge overheerst er in de gemeente een gevoel van teleurstelling.
‘Allereerst over het feit, dat we geen zusters als ouderling en diaken mogen aanstellen.
Dat zit ons echt hoog, omdat we nog steeds geloven dat het benoemen van hen in die ambten niet tegen de wil van de Here is, ja, dat het zelfs onjuist is ze daarvan uit te sluiten. We zijn daar zo’n twintig jaar mee bezig geweest, met de Schrift open, we hebben geprobeerd het in de CGK aan de orde te stellen en moeten nu concluderen dat dat eigenlijk niets heeft
opgeleverd.’

Prijs te hoog
Heeft Nieuwegein overwogen om vast te houden aan zijn besluit om de ambten voor zusters van de gemeente open te stellen? ‘Ja, dat is nadrukkelijk overwogen.
Eenderde van de gemeente was daar voor, maar de grote meerderheid vond de prijs daarvoor te hoog. Want onze taxatie was, dat dat een proces van uitzetting uit het christelijke gereformeerde kerkverband in gang zou zetten. En dat wilden we niet. Voor onszelf niet, maar ook om wat het wellicht aan negatiefs voor de andere samenwerkingsgemeenten zou veroorzaken. Wat dient de eer van God, de voortgang van het Koninkrijk en de opbouw van de gemeente het meest? Dat is voor ons doorslaggevend geweest.’ Diverse adviesinstanties hebben Nieuwegein aangeraden om ‘zo creatief mogelijk’ de bestaande ruimte binnen de CGK (geschetst in het in 2001 door de christelijke gereformeerde synode aanvaarde rapport over dienst van de vrouw in de kerk) te gaan gebruiken. Nieuwegein zal die adviezen zeker ter harte nemen. ‘We zullen die ruimte maximaal gaan invullen door zusters zoveel mogelijk in diaconaat en pastoraat in te schakelen met een
rompkerkenraad die het strikt ambtelijke doet.’

Vervreemding
De teleurstelling van Nieuwegein richt zich overigens niet alleen op de blokkade voor de vrouw in het ambt in de eigen gemeente, maar ook op de houding van het christelijke gereformeerde kerkverband.
‘Gemeenteleden vragen: wat hebben we nu eigenlijk aan een kerkverband dat ons elke ruimte ontneemt? Dan moet je je eigen kerk verdedigen, en dat doe ik dan ook door te laten zien dat het kerkverband over meer gaat dan dit ene punt. Maar ik zie wel, dat de vervreemding van het kerkverband binnen de gemeente hierdoor wordt bevorderd.’ De Jonge heeft er moeite mee, dat er geen vorm gevonden is die recht doet aan de bijzondere positie van de samenwerkingsgemeenten die deel uitmaken van twee kerkverbanden. ‘Nu wordt de ruimte in feite uitsluitend door de CGK bepaald. En dat moet volgens ons anders.
Waarom wordt door de CGK bij buitenlandse zusterkerken de vrouw in het ambt wel gedoogd, maar niet in Nederland? In het Samenwerkingsoverleg heeft prof. Maris, de voorzitter van de christelijke gereformeerde deputaten, nog niet zolang geleden gezegd: Misschien moet er voor de samenwerkingsgemeenten wel een apart kerkrecht komen. Dat klonk ons als muziek in de oren, en daarover moet verder doorgedacht worden. En dat moet niet te lang duren.
Want het duurt allemaal al zo lang. De regelingen voor de samenwerkingsgemeenten zijn ooit gemaakt voor een tijdelijke situatie, in afwachting van landelijke eenheid van beide kerkverbanden.
Dat zit er niet in en dus zitten we met een tijdelijke regeling voor wat in feite een permanente situatie is. Dat wringt en ik hoop dat de christelijke gereformeerde deputaten en de nederlands gereformeerde commissie daarmee aan de slag gaan.’